Opinie

Commissie Gelijke Behandeling zit ernaast

Beeld anp

De universiteit van Groningen mag aparte leerstoelen reserveren voor vrouwen. Juridisch is dat goed verdedigbaar.

Op de valreep van 2011 besliste de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) dat de Rijksuniversiteit Groningen met de benoeming van twaalf vrouwelijke hoogleraren de grenzen heeft overschreden van de Europese regels voor gelijke behandeling.

Aan dit oordeel kleven ernstige - mijns inziens fatale - juridische gebreken. De Commissie Gelijke Behandeling hanteert een te beperkte interpretatie van de relevante Europese rechtspraak. Wat ook opvalt is het opmerkelijke gebrek aan gevoel van urgentie.

De CGB trapt op de rem met een beroep op de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, die inhoudt dat vrouwen bij gelijke geschiktheid weliswaar de voorkeur kunnen krijgen boven mannen, maar pas na een 'objectieve vergelijking'. Dat de Groningse universiteit geen mannelijke kandidaten had opgeroepen, was volgens de commissie een beslissende tekortkoming. Zo zou een 'objectieve vergelijking' met mannelijke kandidaten niet gemaakt kunnen worden.

Deze redenering miskent echter het bijzondere karakter van de selectie van persoonsgebonden hoogleraarschappen, een categorie leerstoelen waarvoor speciale selectieprocedures gelden. Bij de vraag of iemand in aanmerking komt voor een persoonsgebonden hoogleraarschap, worden voor zover mij bekend nooit andere kandidaten uitgenodigd om tot een oordeel te komen over de wetenschappelijke kwaliteiten. De vergelijking wordt gemaakt door een selectiecommissie op basis van ervaring en dossiers. Uiteraard stoelt de beslissing op een impliciete vergelijking.

Een universiteit is bij uitstek toegerust om wetenschappelijke talenten te beoordelen. In ieder geval beter dan een Commissie Gelijke Behandeling. De universiteit vervulde uiteindelijk slechts twaalf van de zeventien beschikbare plaatsen omdat zij uiteraard slechts excellente onderzoekers wil benoemen.

In dezelfde periode dat de twaalf vrouwen werden benoemd als 'persoonsgebonden' hoogleraar, werden op de RUG vijftien mannen benoemd op 'niet-persoonsgebonden' hoogleraarposten. Daarbij was geen enkele vrouw.

Dat bevestigt de wrange constatering van de universiteit zelf, dat mannen positief worden gediscrimineerd. Terecht kon het universiteitsbestuur daarom concluderen dat er voor mannen voldoende mogelijkheden overbleven om hoogleraar te worden.

Over de urgentie om de hardnekkige achterstand van vrouwen terug te dringen, merkt de Commissie Gelijke Behandeling laconiek op dat deze 'niet dermate hardnekkig en groot is' dat het voorkeursbeleid rechtvaardigt. De commissie doelde hierbij op de getalsmatige discrepantie tussen vrouwelijke hoofddocenten en vrouwelijke hoogleraren.

Maar waarom die beperkte referentie? Het is een raadsel waarom de CGB zo positief is over het aantal vrouwelijke hoogleraren. Een woordvoerder van de universiteit verklaarde dat zonder voorkeursbeleid pas in 2066 genoeg vrouwen hoogleraar zullen zijn.
Vanzelfsprekend moeten de uitspraken van het Europese Hof te goeder trouw worden uitgelegd. Maar dat betekent niet dat men de ogen moet sluiten voor de feitelijke werking van de selectieprocedures voor hoogleraren.

Het zou de commissie sieren als ze aan die feiten het nodige juridische gewicht toekent. Dán zou de uitkomst een geheel andere zijn geweest. Het gevaar is nu groot dat deze uitspraak het signaal is voor universiteiten, en wellicht ook andere organisaties, om verder maar met de armen over elkaar te blijven zitten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden