column

Bruggen tussen het alledaagse en het geestelijke

Beeld Trouw

Ochtend doorgebracht met een dichter. Wel vanuit de ooghoeken het nieuws gevolgd, maar niets kon mij boeien. 

Zelfs de kwestie van de salariëring van een tv-presentator niet, noch zijn dreigende overstap naar de commerciëlen, normaal gesproken toch een lekker onderwerp. Ik bladerde liever door een stapel jaargangen van het tijdschrift Liter en las alles van en over een grote Australische dichter. Kon dat zomaar? Op een werkdag? Dan moest de dichter wel in het nieuws zijn en daarvoor was meestal een belangrijke prijs noodzakelijk. Of een doodsbericht. En inderdaad, het had kort in de krant gestaan: Les Murray was gestorven.

Tachtig jaar oud was de dichter geworden, en het was niet nodig om geschokt te zijn. Maar geschrokken was ik wel. De afgelopen tijd had ik een paar keer het woord gevoerd over religie en poëzie, en Murray was daarbij altijd langsgekomen. De man die bekendstond als de grootste dichter van Australië, zowel letterlijk als figuurlijk, was schaamteloos religieus. “God is de in elke religie opgevangen poëzie”, schreef hij. “Opgevangen, niet gevangen.” En vervolgens definieerde hij ‘wat poëzie is in het gedicht’, namelijk ‘een wet tegen afbakeningen’. Kijk, zo kan ik er misschien wel wat mee, met dat religieuze.

Boerenpummel

Murray, die opgroeide in de armoedige verlatenheid van New South Wales en zichzelf altijd als een boerenpummel bleef beschouwen, is de meester van de ontregeling. Neem het tafereel in ‘Een doodgewone regenboog’, als geheel Sydney in de war raakt van ‘een vent die staat te janken op Martin Place’. Waarom alles tot stilstand komt door een huilende man en er de gekste dingen gebeuren in de menigte (“sommigen die meenden gelukkig te zijn beginnen te schreeuwen”) wordt niet duidelijk, maar het is een scène die je niet gemakkelijk vergeet.

Er is iets in ons alledaagse leven wat helemaal niet zo alledaags is, lijkt Murray te zeggen. Hij formuleert dat soms als een bedreiging, waar hij vanwege zijn depressies zeker weet van had. Soms ook als een betovering. Of als allebei. In dat mysterieuze gebied, dat voorbij onze gebruikelijke afbakeningen ligt, ontwaart Murray het religieuze. En daarom is hij, opgevoed in een ‘harde’ presbyteriaanse kerk, rooms-katholiek geworden. Om te mogen lachen om wat heilig is. En om een ruimte te vinden waarin bruggen worden gebouwd tussen het alledaagse en het geestelijke en tussen de dingen die ons innerlijk verdelen. Voor Murray gebeurt dat in het katholieke ceremonieel en wel via ‘de ontvankelijkheid van onze stilte’. Dan gaat het niet meer om de God van onze ‘theoretische kletsverhalen, maar God de onvergelijkbare, de vreemde’.

Dat is Murray: weten dat de woorden tekortschieten en dan rustig een gedicht schrijven met als titel ‘De zin van het bestaan’. Waarin hij zegt dat ‘alles behalve de taal’ weet wat die zin is: “Bomen, planeten, rivieren, tijd”. Zelfs ‘dit dwaze lichaam van me’ komt er dichtbij, ware daar niet deze ene hindernis: “De onwetende vrijheid van mijn spraakzame geest”.

Maar ik dank die geest voor zijn poëzie.

Drie keer per week schrijft Stevo Akkerman een column waarin hij de ‘keiharde nuance’ en het ‘onverbiddelijke enerzijds-anderzijds’ preekt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden