Blij in Nieuwegein

Johan Nebbeling en zijn dochter June zijn allebei groot geworden in Nieuwegein. Beeld Jörgen Caris
Johan Nebbeling en zijn dochter June zijn allebei groot geworden in Nieuwegein.Beeld Jörgen Caris

Nieuwegein is niet hip, Nieuwegein is niet cool. En wie er woont is een sukkel. Maar Johan Nebbeling, Nieuwegeiner sinds 1972, zou niet weten waarom hij zou moeten verhuizen.

Het was ergens halverwege de jaren zestig, ik was een jaar of acht en op het NTS-journaal kondigde de nieuwslezer aan dat ten zuiden van Utrecht een 'satellietstad' zou worden gebouwd. Het kwam misschien door dat woord 'satelliet', een woord dat deed denken aan de toekomst, aan ruimtevaart en techniek, een woord met een belofte. Hoe dan ook: ik was gegrepen.

Want jeetje: er kwam een nieuwe stad, een satellietstad nog wel! Ik stelde me grote gebouwen voor met veel glas en staal, hoge brede autobanen en futuristische, misschien zelfs wel vliegende auto's. Hoe zouden ze dat trouwens doen, een nieuwe stad bouwen?

Ik wist toen nog niet dat ik dat een paar jaar later van nabij zou meemaken. In april 1972 verruilden mijn ouders ons bovenhuis in een Utrechtse buitenwijk voor een eengezinswoning in het nog prille Nieuwegein. En uiteraard verhuisde ik, als veertienjarige, met hen mee.

Pioniers
We voelden ons pioniers. Nieuwegein was toen nog niet meer dan een paar nieuwbouwstraten, vastgeplakt aan de oude dorpen Jutphaas en Vreeswijk. Ons huis grensde aan een zandweg, daarachter lagen weilanden. Op een ochtend stonden er paarden in de tuin.

In de jaren die volgden, ontstond Nieuwegein voor mijn ogen. Straat voor straat, wijk voor wijk. Ik zag hoe je dat doet, een nieuwe stad bouwen. Het komt er op neer dat je een plan maakt en dat vervolgens als een bezetene uitvoert. Stokt de uitvoering door tegenslagen of bijvoorbeeld een haperende economie, dan ga je niet zitten janken, maar zoek en vind je oplossingen. Misschien niet altijd de beste oplossing, de oplossing die je de inwoners van de nieuwe stad graag had gegund, maar toch: een oplossing.

'Niet mauwen maar bouwen' was tientallen jaren het adagium van Nieuwegein. Want daar ging het om: huizen bouwen voor mensen die geen huis - of geen goed huis - hadden. We dreigen het te vergeten, maar tot ver in de jaren tachtig heerste in Nederland grote woningnood. Échte, keiharde woningnood.

Echte stad
In, rond en tussen de ingekakte dorpjes Jutphaas en Vreeswijk werden in extreem korte tijd tienduizenden woningen gebouwd. Toen de bouw van Nieuwegein in 1971 begon, woonden er 14.000 mensen. Nu zijn dat er 60.000. In 1971 bestond Nieuwegein grotendeels uit drassige weidegronden. Nu heeft de stad winkelcentra, sportcomplexen, scholen, kinderdagverblijven, bedrijventerreinen, wegen, wandel- en fietspaden, bioscopen, een (gloednieuw!) theater, begraafplaatsen, een crematorium, buurthuizen, gezondsheidscentra, drie weekmarkten, uitstekend openbaar vervoer, een topklinisch ziekenhuis en - sinds kort - een spraakmakend stadshart waaraan stedenbouwkundigen en architecten uit de hele wereld zich vergapen.

In Nieuwegein kun je lopend, op de fiets, met de auto, de bus of de sneltram overal komen. Je zit zo op de snelweg en je bent in een mum van tijd in hartje Utrecht. Vergeet bovendien niet dat Nieuwegein al jaren behoort tot de gemeenten met het meeste groen in de stad. Kers op de taart is park Oudegein. Niet alleen veel groter dan bijvoorbeeld het Vondelpark maar - ook objectief gezien - veel mooier.

Dat Nieuwegein in zo'n korte tijd uit de grond is gestampt én functioneert, is een prestatie op zich. Dus laten we het eens doen, heel on-Nederlands: de handjes op elkaar voor al die grotendeels anonieme ambtenaren, architecten, stedenbouwkundigen, gemeenteraadsleden, projectontwikkelaars, aannemers en niet te vergeten bouwvakkers die Nieuwegein vanuit het niets hebben neergezet. Goed gedaan!

Ronduit verschrikkelijk
Maar hoe is het om te leven in deze uit de klei- en zandgrond gestampte nieuwbouwstad? Afgaand op de reacties van niet-Nieuwegeiners: ronduit verschrikkelijk.

Niet iedereen is zo direct - je kunt het ook bot noemen - als mijn goede collega A., die graag op luide toon mag roepen: "Nieuwegein? Ik zou er nog niet dood gevonden willen worden."

Ik ben er aan gewend. Buitenstaanders kunnen zich er niets bij voorstellen dat ik in de stad woon die enkele jaren geleden door lezers van de Volkskrant nog tot de op één na lelijkste van Nederland werd gebombardeerd - net na Almere. En ze kunnen al helemaal niet bevatten dat ik het er ook nog plezierig vind.

Op de vraag waarom Nieuwegein me zo goed bevalt, weet ik zo een, twee drie het antwoord niet. Ik kan natuurlijk vertellen dat ik een comfortabel, betaalbaar huis heb met voldoende ruimte én - jawel - een tuintje; dat ik mijn auto altijd voor de deur kan parkeren; dat alle belangrijke voorzieningen op loop- of fietsafstand liggen; dat wonen in Nieuwegein ook een beetje buiten wonen is - met wel veel lusten van de grote stad maar niet alle lasten; dat ik graag een biertje drink en uit eten ga, maar dat het liefst in Utrecht doe en dus een buurtcafé, restaurant of terras in Nieuwegein niet mis - al zijn ze er wel degelijk.

Ik kan vertellen over de wegen, straten en plantsoenen die schoon en goed onderhouden zijn, de vele aantrekkelijke woonwijken en buurtjes, de watertjes en het groen waarmee Nieuwegein is dooraderd; al die verborgen kwaliteiten waarover bezoekers van buiten vaak positief verrast zijn.

Ik kan het ook hebben over de weidse polders in de omgeving waar ik graag doorheen dwaal, of over de wandelingen die ik maak door het onvolprezen park Oudegein; dat ik hou van de zeshonderd jaar oude Oude Sluis in Vreeswijk en dat ik geniet van het uitzicht over de Lek.

Weinig bekende Nederlanders
Ik zou het kunnen hebben over het feit dat je ook in Nieuwegein hippe brillen en bakfietsen ziet, hoewel beduidend minder dan in echt grote steden. Bekende Nederlanders tref je in Nieuwegein ook nauwelijks; of je zou tv-presentator Edward van Cuilenborg als zodanig moeten betitelen. En dan hebben we natuurlijk nog onze plaatselijke trots Spinvis, die voordat hij bekend werd jarenlang in alle eenzaamheid muziek maakte op zijn zolderkamertje in Nieuwegein.

Natuurlijk, ook in Nieuwegein wonen mensen met fancy beroepen en dito inkomens, maar het is toch vooral het domein van 'gewone' mensen. Mensen met modale inkomens en glamourloze banen. Mijn buurman werkt in het magazijn van de Hema, de andere is vrachtwagenmonteur. Mijn overbuurman doet iets facilitairs op Schiphol, zijn vrouw werkt in de verpleging. Verderop woont een vrachtwagenchauffeur, een andere buurman werkt in de horeca en weer een ander heeft een klusbedrijf. Heeft het dedain waarmee doorgaans over Nieuwegein wordt gesproken daar misschien iets mee te maken?

En wat zegt het over mij dat ik Nieuwegein nooit heb verlaten? Is het gemakzucht, luiheid, onverschilligheid, angst voor het onbekende? Heb ik me de boodschap die mijn ouders erin hamerden - doe maar gewoon dan doe je gek genoeg - zó eigen gemaakt, dat ik het gewone Nieuwegein verkies boven al die andere plaatsen? Doe ik mijn gezin en mezelf daarmee te kort?

Want ik zie de gebreken van mijn woonplaats heus wel. Als is er veel wél gelukt, er zijn ook mislukkingen. Sommige delen van de stad zijn verschrikkelijk lelijk. De woonerven uit de jaren zeventig hoeven voor mij ook niet - al vind ik de enorme weerzin die er vandaag de dag tegen bestaat overdreven. Ooit waren woonerven vernieuwend. Dat de smaak van stedenbouwkundigen in dertig jaar is veranderd, betekent niet dat het oorspronkelijke idee niet deugde.

Ongeïnspireerd en saai
De 'niet mauwen maar bouwen'-mentaliteit heeft tot tamelijk recent geleid tot weinig aandacht voor variatie en kwaliteit. Vooral in de oudere wijken is eenvormigheid troef.

Aansprekende architectuur vind je, buiten het nieuwe centrum, vrijwel nergens. Nieuwegein is vaak ongeïnspireerd en saai.

Het is ook waar dat Nieuwegein een duidelijk herkenbare, eigen identiteit ontbeert. Nieuwegein bestaat net veertig jaar en naar mijn idee moet de stad nog rijpen. Misschien is wonen in Nieuwegein over een een paar jaar wel hot. Onwaarschijnlijk? Ik ken oude stadswijken waar nog niet zo lang geleden niemand wilde wonen, maar waar tegenwoordig om woningen wordt gevochten.

Mensen die de dynamiek van de grote stad zoeken, vinden in Nieuwegein weinig van hun gading. Een straatleven is er nauwelijks. Je kunt doordeweeks uren door straten en parken lopen en amper mensen tegenkomen. De sociale samenhang van de stad schijnt broos te zijn, met eenzaamheid en alcoholisme als grote problemen. Zou dat typisch Nieuwegeins zijn?

Dit is waarom ík me thuisvoel in Nieuwegein: hier werd ik volwassen, hier ben ik getrouwd en hier zijn mijn kinderen geboren en opgegroeid. In Nieuwegein zijn mijn ouders gestorven en begraven. Het gros van mijn familieleden, vrienden en kennissen woont er.

Ik sta niet alleen. In Nieuwegein kom ik vooral mensen tegen die tevreden zijn met hun huisje met tuintje. Ook zij hebben er een leven opgebouwd, ze kennen er mensen, doen er vrijwilligerswerk of zijn lid van een sportclub. Steeds meer Nieuwegeiners werken ook in Nieuwegein.

En net als alle andere Nederlanders mopperen ze graag op hun stad.

Reageren
Woont u ook heel tevreden in zo'n 'nieuwe stad'? Of bent u er juist gillend vertrokken? Reageer in maximaal 150 woorden op tijd@trouw.nl

Groeikernen en Vinex-wijken
Nieuwegein is een van de twaalf (voormalige) groeikernen uit de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening van 1966. Andere zijn onder meer Zoetermeer, Almere, Hoorn, Spijkenisse en Purmerend. Ze waren bedoeld voor de vele stedelingen die vanaf halverwege de jaren zestig de stad verlieten. Naarmate de welvaart steeg, wilden zij liever 'buiten' wonen, in een huis met een tuintje. Het landelijk gebied dreigde zo overspoeld en verstedelijkt te raken.

Vanaf het begin waren de groeikernen razend populair. De grote steden liepen leeg. Om die trend te keren begon vanaf begin jaren negentig het bouwen aan de Vinex-wijken (Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra). Anders dan de verder weg gelegen groeikernen verrijzen deze wijken, waarvan Leidsche Rijn bij Utrecht de grootste is, vlak naast en ook wel binnen de stad.

Met al deze operaties groeide het aantal woningen in Nederland van circa 3 miljoen in 1960 naar ongeveer 7 miljoen nu.
Jarenlang waren de groeikernen het domein van het jonge gezin, nu vergrijzen ze geleidelijk
Lezers van de Volkskrant riepen groeikern Almere in 2008 uit tot de lelijkste stad van Nederland, met Nieuwegein als goede tweede.
Dat het leven in een groeikern niet altijd een feest is, laat schrijver en journalist Joris van Casteren zien in zijn boek 'Lelystad'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden