Rob Schouten Beeld Maartje Geels

column

Als er één dichter is wiens werk op zijn eigen begrafenis past dan Wigman wel

Ik zit deze dagen op de planeet Wigman. Overal zie ik hem lopen, hoor z'n droge lachje, dat karakteristieke 'hm', hij belt me op, we spreken af. 

Gek is dat toch dat iemand juist zo springlevend wordt als hij net dood is en je jezelf steeds opnieuw wakker moet schudden 'totdat weer went dat je maar eens bij ons opgestapt bent', zoals de dichter John Berryman bij de dood van Sylvia Plath schreef.

Menno was een vriend, al vele jaren lang, een heel goede vriend en een heel goede dichter. Ik lees nu her en der dat mensen hem 'de beste' vinden maar dat is natuurlijk onzin, er zijn geen beste dichters. Maar ik snap wel dat ze dat zeggen, niemand schreef nog zoals hij, zo klassiek, zo zwart-romantisch, zo somber en melancholiek, in zulke mooie, ritmische zinnen: onverwisselbaar Wigman. En dat van meet af aan.

Als er één dichter is wiens werk op zijn eigen begrafenis past dan hij wel! Ook als hij, met een zeker bravoure, er juist afstand van lijkt te nemen, zoals in zijn eersteling: 

'We waren niet begaan met wat er stierf. 
Een trage stoet, een laatste groet:
het deed ons niets'. 

Nou, mooi wel, hij was er voortdurend mee bezig, nu eens bang, dan er haast naar verlangend, 'worstelend' is het woord.

Hét en híj waren op

Twee jaar geleden keek hij al eens in het graf, toen hij te horen kreeg dat hij een ernstige maar evenzeer geheimzinnige hartkwaal had, waar ook niet veel tegen uit te richten viel. Hij hield op met roken en drinken, twee belangrijke infusen voor zijn poëzie en dat was ook wat hij de laatste keer dat ik hem sprak, eind 2017 in café Schiller, zei: dat er geen gedicht meer in zat. Ik wuifde weg wat nu waar blijkt: hét was op en híj was op. Veel te jong natuurlijk, er lijkt de laatste jaren wel een hele generatie weggemaaid: Rogi Wieg, Joost Zwagerman, Wim Brands, Menno Wigman, ik doe Erik Menkveld er ook nog bij. Allemaal rond de vijftig. Het zal wel toeval zijn maar dan wel een erg toevallig toeval.

Menno Wigman was een prachtige poëet, een estheet, die er ook in zijn uiterlijk van alles aan deed, hij deed mij altijd een beetje aan Paul van Ostayen denken. Ik denk niet dat ik hem ooit in een korte broek heb gezien, zelfs op een strand zou hij nog in pak hebben gelopen maar daar kwam hij denk ik niet veel. Hij was lid van de Pascal-gemeente die zegt 'dat alle ellende van de mensheid maar één oorzaak heeft, namelijk dat men niet in staat is rustig in een kamer te verblijven'.

Signalen naar de aarde

Een jaar of vijf geleden stonden we allebei in Istanbul op een dichtersfestival. Hij vond het niet fijn, het vreemde, het eten, de mensen, alles. Ook hij leefde op de planeet Wigman vanwaaruit hij zijn signalen naar de aarde verzond met die ideale combinatie van de causeur: erudiet en vol sappige anekdotes.

Stukjes als dit waarin je iemand herdenkt moeten natuurlijk afgesloten worden met een treffend citaat; het probleem bij Menno Wigman is dat er te veel zijn, dat je bijkans omkomt in de toepasselijke regels. Ik doe deze, het slot van het gedicht 'Slapeloos': 

'Geen mens wil pootjebaden in de dood'.

Lees hier meer columns van Rob Schouten.

Lees ook:
Zijn gedichten over liefde, vergankelijkheid, met een hang naar de zelfkant, naar vuil, lelijkheid, decadentie, waren doordenkt van melancholie, klonken modern en klassiek tegelijk, schrijft Trouws poëzierecensent Janita Monna.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden