OpinieEuthanasie

Alleen de patiënt kan beoordelen of zijn lijden ondraaglijk is

De recente uitspraak van de Hoge Raad is overtuigend, maar roept ook vragen op, aldus Hein Mijnssen (emeritus hoogleraar burgerlijk recht en oud-raadsheer in de Hoge Raad) en Miriam de Bontridder (raadsheer plv. bij het Gerechtshof Amsterdam)

De Hoge Raad heeft onlangs geoordeeld over de strafbaarheid van een verpleeghuisarts die euthanasie had verleend aan een diep demente patiënte. De vrouw had, toen zij nog wilsbekwaam was, een schriftelijk euthanasieverzoek opgesteld. Later is zij diep dement geworden en opgenomen in een verpleeghuis. Daar heeft zij geuit dat zij (nu nog) niet dood wilde, maar tegelijk vertoonde zij het overgrote deel van de dag tekenen van agitatie, onrust, stress, angst, verdriet, boosheid en paniek, huilde zij veel, uitte zij veelvuldig dat ze het vreselijk vond, dat zij eraan kapot ging en (tot wel twintig keer per dag) dat zij dood wilde.

Het OM nam het standpunt in dat de betrokken verpleeghuisarts niet had voldaan aan de eisen voor niet-strafbare euthanasie. De rechtbank heeft geoordeeld dat de arts niet strafbaar is. De Hoge Raad heeft vervolgens uitgesproken dat de rechtbank het recht niet verkeerd heeft toegepast.

Een van de vragen die aan de orde kwam, was of een levenswens van een als gevolg van dementie wilsonbekwame patiënt de doorslag moet geven dan wel zijn schriftelijke doodswens, gedaan toen degene nog wilsbekwaam was. Het antwoord van de Hoge Raad komt erop neer dat de arts verplicht is te beoordelen of een patiënt met ver­gevorderde dementie steeds achter zijn schriftelijke euthanasieverzoek staat.

Uiten van woorden

Dit brengt mee dat de arts moet onderzoeken of de patiënt nog in staat is om een relevante wil te vormen (en te uiten) over de vraag of hij zijn leven wil laten beëindigen. In dit verband overweegt de Hoge Raad dat het door een demente patiënt kunnen uiten van woorden, niet betekent dat hij ook tot wilsvorming in staat is, maar dat het evenmin betekent dat uitingen van een demente patiënt in strijd met zijn schriftelijke euthanasieverzoek, zonder meer mogen worden gepasseerd. Zij kunnen weliswaar niet worden opgevat als wilsuiting die op het intrekken van het euthanasieverzoek zou kunnen wijzen, maar wel als een aanwijzing die relevant is voor de beoordeling van de actuele lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de patiënt. Euthanasie is niet toegestaan als uit dergelijke contra-indicaties volgt dat de toestand van de patiënt anders is dan hij voorzag toen hij zijn schriftelijke euthanasieverzoek formuleerde.

Resteert de vraag of hiermee recht wordt gedaan aan het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt. Ter illustratie een aan de praktijk ontleend voorbeeld. Een ernstig zieke vrouw, helder van geest, heeft bij de Scen-arts erop aangedrongen om, zoals haar huisarts, tot het oordeel te komen dat euthanasie geboden was, omdat zij ondraaglijk leed. De Scen-arts meende dat niet aan de voorwaarden voor euthanasie was voldaan maar oordeelde een dag of tien later alsnog dat het zo niet verder kon. De afschuwelijke ellende van haar laatste dagen waren de patiënte bespaard, als de Scen-arts haar al bij zijn eerste bezoek had gevolgd in haar oordeel. Dit illustreert dat het oordeel dat sprake is van ondraaglijk lijden primair aan de patiënt behoort te worden overgelaten, niet aan een ander, al is dit een arts.

Zware last voor arts

De wet legt, hiervan gaat de Hoge Raad uit, de beoordeling of van uitzichtloos en ondraaglijk lijden sprake is en daarmee de beslissing of euthanasie is toegestaan, wel in de handen van de arts.

De uitspraak van de Hoge Raad is overtuigend en geeft inzicht in zijn gedachtengang. Toch blijven vragen, in het bijzonder de volgend drie.

Te betwijfelen valt of uit de wets­geschiedenis volgt dat het meer aan de arts is dan aan de wilsbekwame patiënt om te bepalen wat ondraaglijk lijden is. De parlementaire behandeling die aan het tot stand komen van de Euthanasiewet is voorafgegaan, laat de conclusie toe dat de arts zich allereerst moet laten leiden door wat de patiënt, nog wilsbekwaam, in zijn schriftelijke euthanasieverzoek als ondraaglijk kenschetst. Volgens de Hoge Raad moet evenwel sprake zijn van kenmerken van actueel lijden. Niet voldoende is dat de patiënt op voorhand heeft vermeld wat hij als ondraaglijk aanmerkt.

Dan het tweede bezwaar. Is het niet met het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt in strijd wanneer de vraag of hij ondraaglijk lijdt van het oordeel van de arts afhankelijk wordt gemaakt? Iedereen heeft volgens het Europees verdrag voor de rechten van de mens, recht op respect voor zijn privéleven. Hierin ligt, naar wij menen, besloten het recht om zelf zijn pijngrens vast te stellen en kan niet worden aanvaard dat dit aan een ander uit handen wordt gegeven.

Ons derde bezwaar is dat er een zware taak op de schouders van de arts wordt gelegd waar deze, als we de reactie van de KNMG op de uitspraak van de Hoge Raad juist interpreteren, niet onverdeeld gelukkig mee is. Van de arts wordt gevergd dat hij zich in de ­toestand van een demente patiënt verplaatst. Dit is een moeilijke opgave die de arts voor een deel zou worden bespaard wanneer voor hem het bij voorbaat gegeven oordeel van de patiënt de doorslag zou mogen geven.

Uitleg van het verzoek

Toch laat de Hoge Raad de deur op een kier waar het gaat om de taak van de arts om vast te stellen of al dan niet sprake is van ondraaglijk lijden bij de diep demente patiënt. Een vaststelling noodzakelijk voor het voor euthanasie in aanmerking komen van de patiënt. De Hoge Raad sluit immers de mogelijkheid niet uit dat de beschrijving door de patiënt van hetgeen hij als ondraaglijk lijden beschouwt, in samenhang met andere omstandigheden die actueel spelen, wel het oordeel van de arts rechtvaardigt dat van ondraaglijk lijden sprake is. 

De arts moet vaststellen dat de door de patiënt in zijn schriftelijke euthanasieverzoek vermelde omstandigheden, door hem als ondraaglijk lijden aangemerkt, de actuele situatie van de patiënt omvatten. Dit vergt uitleg van het euthanasieverzoek. Hierbij moet niet slechts worden gelet op de bewoordingen van het verzoek, maar op alle omstandigheden.

Lees ook:

De Hoge Raad geeft artsen ruimte om de doodswens van een patiënt met dementie te interpreteren

Wanneer kan euthanasie bij ernstige dementie door de beugel? De hoogste rechter oordeelde over de ‘koffie-euthanasie’. Het arrest uitgelegd aan de hand van vier vragen.

Uitspraak over ‘koffie-euthanasie’ zet de deur open naar dubieuze praktijken

Het recente oordeel van de Hoge Raad over euthanasie bij een vrouw met dementie roept veel nieuwe vragen op. Het kan leiden tot grotere inbreng van de familie bij een besluit tot euthanasie en tot een toename van euthanasieën bij wilsonbekwame mensen, meent Theo Boer, hoogleraar ethiek van de gezondheidszorg.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden