column

Alle sprekers wezen op hun eigen manier naar de betekenis die Auschwitz heeft voor het nu

Stevo AkkermanBeeld Trouw

De Nationale Holocaust-herdenking in het Amsterdamse Wertheimpark was koud en nat zondag. “Dit zijn de tranen van de mensen die wij herdenken”, zei Jacques Grishaver, voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité, terwijl de regen hem plaagde. 

Ik volgde de herdenking vanuit mijn warme werkkamer, en hoorde Onno Hoes bij de NOS zeggen dat de aanwezigen in Amsterdam het weer trotseerden omdat dat niets was in vergelijking met wat de slachtoffers in Auschwitz hadden ondergaan. Dat klonk misschien een beetje banaal, maar ik begreep hem wel. Iets dergelijks dacht ik zelf ook toen ik Auschwitz bezocht in bar winterse omstandigheden, eerst in 1988, later in 1995. Koud ja, maar dit was niet de plek om daar over te klagen.

In 1988 was ik er omdat ik een reportage maakte over ‘de laatste Joden van Polen’. Het kamp lag er verlaten bij en de communistisch getoonzette informatie maakte nauwelijks melding van Joden; de slachtoffers werden omschreven als Pools, Tsjechoslowaaks, Hongaars, Roemeens, Nederlands, Frans, Italiaans, etcetera, niet als Joods. In 1995 was dat veranderd, en al heersten er nog steeds controverses rond de wijze van herdenken, de Joden werden niet meer genegeerd.

Bij het vijftigjarig jubileum van de bevrijding van het kamp (27 januari 1945) hield Nobelprijswinnaar Elie Wiesel de belangrijkste toespraak. Een aanklacht was het, en tegelijkertijd een gebed: “God, genadige God, heb geen mededogen met diegenen die deze plek hebben gecreëerd, God, genadige God, heb geen medelijden met de moordenaars van onschuldige Joodse kinderen. Vergeef hen niet.”

Actualiteit

Wiesel trok vervolgens lijnen van het verleden naar het heden, zoals iedereen onvermijdelijk doet, en het viel me op hoezeer dat zondag in Amsterdam ook weer gebeurde. Alle sprekers wezen op hun eigen manier naar de betekenis die Auschwitz heeft voor het nu – zonder afbreuk te doen aan de uniciteit van de Holocaust. Ik was daar enigszins op gespitst vanwege de discussie van vorige week rond Westerbork en de Nacht van de Vluchteling. Sommigen zien in de actualisering van het herdenken een bagatellisering van de Shoah, en hoewel ik niet zal ontkennen dat dat gevaar kan bestaan, geloof ik ook dat herdenken nooit los kan staan van de actualiteit; dat is nu eenmaal de context waarin wij leven.

Rwanda

In de Volkskrant van zaterdag kwam de Rwandese schrijfster Clemantine Wamariya aan het woord, overlevende van de genocide die in 1994 aan 800.000 mensen – voornamelijk Tutsi’s – het leven kostte. Wamariya won in 2006 een essaywedstrijd over Elie Wiesels boek ‘Nacht’, waarin hij zijn tijd in Auschwitz beschrijft. Hadden de Rwandezen dat gelezen, betoogde Wamariya, dan hadden ze elkaar misschien nooit afgeslacht. Voor haar is herdenken altijd actueel, en net als bij Wiesel leidt dat dan tegelijkertijd tot bitterheid, woede en moed. ‘Nooit meer Auschwitz’ is als mantra niet afdoende, zegt ze. Zie Cambodja, Rwanda, Bosnië. “We moeten vooruit denken. Wat kunnen doen om te voorkomen dat het nog eens gebeurt?” Dat is een cliché, maar daarom niet minder waar.

Drie keer per week schrijft Stevo Akkerman een column waarin hij de ‘keiharde nuance’ en het ‘onverbiddelijke enerzijds-anderzijds’ preekt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden