Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Alcohol? Het valt me nu pas op hoe vaak ik ‘nee’ moet zeggen

Opinie

Stevo Akkerman

Stevo Akkerman. © Trouw
Column

Het is half tien in de ochtend en mij is net een biertje of een wijntje aangeboden. Koffie of thee mag ook, dat moet ik erbij zeggen. Maar niemand zou ervan ­opkijken als ik koos voor de alcoholische variant.

Dat is omdat ik mij bevind op een plek die losgezongen lijkt van tijd en ruimte, al kan ik natuurlijk ook gewoon zeggen dat ik mij bevind in stoel 26b van vlucht UA71 van Amsterdam naar ­Newark, New Jersey. 

Lees verder na de advertentie

Op de een of andere manier is vliegen voor mij ook altijd drinken geweest, niet ­alleen vanwege aangeboren grote dorst, maar ook omdat er in de lucht andere regels gelden dan op de grond. Of geen regels, liever.

Na vier dagen bestelde ik geheel per ongeluk een trappist, maar verder verloopt de onthouding soepel

Dat begint eigenlijk al op het vliegveld en ik houd daarvan. Op vertoon van paspoort en boardingkaart krijg je toegang tot een bubbel van tintelende internationaliteit, je bent niet meer gebonden aan enig grondgebied en hoewel je horloge je blijft herinneren aan waar je vandaan komt, beweeg je je in een ontmoetingsplaats van vele tijdzones. Opeens loop je, eind december, met je winterjas tussen mensen in shorts en T-shirts, en aan de bar bestelt de één een ochtendkoffie, terwijl de ander een avondborrel achterover slaat, al kan er net zo goed sprake zijn van ochtendbier en avondkoffie. 

“Het mooie van Schiphol is dat je er al in de ochtend aan het bier kan”, zei een vriend ­onlangs, en dat zette me aan het denken over de centrale plaats van alcohol in onze cultuur. Ik weet dat niet iedereen voor de bijl gaat, maar sinds ik op mijn twaalfde mijn eerste biertje dronk – dit vond plaats tijdens een Theologische Hogeschooldag te Kampen, de toogdag van onze kerk – sla ik geen glas meer af. Bij wijze van spreken, voeg ik er snel aan toe.

Zo waren de mores in de journalistiek

Het is ook de schuld van mijn beroepskeuze. Ik dankte mijn eerste baan al aan de opname van een oudere collega in een klooster. Hij ging afkicken, zei men, maar we hebben hem nooit meer teruggezien. Zo waren de mores in de journalistiek, collega’s hadden in hun la frisdrankflessen liggen zonder frisdrank, we dronken de stress van de avonddienst van ons af in de kroeg, op vrijdagmiddag ging de koelkast van de hoofdredacteur open en als we op reis gingen, hoefden we dergelijke momenten helemaal niet af te wachten. 

Tenzij je terechtkwam in landen als Afghanistan, wat dan direct een test was: hoe zou het je vergaan zonder drinken? Ik vond het altijd ­geruststellend om te ondervinden dat dat erg mee bleek te vallen, wat vooral betekende dat je bij ­terugkeer weer onbekommerd kon beginnen.

Maar nu ben ik herstellende van een operatie en sta ik droog op recept. Na vier dagen bestelde ik in een filmhuis geheel per ongeluk een trappist en duurde het even voor ik de verbazing begreep van mijn gezelschap, maar verder verloopt de onthouding soepel. Wel valt me nu pas goed op hoeveel gelegenheden er zijn waarop ik ‘nee’ moet zeggen, al dan niet tegen mijzelf. Ah, daar heb je de stewardess.

Anything to drink, sir?
Tea please.

Fluitje van een cent.

Drie keer per week schrijft Stevo Akkerman een column waarin hij de ‘keiharde nuance’ en het ‘onverbiddelijke enerzijds-anderzijds’ preekt.

Deel dit artikel

Na vier dagen bestelde ik geheel per ongeluk een trappist, maar verder verloopt de onthouding soepel