Déjà vuEindexamens

Ook in de 19e eeuw werd er al geklaagd over zware eindexamens. ‘Die arme scholieren en hun met kennis al te volgestopte hoofden’

Afname van de Cito-toets in 1984, toen het centraal schriftelijk examen nog maar net was ingevoerd. Beeld Hollandse Hoogte /  ANP
Afname van de Cito-toets in 1984, toen het centraal schriftelijk examen nog maar net was ingevoerd.Beeld Hollandse Hoogte / ANP

Paul van der Steen bekijkt wekelijks het nieuws door een historische bril. Deze week: de eindexamens.

Het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (Laks) ­bestaat pas sinds 1984. Klachten over de zwaarte van het eindexamenprogramma kwamen in 1890 uit heel andere hoek. Een schoolinspecteur noteerde: “Er bestaat geen onderwerp, hetwelk gedurende de 25 jaren, die de invoering van het MO-onderwijs achter zich heeft, zóóveel stof opleverde tot allerlei aanmerkingen, bedenkingen, klachten zelfs, als dit. Indien men alles bijeenbracht, wat daarover gesproken en is en geschreven, zou men eene kleine brochuren-bibliotheek rijk zijn.”

De schoolinspecteur doelde met zijn woorden op de invoering van de Wet op het Middelbaar Onderwijs in 1863. Daarmee werd op initiatief van de liberale minister Johan Rudolph Thorbecke van binnenlandse zaken (ook onderwijs viel daar toen nog onder) landelijk iets geregeld dat leek op het huidige, deze week weer begonnen centraal schriftelijk eindexamen.

Voor iedereen toegang tot het hoger onderwijs

Dat Thorbecke een sleutelrol speelde, was opmerkelijk. Want juist hij had in 1850 de door de overheid geregelde ­onafhankelijke examens voor Latijnse scholen niet langer verplicht gesteld en in 1852 zelfs afgeschaft. Thorbecke verlangde terug naar hoe het vroeger ging. Voor hem druisten de examens nieuwe stijl in tegen zijn liberale inborst: hij vond dat iedereen in principe toegang moest hebben tot het hoger onderwijs en niet alleen degenen die ‘toevallig’ met goed gevolg de eindtoets van hun vooropleiding hadden afgerond.

De situatie ging weer terug naar die van voor de invoering in 1845. Jongemannen konden beginnen aan een universiteit na het succesvol afronden van een universitair toelatingsexamen of afronding van een Latijnse school, die gedurende zes jaar elk half jaar ­bekeek hoe leerlingen ervoor stonden.

Een snel veranderende, mede door industrialisatie complexer wordend Nederland vergde echter steeds meer van zijn inwoners. Vandaar dat in 1863 onder een nieuw ministerschap van Thorbecke de Wet op het Middelbaar Onderwijs werd aangenomen. Nieuwe schooltypes als de hogere burgerschool (hbs), de landbouwschool en de polytechnische school (die ingenieurs ­opleidde) werden bij die gelegenheid geïntroduceerd.

In tijden van toenemende behoefte aan standaardisatie, betekende dit ook de terugkeer van meer centraal geregelde examens. Die voor de hbs werden aanvankelijk provinciaal afgenomen en ook door de provincies ontwikkeld. Een leerling in Noord-Holland kon op die manier andere vragen krijgen dan die in het aangrenzende Zuid-Holland.

‘Weg met de ontwikkeling des geestes der jonge lieden’

Overvragen was aan de orde van de dag. Annes Johan Vitringa, conrector in Gouda, trok als een van de eersten aan de bel. Volgens hem gold op de hbs te veel “weg met de ontwikkeling des geestes der jonge lieden, stopt hun leege hoofden zoo spoedig mogelijk vol met allerlei kennis, die hen ooit te pas kan komen!” Andere criticasters koppelden psychische klachten en uitval van leerlingen aan buitenlandse onderzoeken naar overbelasting van scholieren en geestesziektes. Het leidde tegen het einde van de negentiende eeuw tot iets kleinere vakkenpakketten en wat naar beneden bijgestelde exameneisen.

Het Centraal Instituut voor Toetsenontwikkeling (Cito) begon pas kort na de invoering van de Mammoetwet in 1968 (en schooltypes als mavo, havo en atheneum) een rol te krijgen bij het maken en afnemen van eindexamens. Ook nu was er net als eerder bij Thorbecke rond 1850 nog weerstand tegen de centrale bedilzucht en tegen de schriftelijke vorm. Veel leraren wilden de kennis van scholieren mondeling kunnen toetsen. Het maakte doorvragen mogelijk en voorkwam dat gokken loonde zoals bij meerkeuzevragen.

Het bleek uiteindelijk een achterhoedegevecht. Begin jaren tachtig werd het centraal schriftelijk examen, ontwikkeld door Cito onder verantwoordelijkheid van het College voor Toetsen en Examens, verplicht. Stilaan vormde dat niet alleen een graadmeter voor de kennis en kunde van leerlingen, maar ook voor de kwaliteit van middelbare scholen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden