SerieHoger en hoger

Het hbo heeft een imagoprobleem

null Beeld Idris van heffen
Beeld Idris van heffen

In de theorie van het Nederlandse onderwijssysteem zijn hbo en wo gelijkwaardig. Maar dat is niet hoe het in de praktijk uitpakt. Het hbo dreigt meer en meer de status van een wo-light te krijgen. ‘Een cursus’, grappen universiteitsstudenten vaak.

Joost van Egmond

‘Kom op, ik weet zeker dat je het kunt!’ Hoe vaak Lisanne de Roos dat niet heeft gehoord. De bestuurskundige heeft lang getwijfeld of ze na haar studie aan de Avans hogeschool nog een master moest doen aan de universiteit. Aan goedbedoelde aanmoedigingen geen gebrek, ook van docenten. “Het kwam er vaak op neer dat ik het in mijn mars had om het te halen, en dat ik het daarom moest doen. Goedbedoeld, dat zeker, maar het ging voorbij aan de vraag wat ik wil.”

Het is moeilijk voor te stellen wat De Roos nog zou moeten bewijzen. Ze is cum laude afgestudeerd, was lid van het jongerenplatform van de Sociaal-Economische Raad (Ser) en voorzitter van het Interstedelijk Studentenoverleg (Iso). En ze heeft op haar 23ste ook al ruim een jaar werkervaring bij de gemeente Utrecht. Wat wil je nog meer, zou je zeggen.

“Het is vreemd om de vinger te leggen op waar dit gevoel vandaan komt”, zegt De Roos. “Er heeft nog nooit iemand tegen me gezegd: ‘Je diploma is waardeloos’. Maar toch is er weleens een stemmetje in mijn hoofd dat vraagt: wat nou als de arbeidsmarkt verandert?”

Toch maar die master?

Dat stemmetje laat De Roos voorlopig lekker gaan. Ze heeft besloten nu te gaan werken, een master kan later nog. Maar haar dilemma tekent de druk die op veel hbo-studenten ligt om door te studeren, zeker in richtingen waarvan ook een wo-variant bestaat.

Bestuurskunde is bij uitstek zo’n richting waar studenten opwaartse druk voelen. Met hbo, is de gedachte, kun je goed terecht bij een middelgrote gemeente, maar voor de meest uitdagende beleidsbanen heb je een masterdiploma bestuurskunde in het wo nodig. In beton gegoten is die aanname niet, dat bewijst De Roos weer door bij de rijksoverheid aan de slag te gaan. Maar het gevoel leeft breed dat je die master nodig hebt om je te onderscheiden.

Cagri Ekmen heeft bij uitstek zicht op die onderscheidingsdrang. Hij doorliep het hele flatgebouw van het onderwijs: vmbo, mbo juridisch medewerker en openbaar bestuur, daarna bestuurskunde op het hbo en vervolgens een master aan de Radboud Universiteit. “Hoe verder je gaat, hoe competitiever het wordt”, zegt hij. “Op het mbo waren we heel collegiaal als studenten onder elkaar. Op het hbo ging het veel meer om hoge cijfers. Dat werd op de universiteit nog sterker. Ik merkte het bij mezelf ook, ik vroeg mij steeds af wat mij onderscheidt van de rest.”

Een van de dingen die Ekmen deed om zich te onderscheiden was de universitaire master. Hij is blij dat hij die heeft gedaan, hij leerde duidelijk nieuwe dingen, zegt hij. De nadruk op analytische vaardigheden, nieuwe vakken, Engelstalige papers, andere manieren van toetsen. “Dat was echt wel aanpoten, ik heb nog nooit zo hard gestudeerd als in mijn premaster.” Maar ook hij vindt het jammer dat aan die opleiding direct kwalificaties als hoger en beter worden gekoppeld. “Zulke automatismen staan mensen in de weg.”

Gelijk, maar niet gelijk

Stelselmatig worden hbo en wo tegenwoordig samengetrokken als ‘hoger onderwijs’. Hbo’ers hebben geen last van de openlijke achterstelling die veel mbo’ers ervaren. Ze worden algemeen erkend als student, van de definitie in het woordenboek tot de korting bij de sportvereniging.

Maar de gelijkstelling heeft een keerzijde. Hbo en wo zijn veel op elkaar gaan lijken. Een keur aan traditionele hbo-opleidingsdomeinen heeft een universitaire variant, vaak door de toevoeging -kunde te vervangen door -wetenschappen. Waarom zou je dan hbo doen als je de keuze hebt?

Dat vragen vwo’ers zich ook af. Vijftien jaar geleden koos nog 20 procent van de vwo’ers voor het hbo, inmiddels is dat gekelderd naar 5 procent. “Veel vwo’ers denken dat het zonde is van hun hardverdiende vwo-diploma om naar het hbo te gaan. Dat hadden ze met havo ook gekund”, ziet Thom van Os. De student toegepaste natuurwetenschappen is vrijwilliger bij studentenplatform Frisse Gedachtes, waardoor hij heel veel worstelende studenten uit alle onderwijsrichtingen spreekt. “Het hbo heeft een imagoprobleem.”

Gelijkwaardige positie

Hogescholen zien dat ook. Maurice Limmen van de Vereniging Hogescholen ziet het antwoord in sterkere profilering. “Je wilt dat mensen kunnen kiezen voor het hbo vanuit kracht, omdat ze daar het hoogste kunnen bereiken.” Dat houdt onder meer in dat hbo’ers niet op het wo moeten zijn aangewezen als ze willen doorgroeien. Verdere uitbouw van de masteropleiding en ook de komst van een doctoraat - een PD - binnen het hbo moeten daaraan bijdragen. Zo kan het hbo een gelijkwaardige positie bekleden als het hoogste beroepsonderwijs, naast het academische onderwijs.

Iets soortgelijks heeft minister van onderwijs Robbert Dijkgraaf voor ogen. Hij spreekt van richtingen waarin een student moet kunnen ‘doorlopen’, zonder altijd over te moeten schakelen naar in dit geval het wo. Thom van Os belichaamt zelf alvast die visie. Voor hem is hbo een nadrukkelijke keuze. “Ik denk dat ik wo had kunnen doen, maar doodongelukkig zou zijn om alleen maar theoretisch bezig te zijn. Hier heeft natuurkunde steeds binding met de praktijk. Het verschilt alleen in aanpak, niet in niveau, maar toch voelt wo voor veel studenten hoger.”

Cursisten of doeners

En zo heeft het hbo voorlopig een status van de middelste van de drie richtingen in het vervolgonderwijs. En de middelste zit altijd een beetje klem. Aan de ene kant is hbo een grote emancipator. Het is een vitale route voor mbo’ers die verder willen leren. Hbo telt ook veel zogenoemde eerstegeneratiestudenten, die als eerste van hun gezin hoger onderwijs volgen. Ekmen en De Roos zijn dat ook.

Aan de andere kant voelen studenten ‘dat het hoger kan’. Dat is voor velen, net zoals voor doorstromers van mbo naar hbo, een belangrijke drijfveer om door te studeren. En dat ondergraaft weer dat gelijkwaardige eigen profiel van het hbo.

De Roos merkte het statusverschil toen zij als eerste eerste hbo’er in lange tijd voorzitter werd van het Interstedelijk Studentenoverleg Iso. “In het begin overviel het me. Ik zag koppen in universiteitskranten als ‘Hbo’er wordt voorzitter Iso’. Daarna heb ik mijn hbo-profiel ook wel bewust geëtaleerd. Het hbo-perspectief bleek nodig.”

Het taalgebruik onderling is verhelderend, zegt De Roos. “Hbo’ers gaan naar school, hebben daar les en in het gebouw is een docentenkamer. Als je zo tegen wo’ers praat, moeten ze een beetje lachen. Die gaan steevast naar college. Je hoort ook genoeg grappen dat hbo’ers geen studenten zijn, maar cursisten. Ik kan er wel om lachen. Bij het Iso zeiden de hbo’ers ook weleens tegen de wo’ers: ‘Gaan jullie maar even lekker denken, dan gaan wij vast aan de slag’. Maar achter al die grapjes zit misschien wel iets.”

Het vraagt een duidelijk idee van wat je zelf wilt

Het valt Van Os op dat studenten die bij Frisse Gedachtes aankloppen vaak klem raken in de vergelijking met anderen. En dat is al helemaal een probleem, het wordt vaak genoemd, door de invloed van sociale media. “Je bent steeds met elkaar aan het vergelijken”, zegt hij. “Deze studiegenoot heeft een droomstage, een ander is al afgestudeerd ... LinkedIn is wat dat betreft misschien nog wel de ergste; iedereen probeert zich daar zoveel gelikter voor te doen. Veel studenten die last hebben van prestatiedruk geven ook aan dat ze sociale media hebben verwijderd, vanwege die constante vergelijking.”

“Je voelt een concurrentiestrijd”, zegt De Roos. “Er is zoveel geïnstitutionaliseerde prestatiedruk. Studenten hebben het gevoel dat ze aan maatschappelijke normen moeten voldoen. Ze willen nu de juiste keuze maken, omdat dit een cruciale leeftijd is. Het verschilt per sector, maar ik snap wel dat veel studenten denken, ik bikkel nog even door, zo kan ik me onderscheiden.”

Zelf doet ze dat dus niet. “Nee, ik ben ook wel eigenwijs. Ik heb vertrouwen in mijn kunnen en heb het gevoel dat ik op dit moment van werken meer leer dan van doorleren. Bovendien merk ik in gesprekken met wo’ers dat ik ook dingen weet die zij niet weten. Die diversiteit in opleidingsachtergrond binnen een team is waardevol.”

‘Voor mij was het brandstof’

Ekmen zag tijdens zijn studies ook de druk bij veel medestudenten, maar hij breekt tegelijkertijd ook een lans voor ambitie en de mogelijkheden om die waar te maken. “Als je echt die ene baan wilt, moet je je onderscheiden. Sommige studenten kregen er een burn-out van, maar voor mij was het brandstof.”

Hij snapt dat het iconische beeld van de ‘selfmade’ stapelaar dat hij uitstraalt ervoor kan zorgen dat anderen druk ervaren om dat ook te doen. “Veel mensen willen het verhaal horen over mijn studieloopbaan. Zulke voorbeelden laten mensen dromen, dat moet je niet wegnemen. Ik leg graag uit wat mijn drive was, maar ik zeg er altijd bij: dat hoeft voor jou niet zo te zijn. Ga voor iets dat bij jou past. Neem af en toe een dag om daarover na te denken, doe dat echt. En als je verder wilt leren, ga er dan voor.”

Dat is ook voor De Roos uiteindelijk de kern: “Ik hoop dat meer mensen zo denken, want het helpt wel. Doe wat je wilt, wat bij je past. Waar je gelukkig van wordt.”

Hoger en hoger

Studenten in Nederland leren verder door dan ooit. Waarom doen ze dat? En wat is het effect op henzelf en de maatschappij? We zoeken de antwoorden in een reeks artikelen over mbo, hbo en wo op trouw.nl/dossier/hogerenhoger. Volgende week: hoe verder je gaat, hoe hoger de druk.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden