Leden van het dispuut Beets van het Amsterdams Studenten Corps/Amsterdamse Vrouwelijke Studenten Vereniging.  Beeld Anne Reinke
Leden van het dispuut Beets van het Amsterdams Studenten Corps/Amsterdamse Vrouwelijke Studenten Vereniging.Beeld Anne Reinke

Het corpsleven

Het corps is vooral een warm bad

Horrorverhalen over de ontgroeningen van studentencorpsen geven een vertekend beeld, vindt ex-corpslid Viktor Frölke. Het gaat om de saamhorigheid en ‘corpsballen’ lezen heus ook wel­eens een boek. En een ding is zeker: studenten staan in coronatijd te dringen om erbij te mogen.

Een groep jongemannen zit op een zonnige nazomermiddag ontspannen voor hun dispuutshuis, een achttiende-eeuws Amsterdams grachtenpand. Met een biertje in de hand bekijken de jongens de passerende toeristenstroom. Meisjes, goedlachs en goedgekleed, lopen de deur plat. Er wordt een biertafel neergezet op een parkeerplaats om daar met z’n allen te eten. Afgezien van het feit dat bijna iedereen rookt, is een beter uithangbord voor het studentencorps anno 2021 nauwelijks denkbaar.

Schijn bedriegt enigszins, want de coronacrisis is allesbehalve voorbij. Weliswaar gaat vanaf september de universiteit weer open, de sociëteit blijft dicht. Er zijn geen gala’s, geen borrelavonden, geen toneel- of filmfestivals. Je zou denken dat deze grauwsluier over het studentenleven ten koste gaat van de populariteit van studentenverenigingen, maar het tegendeel is waar. Studenten redeneren: als toch bijna niets mag, kun je, zeker als je van buiten de stad komt, maar beter bij een vereniging gaan. “De voordelen van een studentenvereniging zijn op dit moment enorm”, zegt Merlijn, vierdejaars student en lid van meisjesdispuut Fiore. “Voor wie niemand kent is het corps een warm bad.”

In 1987, toen ik zelf aankwam, voelde het juist meer als een koude douche. De massaliteit stond me tegen, ik vroeg me regelmatig af wat ik te zoeken had tussen al die opgewonden, niet zelden overdreven bekakt pratende mensen. Mijn oudere broer was lid in Utrecht. Hij had me de winter ervoor net meegenomen, onchristelijk vroeg in de ochtend, om met wat jaargenoten naar de Elfstedentocht te gaan kijken. Dat had wel iets. Als filosofiestudent lag het meer voor de hand om géén lid te worden, bovendien was mijn beste vriend van de middelbare school in Delft nogal afgeknapt op het corps aldaar, maar als beginnend contrair denker deed ik het toch. Het corps was eind jaren tachtig niet zo in trek, hoewel stukken meer in trek dan in de jaren zeventig, toen het eeuwenoude systeem onder hippiegeweld bijna doodbloedde.

De calculerende student

Thans is het lidmaatschap zo gewild, hoor ik van verschillende mensen die ik voor dit verhaal sprak, dat studenten zich inschrijven voor een studie in de ene stad, en als ze uitgeloot worden bij het corps, zich snel inschrijven voor een studie in de andere stad, om nog een kans te hebben bij het corps in die stad. De calculerende student. Verrassend is het niet.

De kennismakingstijd (KMT) ofwel de ontgroening van het Amsterdams Studenten Corps/Amsterdamse Vrouwelijke Studenten Vereniging (ASC/AVSV), met 2800 leden de grootste studentenvereniging van Nederland, is opnieuw aangepast aan de corona-eisen. “Voorzover ik kan beoordelen is de ontgroening die ik heb meegemaakt onder corona een stuk milder”, zegt Matthijs, eerstejaars Beetsiaan. “Ook wel prima.”

Het kan mede de vele inschrijvingen verklaren. Precies één keer heeft Matthijs tot nog toe mogen borrelen op de ‘toko’.

Feesten doen de studenten voor zover mogelijk bij elkaar thuis, in de dispuutshuizen. Vooral als die een vrije ruimte hebben en een biertap, zoals het Beetshuis, zijn ze populair. Maar de buren klagen wegens overlast. Weliswaar schijnen de bewoners van het dispuut de volgende dag keurig netjes hun excuses aan te bieden, maar als het dezelfde avond weer losbarst zijn die excuses niet zo geloofwaardig meer.

Bijzondere herinneringen

Aan het smalle, hoge en diepe Beetshuis aan de Keizersgracht bewaar ik bijzondere herinneringen. Ik woonde er van 1988 tot 1990. In 2013 zegde ik mijn lidmaatschap op van Beets, omdat ik een roman schreef over het corps en aan niemand verantwoording wilde hoeven afleggen. Hoewel Het dispuut fictie is, waren veel van mijn oud-dispuutgenoten, hoorde ik via via, not amused.

Je praat niet over het corps, en je schrijft er al helemaal niet over. Ik heb bij mijn inauguratie moeten zweren dat ik mijn mond hield over wat er zich binnen de muren van het dispuutshuis zou afspelen.

Het bleek ook buitengewoon lastig om voor dit stuk corpsleden te spreken te krijgen. De studenten die ik uiteindelijk bereid vond mee te werken, wilden niet met hun achternaam en ook niet altijd met hun echte voornaam in de krant.

Dit geheimzinnige gedoe strookt niet met de gedragscode die de Amsterdamse studentenverengingen met de universiteiten hebben afgesproken, sectie 3.2.2. Lid 7: ‘Het bestuur legt (aspirant-)leden geen geheimhouding op (…). Geheimhoudingsverklaringen zijn op grond van deze code nietig.’ Mijn verzoeken bij de senaat van het corps om informatie over de KMT bleven evenwel onbeantwoord. Het enige dat ik te weten kwam is dat de ontgroening dit jaar in Leusden plaatsvond, zonder overnachtingen, en dat de studenten in vier groepen zijn opgedeeld omdat het anders te druk wordt in verband met corona.

Vierdejaarsstudent Merlijn, lid van het Amsterdamse corps, dispuut Fiore. Beeld Anne Reinke
Vierdejaarsstudent Merlijn, lid van het Amsterdamse corps, dispuut Fiore.Beeld Anne Reinke

Een reden dat corpsstudenten niet graag met de media praten is dat ze liever niet zien dat bijvoorbeeld een toekomstige sollicitatiecommissie met een google-zoek­opdracht achter hun lidmaatschap komt. Dat roept trouwens wel weer de vraag op waarom ze dat zo erg vinden. Is lid zijn iets om je voor te schamen?

Nu is het corps de afgelopen jaren natuurlijk ook vaak negatief in het nieuws geweest. Er leek een pervers wedstrijdje aan de gang om wie er het walgelijkste ontgroeningsritueel kon blootleggen. Er zijn fatale en ernstige incidenten geweest en sommige initiatie-praktijken deden bij menig weldenkend mens de wenkbrauwen fronsen, maar de aandacht was overtrokken.

In elke subcultuur gebeuren zaken die niet door de beugel kunnen. Het corps ligt onder een vergrootglas. Vindicat, het Groningse studentencorps dat de meeste narigheid over zich heen kreeg, mocht zich dit jaar verheugen over nog meer aanmeldingen. Controverse schrikt studenten niet af, integendeel: die trekt ze aan. Saaiheid heb je, spanning kun je krijgen.

Horrorverhalen

Commotie over ontgroeningen is trouwens zo oud als de ontgroeningen en het studentenleven zelf. Het Meertens Instituut, dat volksverhalen verzamelt, zette op het internet een aantal horrorverhalen op een rij, zowel ware als onware. Een verrassende conclusie van de onderzoekers luidde dat zulke verhalen bij niet-leden saamhorigheid kweken, zo van: zie je wel! Maar goed dat wij geen lid zijn!

Relatief nieuw is de voornoemde gedragscode die vierentwintig studentenverenigingen met universiteiten hebben afgesproken om uitwassen te voorkomen. De meest recente versie heb ik, als ‘ontzettend ouwe poep’, zoals dat heet in corporaal jargon, op de website van het ASC/AVSV met stijgende verbazing gelezen. Elf pagina’s politieke en culturele correctheid. ‘Correct’ betekende ooit heel wat anders, namelijk dat je in jasje-dasje naar de sociëteit ging, avunculs (ouderejaars die een bestuursfunctie hebben gehad) op de juiste manier aansprak, niet met de rug naar de bar ging staan, en meer van zulke mores (waar leden bij Beets zich zelden tot nooit aan hielden).

Corps in coronatijd

Met de studentencorpsen gaat het al jaren goed, met studentenverenigingen in het algemeen trouwens, maar de pandemie geeft ze nog eens een flinke duw in de rug: met alle coronabeperkingen bieden ze studenten de kans toch een vriendenkring op te bouwen. Vindicat in Groningen heeft jaarlijks plek voor zo’n 450 nieuwe leden. Het aantal aanmeldingen lag in het eerste pandemiejaar tweemaal zo hoog, en dit jaar was de animo bijna net zo groot. En dat bij het corps dat de afgelopen jaren de meeste negatieve publiciteit kreeg – of over zichzelf afriep. Concurrent Albertus, eveneens in Groningen, kreeg dit jaar zelfs meer dan 1600 aanmeldingen voor 500 plekken, zo’n duizend meer dan twee jaar geleden. Vanuit de andere studentensteden klonken vorig en dit jaar vergelijkbare geluiden.

Anno 2021 mag niets meer. Nuldejaars of novieten (een aardigere term dan feuten) mogen op geen enkele wijze onheus worden bejegend, of zelfs maar aangeraakt. Ze moeten genoeg slaap krijgen, genoeg te eten en te drinken, en ze dienen te allen tijde met respect te worden behandeld. Behalve 150 euro inschrijfgeld voor de KMT moet je papieren van je zorgverzekeraar en de naam van je huisarts overleggen en een medisch intake-formulier invullen.

In mijn tijd was het minder ingewikkeld. Ik vond de KMT nogal dommig. Kwam het omdat ik al een jaar filosofie had gestudeerd? We zaten met tientallen in kleermakerszit op een grasveld, terwijl er een ouderejaars tussen ons doorliep die vroeg wat onze hobby was. Om te provoceren antwoordde ik: ‘Seks, meneer.’ Daar werd de humor niet van ingezien; sowieso werd er weinig gelachen, wat me een slecht teken leek. Gelukkig werd dat beter bij Beets.

Ongewenste intimiteiten

‘Fysiek of geestelijk geweld tegen aspirant-leden is verboden’, aldus de gedragscode, alsmede discriminatie, ‘het dwingen tot of dreigen met vernederende handelingen’, inbreuk op lichamelijke integriteit en ongewenste intimiteiten of het maken van seksueel getinte opmerkingen.

Toen ik deze code besprak met een bevriende Beetsiaan schoten we in de lach. Hoe kun je zo nog ontgroenen? Trouwens, het tweede deel van de ontgroening vindt plaats bij de disputen, dikwijls in hun dispuutshuizen, en daarop is uiteraard veel minder controle mogelijk.

“Als je alleen nog leuke dingen mag doen, van het type: ga naar twee steden en maak foto’s, dan heeft ontgroenen weinig zin meer”, zegt Alexander, vijfdejaarsstudent en lid van de SSRA, een oorspronkelijk op protestantse leest geschoeide studentenvereniging in Amsterdam. “Tijdens de borrel gooien we weleens bier naar elkaar. Toen kregen we te horen: vooruit, maar wel een beetje minder hard graag.”

Maar goed dat dit bier €1,10 per glas kost. In mijn tijd stond de SSRA te boek als braver dan het corps. Soms lijkt het alsof de zeven officiële corpora in Nederland qua ‘corporaliteit’ links (of beter gezegd rechts) worden ingehaald door alternatieve studentenverenigingen.

Eerstejaars Matthijs van het Amsterdamse studentencorps, dispuut Beets. Beeld Anne Reinke
Eerstejaars Matthijs van het Amsterdamse studentencorps, dispuut Beets.Beeld Anne Reinke

Ontgroenen is ook afzien

Waarom moet er zo nodig worden ontgroend? De functie van ontgroenen is niet alleen het door een gemeenschappelijke ervaring mensen die elkaar niet kennen tot lotgenoten maken, maar ook: afzien. Van afzien word je sterker, is het idee. Wellicht geen overbodige luxe voor de beeldschermgeneratie. De dienstplicht was al afgeschaft in de tijd van hun ouders, die hen hebben opgevoed (ik spreek uit ervaring) met fluwelen handschoenen. Studenten mogen best eens een keer wat meemaken – ze willen het ook. Bij iedere vorm van georganiseerde vernedering, wat ontgroenen in bepaald opzicht is, blijft de vraag waar de grens ligt tussen plagen en pesten. Plagen is leuk, zowel voor de plager, de geplaagde als de toehoorders, maar pesten kan een trauma achterlaten.

Mijn zoon Paul, die in Delft studeert, vroeg me twee jaar geleden of hij lid moest worden van het corps. Mijn eerste reactie was: jij bent toch veel te slim voor het corps? “Het corps is minder vrijblijvend”, vond hij. De tradities, de mores, en ja, ook de ontgroening, dragen bij aan een dieper gevoel van saamhorigheid. Het corps biedt de student nog een paar jaar de gelegenheid zich uit te leven en te spelen voordat het allemaal serieus wordt en voor het ‘echie’ is. “Heb je spijt?” vroeg ik hem onlangs. Dat niet, hij zag op tegen de hoge kosten. Hij leent al maximaal. De bekentenis van mijn zoon gaf me met terugwerkende kracht een schuldgevoel. Mijn ouders betaalden mijn contributie aan het ASC en aan Beets destijds zonder te knipperen met hun ogen, en die luxe heb ik niet. Uiteindelijk is hij lid geworden van DROP, een boardsportvereniging, en voor zover ik kan beoordelen komt hij aardig aan zijn trekken. Deze zomer drie weken surfen in Zuid-Frankrijk, een weekje Boedapest en een autorace door Duitsland met als thema ‘opa’. De foto die hij stuurde was hilarisch.

Vrienden voor het leven

Iedereen wil ergens bij horen, juist nu. Niemand is een eiland, of beter gezegd, we zijn allemaal eilanden, op zoek naar een archipel.

Bij het corps, zo wil de gemeenplaats, maak je ‘vrienden voor het leven’, maar het zijn een bepaald soort vrienden. Matthijs, de eerstejaars, vertelt dat hij onlangs een jongen van een ander dispuut tegenkwam, waarmee het zo goed klikte, dat hij dacht: “Die ga ik de grond in zien gaan. Dat is het gevoel dat je elkaar op elk level begrijpt. Meer dan iemand die je chill vindt.”

Zelf heb ik aan Beets een handvol vrienden overgehouden. Die corporale vriendschappen zijn van een ander karakter dan mijn ‘externe’ vriendschappen. Met Beetsvriendjes lach ik makkelijker – soms iets te gemakkelijk. Anderzijds zijn de gesprekken minder intiem. De conversatie met deze vrienden voor het leven lijkt zich af te spelen binnen een bepaalde bandbreedte, volgens bepaalde regels. Soms leidt de mix van Beetsvrienden en niet-Beetsvrienden tot ongemakkelijke momenten, bijvoorbeeld als er een inside joke wordt gemaakt (en daarvan zijn er nogal wat), die volstrekt langs de ander heen gaat.

Wat is er over van het beeld van het corps als kruiwagen? Toen ik jaren geleden met mijn vrouw op doorreis door Azië een dispuutgenootje op ging zoeken in Singapore, begon ik in de villawijk waar hij woonde alvast het dispuutsfluitje te fluiten. Vrijwel onmiddellijk tussen de palmbomen door werd het beantwoord met hetzelfde fluitje. Mijn vrouw, die niets van het corps afwist, was verbluft.

Als journalist voor NRC Handelsblad heb ik begin jaren negentig ten minste één keer aantoonbaar profijt gehad van het feit dat er een Beetsiaan in de hoofdredactie zat: hij gaf me meteen groen licht voor een interview in Kopenhagen. Was ik in 2001 ook tot correspondent in New York benoemd als ik geen lid was geweest?

Hoewel er weinig romantiek kleeft aan het woord netwerk, is dat natuurlijk wel wat het corps de facto is. Leden van het ASC/AVSV staan tegenwoordig in een app. Met één druk op de knop vind je iemand voor een date, een baan of een huis.

null Beeld Anne Reinke
Beeld Anne Reinke

Simon, vijfdejaars Beetsiaan, wil het beeld van het old boys network graag nuanceren. “Zelfs als je solliciteert op functies waar je extra-curriculaire activiteiten relevant zijn, kan je lidmaatschap tegen je werken, omdat steeds meer organisaties diversiteit nastreven.” Daar staat tegenover dat het corps dankzij voortschrijdende democratisering ook steeds diverser wordt.

Als er één ding is dat corpsleden met elkaar verbindt, is het niet zozeer jargon of manier van kleden, maar een bepaalde mate van zelfvertrouwen. Corpsleden stralen uit dat ze de wereld aankunnen en daarom kunnen ze de wereld ook tot op zekere hoogte aan. Of ze nu lid zijn in Rotterdam of bij Minerva (Leiden), ik pik ze er zo uit. Die uitstraling is zowel een functie van hun sociaal-economische klasse – corpsleden worden nog steeds grotendeels gerecruteerd uit de betere milieus – als van de intense sociale omgang die ze al die jaren met zo veel mensen hebben. Het corps oefent je voor de grote boze buitenwereld. “Je leert spreken voor grote groepen”, zegt ook Merlijn, “dat is best vet.”

Overigens is het corps geen garantie voor wat dan ook. Veel oud-dispuutgenoten van mij verdienen tonnen en wonen in kasten van huizen – ik niet. Sommige carrières mislukken grandioos, vechtscheidingen en andere tragische gevallen komen net zo goed voor en roddelen zich razendsnel door. Over één Beetsiaan die bij mij in de buurt woont maak ik me zorgen.

Samen naar beneden piesen

Toen ik mijn vader, 92 jaar oud en huisarts in ruste, vroeg wat hij aan zijn lidmaatschap had gehad van Thomas, de katholieke studentenvereniging die in zijn tijd niet onderdeed voor het ASC, had hij moeite op die vraag een eenduidig antwoord te geven. Behalve de obligate reünies misschien gewoon lol. Aangemoedigd door mijn moeder en haar ijzersterke geheugen, perste hij er een anekdote uit over hoe hij met zijn jaargenoten, onder wie een Brenninkmeijer, mid jaren vijftig op het dak klom van het C&A-gebouw aan het Damrak en van daaraf naar beneden pieste. ’s Nachts, dat dan weer wel.

Dit is ook het overheersende gevoel dat ik heb overgehouden aan mijn tijd bij Beets: de ongelooflijke lol die je met elkaar had, en heus niet altijd onder invloed van alcohol. We konden op stel en sprong in gehuurde busjes een reis naar het voormalige Oostblok maken, voor de val van de Muur, mede omdat alles daar verrukkelijk goedkoop was. We maakten films, organiseerden exposities en debatavonden. Om iets van de grond te krijgen hoefde je maar een blik dispuutgenoten open te trekken en je was in business. Die laagdrempeligheid moet in het studentenverzet, in de oorlog, voor sommige disputen en corpora ook een voordeel zijn geweest.

Een van de veertien bewoners neemt me mee voor een nostalgisch tochtje door het Beetshuis. In de kamer waar ik woonde, aan de tuinkant, staan nu twee bankstellen met een gigantische flatscreen ervoor; in wat vroeger het tv-hok was wordt nu gegamed. Bij een kamer mogen we niet naar binnen, even later komt een pas gedoucht stelletje naar buiten. Achter in de tuin, tussen de biervaten en een tas met een florerende wietplant, is een provisorisch sportschooltje ingericht. In de meeste kamers zie ik naast het bed een stapeltje boeken liggen. Ik ben verrast, ontroerd misschien wel, te ontdekken dat het dispuut waaraan ik dertig jaar niet meer actief deel heb genomen, in essentie hetzelfde is gebleven. De jongens van nu zijn uit hetzelfde hout gesneden als die met wie ik me destijds omringde. De puinzooi is authentiek, en er wordt nog gelezen. Een hele geruststelling.

De volledige namen van de geïnterviewde corpsleden zijn bekend bij de redactie.

Viktor Frölke (1967) is schrijver, journalist en filosoof. Hij was onder meer correspondent in New York voor NRC Handelsblad ten tijde van 9/11. Zijn debuut als romanschrijver was FAKE (2008). Over zijn tijd bij het corps schreef hij de roman Het dispuut (2017).

Wat zijn uw ervaringen met een studentenvereniging? Reacties (max. 150 woorden) zijn welkom via tijdgeestreacties@trouw.nl. Graag naam en woonplaats vermelden.

Lees ook:

Rector studentenvereniging Vindicat: ‘Een kleine groep verpest het voor de rest’

De gewenste cultuurverandering bij de studentenvereniging Vindicat blijft uit, oordeelde de accreditatiecommissie in Groningen. Wat vindt de vereniging er zelf van?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden