null Beeld Idris van Heffen
Beeld Idris van Heffen

OnderwijsHoger en Hoger

Doorleren om het doorleren? ‘De hbo’isering van Nederland is doorgeslagen’

Zo ongeveer iedere mbo’er heeft het meegemaakt. Heb je net niveau 4 afgerond, komt de vraag: wat ga je hierna doen? Mbo als volwaardige opleiding staat onder druk, zeker ook door de studenten zelf: die gaan massaal door naar het hbo.

Joost van Egmond

Sabrina Naman doet nu wat ze wil doen. De jonge sociaal werker ondersteunt ouders en hun kinderen op een ‘kinderlab’ in Capelle aan den IJssel. Dat is heel gevarieerd. Terwijl kinderen er huiswerk maken of spelen, kunnen de ouders er terecht met vragen over de opvoeding. Hier komt als het goed is alles samen. Een verlengstuk van thuis eigenlijk, maar dan met hulp voorhanden.

Naman heeft de mbo-opleiding sociaal werk gedaan. “Toen ik vacatures ging bekijken, merkte ik dat er heel vaak een hbo-diploma wordt gevraagd. Daarom ben ik naar de hogeschool gegaan, om mijn kansen te verbeteren.”

Dat viel tegen, het bleek niks voor haar. “Het had wel wat meer reflectie, maar leek toch ook erg op mijn mbo-opleiding. Dus ik ben gestopt.” Desondanks wilde het centrum voor jeugd en gezin in Capelle haar graag hebben. Dat is geen kwestie van criteria verlagen, eerder van maatwerk bieden. Naman heeft een functie die juist heel goed past bij het mbo-profiel. “Veel van dit werk vraagt terecht een hbo-diploma”, zegt directeur Erwin Lots. “Maar niet alles. Het is belangrijk dat je geen eisen stelt die niet nodig zijn.”

Hbo’isering is een trend

Van de studenten die mbo-4 afronden, gaat zo’n 40 procent verder op het hbo. Ze maken daarmee de laatste jaren steevast zo’n 30 procent uit van de nieuwe hbo’ers. Achter dat globale cijfer schuilt een groot verschil per sector.

Soms heeft het alles te maken met kwalificaties. Niet verrassend zijn onderwijs en zorg richtingen waarin relatief veel afgestudeerde mbo’ers naar het hbo gaan. Wie daadwerkelijk de verantwoordelijkheid voor een eigen klas wil als docent moet wettelijk een hbo-diploma hebben. Ook in de zorg is het onderscheid soms strikt. Dat ondervonden mbo-studenten die zich na hun afgeronde prikpracticum aanmeldden om te helpen coronavaccinaties te zetten. De plaatselijke GGD liet aanvankelijk weten alleen met hbo’ers te werken, al nam men bij nader inzien het aanbod graag aan.

Maar ook in andere beroepen is er sprake van zogenoemde ‘hbo-isering’, zoals in het sociaal werk.

“Het is ontspoord”, zegt Hans Roskam onomwonden. Hij geeft leiding aan stichting Welzijn Capelle en ziet nu tussen de 60 en 70 procent hbo’ers in de sector rondlopen, ook bij zijn eigen stichting. Naar zijn smaak is dat onnodig. Sterker nog, hij kan een heleboel redenen noemen waarom hij liever een mbo’er heeft dan een hbo’er.

“Regel één in dit werk is contact maken. En dat is moeilijker als je met een heel hoogopgeleide beroepsgroep mensen bedient die dat doorgaans juist niet zijn. De leefwereld van de mensen die wij ondersteunen komt steeds verder af te staan van de hoogopgeleide wereld, en als je dan niet herkenbaar bent voor ze, dan loop je het risico dat je ‘bij de andere kant gaat horen’. Als sociaal werkers Rotterdam-Zuid in gaan, waar mbo het hoogste opleidingsniveau is, welk signaal geef je dan af als je daar met een team van enkel hbo’ers aankomt?”

Hoger geeft houvast

Roskam schetst de dynamiek. “Dit is werk dat je moeilijk kunt ‘beetpakken’. Want wanneer heb je het goed gedaan? Omdat we toch graag willen laten zien dat we kwaliteit kunnen leveren, zijn we die kwaliteit gaan koppelen aan een hogere opleiding.”

De sector staat bol van de standaarden en functieprofielen die het voor een mbo’er vrijwel onmogelijk maken om door te groeien. En in de cao is ook de beloning verankerd; een mbo’er begint in schaal 6, een hbo’er in schaal 8. En dat verschil haal je eigenlijk niet meer in, hoeveel jaren waardevolle ervaring je ook opdoet.

Mbo’ers hebben dat uiteraard door. “Als ik nu studenten spreek die stage lopen, willen de meesten gewoon aan het werk”, zegt Roskam. “En ik kan ze zó gebruiken. Maar ze worden geprikkeld om door te leren, voor het carrièreperspectief en het salaris. Dat is eigenlijk niet nodig.”

Datzelfde geluid hoor je onder de stagiairs op het kinderlab in Capelle. Terwijl de basisschoolleerlingen die hier komen voor huiswerkbegeleiding een rustmoment hebben, kan mbo-stagiair Safiella Nahar even praten. “Soms is het zwaar”, zegt ze.“Dan hebben ze er echt gewoon geen zin in. Maar ja, ik begrijp dat ook wel, ik had het zelf ook. Ik zeg dan gewoon dat ze straks naar huis mogen. Dat werkte bij mij ook altijd.”

Nahar wil ook naar het hbo. “Niet dat ik verwacht heel veel meer te leren. Nou ja, wel meer dingen, maar niet iets heel anders. Maar als je naar de salarissen kijkt is dat echt wel een groot verschil.”

Hoe kan het anders?

Iemand die al jaren pleit voor een meer gelijke waardering van de twee opleidingsrichtingen is Rick Kwekkeboom. Ze is lector langdurige zorg en ondersteuning aan de Hogeschool van Amsterdam, maar werkt ook nauw samen met de mbo’ers van het ROC van Amsterdam. En bovenal heeft ze zicht op de doorstromers, die bij haar in de collegebanken belanden. “Ze zijn gewoon rijper”, zegt ze. “Stapelaars zijn doorgaans gigantisch gemotiveerd en daarnaast ook veel praktischer gericht. Hbo’ers en ook wo’ers vliegen vaak toch te hoog over. De mbo’ers zitten er veel dichter op.”

Het probleem is dat wat deze mensen zo waardevol maakt, juist hetgeen is dat minder wordt gewaardeerd. Dat geldt in de maatschappij als geheel en in het werkveld, waar salarissen en carrièreperspectief vrij strak zijn gekoppeld aan opleiding. Niet verbazend ziet Kwekkeboom dan ook heel wat studenten die doorleren om het doorleren. “Dan is de motivatie echt erkenning. Dat komt door die hogere waardering die wij als maatschappij hebben voor theoretisch opgeleiden.”

Roskam is naar eigen zeggen flink in de spiegel aan het kijken. Hij neemt actief meer mbo’ers aan en vraagt meer aandacht voor de mix in de organisatie tussen opleiding en praktijkervaring op leidinggevende posities. Ook probeert hij de beloning gelijker te trekken. “Maar dat betekent dat ik een hbo’er ook eens in een lagere schaal moet kunnen laten starten. Want meer geld krijg ik er niet bij.”

Ook gemeenten kunnen veel doen. Zij spelen een bepalende rol in het personeelsbestand van organisaties in het sociaal werk. Zij zijn doorgaans de opdrachtgever en hun eisen zijn leidend. Heel wat gemeenten stellen opleidingseisen als ze een opdracht gunnen, zegt Edwin Luttik van brancheorganisatie Sociaal Werk Nederland. “Ze denken toch dat hoger opgeleid een betere garantie op kwaliteit biedt.” Aan de andere kant zijn er ook gemeenten, Roskam noemt Rotterdam, die juist die in de opdracht opnemen dat er veel mbo’ers bij het werk betrokken moeten zijn.

Zoeken naar de mix

Een project waarbij de verhoudingen tussen de opleidingen radicaal wordt doorbroken is Buurtverbinding in Amsterdam. Hier lopen op elke hbo’er drie mbo’ers rond. In een bloedwarme zaal in Amsterdam-Oost presenteren zij als team hun resultaten van de afgelopen tijd. Het thema is onbegrepen gedrag. Groepjes studenten presenteren casussen, vaak ondersteund met filmpjes.

De mbo’ers en hbo’ers worden bewust gemixt. Buurtverbinding is een leeromgeving in de wijk voor studenten aan de mbo’s ROC van Amsterdam en ROCTOP, en voor studenten aan de Hogeschool van Amsterdam. Alle partijen zijn betrokken in deze publiek-private samenwerking, onderwijsinstellingen, werkgevers en de gemeente. Opererend vanuit buurtcentra doen de studenten eigen projecten in de stad. Begeleiding krijgen ze daarbij van zogenoemde wijkdocenten. Hilde Hofland doet dat namens het ROC, Malcolm Biezeveld is van de Hogeschool.

Maar als een student met een vraag komt, kijken ze niet naar het label. “Mbo-2 of hbo-6, het doet er in praktijklessen echt niet toe”, zegt Hofland. Biezeveld past hooguit soms zijn academische taalgebruik aan als hij met een mbo’er spreekt. Als je het verschil moet duiden tussen de studies, noemen ook zij de reflecterende hbo’er en de mbo-doener. Biezeveld schetst hoe dat er in de praktijk uitziet: “De hbo’er zegt dan ‘we hebben hier een presentiebenadering nodig’. De mbo’er heeft intussen al aangebeld.”

De twee wijkdocenten zijn enthousiast over de mix. “Je hebt beide nodig. Die wisselwerking is geweldig”, zegt Biezeveld. Een bijkomend voordeel, merkt hij, is de wow-factor die zijn aanwezigheid op de mbo’ers heeft. “Ze vinden het wel spannend om les te krijgen van een hbo-docent. En het helpt ze ook om een beter beeld te krijgen van wat het hbo inhoudt.”

Dat is voor het ROC van Amsterdam ook een van de expliciete doelen van dit project. Zo kunnen ze een weloverwogen keuze te maken om door te studeren of niet. Het mes snijdt aan vele kanten, legt Jacqueline Karsten uit. Mbo’ers en hbo’ers kunnen elkaars competenties beter leren inschatten en leren waarderen en de mbo’ers komen bij werkgevers in beeld. Want veel van de hbo’isering komt door onbekendheid, zegt ze. “Het is niet zo dat werkgevers geen mbo’ers willen, ze hebben er gewoon geen beeld bij. Als ze een vacature hebben, denken ze direct aan een hbo’er.”

De associate springt in het gat

Ook de opleidingen kunnen flexibeler. Naast het standaardtraject om na een mbo-opleiding direct voor vier jaar in de hbo-schoolbanken te duiken ontstaan er veel nieuwe opties. Een snel groeiende tak van het hbo is de associate degree: die tweejarige opleiding is bedoeld voor mbo’ers die verder willen leren, maar niet noodzakelijk een hele bachelor willen doorlopen. ROC van Amsterdam onderzoekt bijvoorbeeld samen met de Hogeschool van Amsterdam de mogelijkheid om zo’n associate-traject voor sociaal werk aan te bieden. En ze kijken ook wat er in andere sectoren mogelijk is.

De getallen zijn nog klein en niet alle opleidingen worden overal in deze vorm aangeboden, maar dat verandert snel. En het kan vaak ook in deeltijd, waardoor jonge mbo’ers tegelijk werkervaring kunnen opdoen. Of ze kunnen op latere leeftijd doorstuderen.

“De associate degree is een mooie aanvulling”, zegt Hans Roskam. Die kan de markt bedienen van de mbo’ers die net iets meer willen. En een hbo associate kan alles worden. Daar zit geen rem op zoals bij een mbo-diploma.”

Maar tegelijk is het hele denken over opleiding aan herziening toe, zegt Edwin Luttik van Sociaal Werk Nederland. “We willen veel meer trajecten om te zorgen dat mensen die geschikt zijn voor een functie in het sociaal werk ook de begeleiding krijgen om hun weg te vinden.” Dat moet zowel binnen de organisaties zelf als bij onderwijsinstellingen gebeuren. En vooral in samenwerking tussen die twee.

Dat benadrukt ook Roskam. Hij pleit voor veel meer verbreding en verdieping op mbo-niveau, waardoor medewerkers hun hele carrière kunnen blijven groeien. “Doorontwikkeling wordt nu meestal uitgelegd als een stap naar hoger onderwijs, terwijl verdieping op het huidige niveau ook relevant en waardevol zou moeten zijn.”

Hoger en hoger

Studenten in Nederland leren verder door dan ooit. Waarom doen ze dat? En wat is het effect op henzelf en de maatschappij? We zoeken de antwoorden in een reeks artikelen over mbo, hbo en wo op trouw.nl/hogerenhoger. Volgende week: het hbo staat zelf ook onder druk.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden