InterviewOnderwijs

‘Al op de basisschool beginnen Nederlanders in hokjes te denken’

Tijana Prokic Breuer. Beeld Patrick Post
Tijana Prokic Breuer.Beeld Patrick Post

Nederland heeft een vrije, bruisende onderwijscultuur, stelde Tijana Prokic-Breuer vast als Oeso-onderzoekster. Die vrijheid leidt ook tot segregatie, ervoer zij zelf als Servische vluchteling en later als moeder van expat-kinderen.

Het gymnasium Haganum lag daar als een paleis te blinken, vond de moeder van Tijana Prokic, die in 1991 als vluchteling uit Servië in Den Haag was aangekomen. Prokic’ moeder, een landschapsarchitect die in Nederland hotels was gaan schoonmaken om in hun levensonderhoud te voorzien, had haar 12-jarige dochter al op veel verschillende middelbare scholen proberen in te schrijven. Vanwege haar taalachterstand was Tijana overal geweigerd, of doorverwezen naar de mavo, terwijl ze in Servië hoge cijfers haalde.

En nu stond moeder in een Haagse tuin van waaruit ze dat statige gymnasium zag liggen: zou ze het daar toch niet eens gaan proberen? Een Griekse vriend bemiddelde, en tot moeders vreugde wilden de rector en een leraar Engels het wel aangaan met Tijana. Zes jaar later deed ze eindexamen.

Tijana Prokic-Breuer (41), medeoprichter van het wetenschappelijke onderwijsnetwerk Education Lab NL aan de Universiteit Maastricht en projectleider bij de Inspectie van het Onderwijs, kan goed verhalen vertellen. Bijvoorbeeld over de toevallige ontmoeting met de Nederlandse onderwijssocioloog Jaap Dronkers in Florence, door wie haar werkende leven in het teken van onderwijs kwam te staan.

Overstap naar sociologie

Ze promoveerde in de economie aan het Europees Universitair Instituut, maar was niet gelukkig met haar onderzoek. Precies toen ze na een aantal maanden wilde stoppen, werd ze voorgesteld aan Dronkers. De hoogleraar, die voor Trouw jarenlang de schoolprestaties onderzocht, wist dat het Haganum uitstekend onderwijs bood. “Het kwam op het Europees Instituut op dat moment nog niet voor dat een econoom in sociologie promoveerde. Ik vond Jaap en zijn onderzoek meteen geweldig, wilde graag bij hem promoveren en de overstap maken. Hij nam mijn verzoek in overweging. Twee dagen later liet hij me weten het met mij aan te durven. ‘Een Servische vluchteling, die eindexamen deed op het Haganum kan ik natuurlijk niet weigeren’, was lachend zijn uitleg.”

Na haar promotie kwam Prokic-Breuer bij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) in Parijs terecht, waarvoor ze in 2016 een rapport over, onder meer, gelijke kansen in het Nederlandse onderwijsstelsel uitbracht. “Naarmate ik me meer verdiepte in het Nederlandse onderwijs, werd ik meer gegrepen. Ik vond het fantastisch. Er gebeurde zo veel in Nederland aan innovaties: het bruiste.”

Segregatie

Toen ze vier jaar geleden de kans kreeg om voor de onderwijsinspectie te komen werken, wilde ze met haar Duitse man en twee jonge kinderen wel terug naar Nederland verhuizen. “We gingen wonen in Amsterdam-Zuid. Ik woonde er zelf ook al als student en vond het altijd een mooie wijk. Nederlandse vrienden zeiden: ‘Wat wil je daar?’. Het zou toch niet erger zijn dan het elitaire zevende arrondissement in Parijs waar we vandaan kwamen?”

Prokic-Breuer kent het Nederlandse onderwijs van binnenuit als een systeem dat aan migrantenkinderen kansen biedt, maar waar zowel een berooid vluchtelingenkind als een bevoorrechte expat er niet snel echt bij hoort. “Zowel toen in Den Haag als nu in Amsterdam stuit ik op dezelfde hokjesgeest”, zegt Prokic-Breuer. “Dat heb ik bij onze verhuizing onderschat. Het Nederlandse onderwijs biedt veel vrijheid voor vernieuwing, maar daaronder gaat naar mijn idee een systeem schuil dat kinderen al van jongs af aan segregeert.”

Wat bedoelt u precies met die hokjesgeest?

“Het is een term voor allerlei verschijnselen in de Nederlandse samenleving, ook voor de manier waarop ons onderwijs is ingericht. Ik ben zelf nooit naar de basisschool in Nederland gegaan, maar wat mij na mijn ervaringen uit het buitenland erg verbaasde, is de gedachte dat Nederlanders voor hun kinderen een school zoeken die ‘bij ze past’. En dan komen ze hier in een grote stad als Amsterdam het liefst uit bij een kleine buurtschool, die ‘gezellig’ is en waar je maximaal twee klassen per leerjaar hebt. Gaat het niet goed met het kind op school, dan besluiten ouders en directie vaak om op zoek te gaan naar een andere. Zoiets zou elders veel minder denkbaar zijn. Gaat het niet goed op school? Dan moet de school maar zorgen dat het beter wordt. En wat hier groot is, is in andere landen een kleine school. Een school die bij je past? Alle scholen moeten passen bij iedereen. Het gevolg is dat hier op de basisschool al een sfeer ontstaat van soort zoekt soort.”

Die keuzevrijheid is de kern van de Nederlandse onderwijsvrijheid, een gevolg van de verzuiling. Het zit heel diep, dat kun je toch niet zomaar even veranderen?

“Ik zie Nederland als een land dat graag egalitair en open wil zijn, maar waar toch veel exclusie plaatsvindt, ook omdat iedereen bij voorkeur in zijn eigen kringetje blijft. Mijn kinderen bijvoorbeeld spraken geen Nederlands toen ze naar Amsterdam kwamen en het was best lastig voor hen om aansluiting te vinden bij anderen. Ook voor mij was het niet makkelijk nieuwe vriendschappen aan te gaan op het schoolplein. In Parijs, maar ook in Italië, zijn mensen in ieder ­geval veel meer geïnteresseerd in anderen, maar zo bleek dat hier niet te werken. Een ervaring die ik ook met andere buitenlandse vrienden deel, is dat mensen vaak niet zo open zijn als ze willen lijken.”

Hoe diep zit die hokjesgeest in het Nederlandse onderwijs?

“Het begint al heel vroeg. Mijn man en ik schrokken bijvoorbeeld van het indelen van kinderen in raketten, zonnen en sterren of kleuren in groep. Verrijkingsklassen die alleen bedoeld zijn voor kinderen met de hoogste resultaten. Zo’n indeling is misschien makkelijk voor de leraar, maar hoe komt het over op een kind? Want ze weten precies van elkaar welk symbool of kleur ze ‘zijn’. En als je eenmaal ster bent, wanneer verandert dat dan? En hoe pakt die beoor­deling in groep 3 uiteindelijk uit voor je schooladvies in groep 8? Kinderen moeten het gevoel hebben dat alles in hun leven nog mogelijk is, maar hier krijgen ze om pragmatische redenen al heel jong een label. Dat pragmatische, waarbij je voorbijgaat aan hoe het op het kind overkomt, vind ik heel Nederlands.”

En na de basisschool zien kinderen van ­verschillende onderwijsniveaus elkaar al helemaal niet meer.

“Er is geen land waar onderwijs in zoveel ­lagen is ingedeeld als hier. Vroeger had je, ­afgezien van praktijkonderwijs, mavo, havo en vwo. Maar het vmbo bestaat inmiddels uit vmbo-b, vmbo-g, vmbo-k en vmbo-t. Als je ook nog vwo uitsplitst in atheneum en gymnasium, zijn er acht lagen. En de grap is dat als je gaat kijken hoe deze leerlingen scoren op taal en wiskunde, er tussen de goede vmbo-leerlingen en de zwakkere vwo’ers nauwelijks verschil zit in de scores van Pisa (een internationaal onderzoek naar schoolprestaties van Oeso). Is die indeling dan eigenlijk wel nodig?”

U heeft zelf toch ook veel baat gehad bij goed onderwijs op een categoraal gymnasium?

“Ik weet niet of het onderwijs op het Haganum zo goed was. Er werkte daar wel een aantal geweldige mensen, die mij zeker in het begin enorm geholpen hebben om Nederlands te leren. Maar het was ook een school van hockeymeisjes, waar ik als migrant alleen aansluiting vond bij andere ­outcasts. Toen mijn beste vriendin, dochter van laagopgeleide ouders, van school moest in de derde klas, werd het sociaal voor mij echt lastig. Ik heb de laatste jaren daarom ook veel gespijbeld.

“Ik kwam uit het communisme. Daar ­waren natuurlijk ook wel sociale verschillen, maar de rangen en standen die je in ­Nederland hebt, waren nieuw voor mij. Het Haganum was een snelcursus in de ­Nederlandse cultuur, maar het was niet makkelijk. Dat ongeïnteresseerd in je stoel hangen, een beetje somber hopen en moeten geloven dat het ooit beter wordt in je leven, gedrag dat je nu ook in de documentaire Klassen ziet, dat gevoel herken ik helemaal.

“Over Klassen gesproken… Het is een prachtige serie die veel aandacht heeft gecreëerd voor kansenongelijkheid, maar laten we eerlijk zijn: de wetenschap en de politiek zoeken er al decennia een oplossing voor.”

In uw Oeso-onderzoek uit 2016 concludeerde u nog dat het met de gelijke kansen in het Nederlandse onderwijs helemaal niet zo slecht gesteld was. Klopt dat beeld nog?

“In vergelijking met andere landen waren de Pisa 2012-resultaten van kinderen van laagopgeleide ouders met en zonder migratieachtergrond relatief goed vergeleken met andere landen, terwijl die van de kinderen uit meer bevoorrechte milieus wat teleurstelden. De kloof tussen deze groepen leerlingen was in Nederland kleiner dan in Duitsland, Oostenrijk of Zweden. Wij konden toen ook geen ander sterk bewijs vinden dat vroege selectie hier zou bijdragen aan ongelijkheid.

“Maar we zagen wel barsten ontstaan in het stelsel, waarvan je zou kunnen zeggen dat die nu schade opleveren. Pisa-resultaten laten een forse achteruitgang in de lees­vaardigheid zien, vooral onder kinderen van laagopgeleide ouders met ook vaak een migratieachtergrond. Dit zie je ook, maar in mindere mate, bij wiskunde. De ongelijkheid is dus groter geworden. Tot overmaat van ramp is de coronapandemie daar nog eens overheen gekomen, waardoor de verschillen alleen nog maar verder zijn uitvergroot.”

Welke barsten zag u in 2016 al?

“Wij richtten ons toen niet zo op de leeftijd, waarop de selectie plaatsvindt, maar op de manier waarop het gebeurt, het aantal niveaus waarin kinderen vervolgens ingedeeld worden en de mogelijkheden om op te stromen. Wij hadden hierbij twee grote zorgen: objectiviteit van de selectie en het vermogen om op te stromen. Het blijkt dat sinds het schooladvies in 2015 leidend werd voor het bepalen van je middelbareschoolniveau, kinderen uit sociaal-economisch zwakkere gezinnen lager instromen. Bovendien vindt voorselectie al veel eerder plaats doordat kinderen al jong in verschillende groepjes ingedeeld worden.

“Tegelijkertijd kwamen er steeds minder brede brugklassen, meer categorale scholen en selecties aan de poort. Ook bleek dat vooral vmbo-gt en havo niet goed op elkaar aansloten. Dat maakt het extra moeilijk voor de leerlingen om op te stromen.”

Kunnen kinderen uit kwetsbaarder milieus wel echt hogerop komen in Nederland?

“Op het eerste gezicht zijn de voorwaarden voor sociale mobiliteit vergeleken met een heleboel andere landen goed: het onderwijs is betaalbaar, van goed niveau en toegankelijk voor iedereen. Maar de verschillen tussen scholen zijn groot, en daarmee ook de kansen die kinderen krijgen. Zelf heb ik wel de indruk dat het hier toch wel moeilijk is om in bepaalde kringen te komen als je de codes niet kent en een andere culturele achtergrond hebt. Dit is natuurlijk een probleem dat we in heel Europa nog wel hebben. De ladder naar de top reikt voor de nieuwkomers maar tot een bepaalde hoogte.”

‘Gelijke kansen’ is een belangrijk verkiezingsthema dit jaar. Politieke partijen ­hebben allerlei oplossingen als op latere leeftijd selecteren, brede brugklassen, gratis kinderopvang en extra bijlessen. Goede ideeën?

“Dat gelijke kansen nu hoog op de agenda staan, is heel goed, ook omdat we zien dat de gevolgen van de coronacrisis voor de kwetsbare groepen desastreus zullen zijn als we niet ingrijpen. Maar kansengelijkheid zou wat mij betreft altijd het belangrijkste thema moeten zijn.

“Vanuit onderzoek gezien zijn de oplossingen die je noemt zeker goede ideeën, maar hoe gaan we ze implementeren en ook evalueren of ze succesvol zijn? En moeten we niet ook nieuwe manieren bedenken om ongelijkheid te bestrijden? Er is nog zo veel dat we niet weten en waar meer onderzoek naar nodig is.

“Ik zet me daarom met hoog­leraar en inspecteur Inge de Wolf en schooloprichters Martin Bootsma en Eva Naaijkens met ­Education Lab NL in om niet alleen de hele menukaart van effectieve ingrepen in het onderwijs uit andere landen en contexten op te dienen, maar ook goed te kijken wat in ons systeem zou kunnen werken en onder welke voorwaarden. We zijn eerst begonnen de omvang en aard van de vertraging die leerlingen tijdens de coronacrisis oplopen in kaart te brengen. Voor je gaat repareren en zoeken naar oplossingen, moet je eerst goed het probleem analyseren.”

Als we gelijke kansen willen creëren in de Nederlandse samenleving moeten we dus ­eigenlijk zorgen dat we de hokjes door­breken? 

“Ja, al bij de schoolkeuze in het basisonderwijs beginnen we kinderen in hokjes in te delen, en vervolgens gaan we daar in de klas mee door. Daar komt dan een schooladvies bovenop, waarvan bewezen is dat het niet per se goed uitpakt voor kwetsbare kinderen. En dan komt het kind in het verregaand gelaagde voortgezet onderwijs, waar opklimmen niet altijd makkelijk is. Later is het de vraag of kinderen die niet de juiste codes meekregen, als ze dat willen, de top kunnen bereiken. Daar zouden we ons iets meer van bewust mogen zijn. 

“Een serie zoals Klassen helpt hierbij enorm. Vooral ook kinderen uit bevoor­rechte milieus zouden deze met hun ouders moeten kijken om dat bewustzijn te ontwikkelen. Mijn kinderen zaten op het puntje van hun stoel.”

In de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 17 maart belicht Trouw steeds een week lang onderwerpen die tijdens de campagne en daarna een belangrijke rol zullen spelen. Deze week staat in het teken van kansen(on)gelijkheid. Volgende week komt de wooncrisis aan bod.

Lees ook: 

De leraren uit Klassen zijn blij dat kinderen weer op school kunnen werken: ‘Ik kreeg regelmatig ’s nachts huiswerk in mijn mailbox’

De basisscholen gaan maandag weer open. Goed nieuws, vinden de hoofdrolspelers uit de populaire serie Klassen: de juffen Astrid en Jolanda, meester Thijs en zorgcoördinator Sanne. Ze blikken terug op de tweede lockdown. ‘De kinderen met bange ouders zitten de hele dag maar binnen tussen vier muren. Dat is gewoon zielig.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden