Zwengelen, ploegen en zwoegen

Alsof je scheepsschroeven door oceaangolven hoort zwoegen. Zo klinken de Belgische dansorgels, nu gebroederlijk bijeen in het Brusselse Jubelpark.

Een clubje museumbezoekers is er maar bij gaan zitten, op de grond. Niet uit plompverloren luiheid, en niet bij toeval tegenover het pronkstuk van de tentoonstelling. Want het dansorgel van de Belgische gebroeders Decap is het enige mechanische instrument dat subiet toont wat je hoort.

Hóór je de grote trom, dan zíe je die ook slaan, al valt nergens een mensenarm te bekennen die aanstalte tot die tromslag maakte. De accordeons trekken op eigen kracht al blaaslucht binnenboord voordat hun typische musetteklanken weerklinken. De witte en zwarte toetsen bewegen er lustig op los zonder besturende vingers. Dat hoeft immers niet, als je een mechanisch orchestrion, dans-, straat- of carrouselorgel bent. Dan heb je behalve vernuftige mechaniek alleen het diep achterin het orgel verstopte draaiboek met de partituur nodig.

Welbeschouwd zijn de dansorgels monsters om te zien, zoals Nederlandse draaiorgels monstertjes zijn. Maar die Belgische dansorgels zijn vooral zo monsterlijk groot. Ze beslaan niet eens een hele wand, want die moet voor een dansorgel worden uitgebroken.

De vier reuzenorgels van de tentoonstelling ’Continental Superstar’ in het Brusselse Jubelpark staan in de Vierkante Koer van het Museum voor Kunst en Geschiedenis. En die koer is minstens twee verdiepingen hoog – eerder een dorpspleintje dan een museaal vertrek.

Waar je overigens piekfijn kunt salondansen, met een enorme, feeeriek roterende glitterbol boven je hoofd. Toepasselijk liet conservator Jo Santy ook een dranktap in de tentoonstelling installeren, zodat de museumbezoekers met glasbolletjes abdijbier langs de feestorgels kunnen slenteren. Na elk muziekproefje applaudisseren de toeschouwers, terwijl er toch nergens dirigent of orkest te bekennen valt.

Het was niet het formaat, waardoor de dansorgels het tegen nieuwigheden als jukebox en stereo (disco)draaitafelmuziek aflegden. Want in tegenstelling tot het draaiorgel hoefde het dansorgel niet te reizen. Zaalhouders kochten of pachtten een dansorgel, en zorgden voor spijs, drank en onderdak. De gasten die daar tot in de jaren zeventig op af kwamen, gingen dansen en zorgden als vanzelf voor vertier.

Het is ronduit bloasmuziek die uit de dansorgels weerklinkt. Stampende, dreunende, hossende en ploegende recht-zo-die-gaat-muziek. Alsof je steeds scheepsschroeven door een stuurse oceaandeining hoort zwoegen. Al spelen ze in een handomdraai (even een ander muziekboek opleggen) Abba, triomfgeschetter van Verdi of toccata’s van Bach: het blijft ploegende stamperdestampmuziek. Maar de klanken zijn echt, godzijdank onversterkt en in de meeste gevallen afkomstig van authentieke instrumenten.

Allicht schuilt in hun monsterlijk voorkomen tevens bekoorlijkheid. De roomtaartenfaçades vol krullige welvingen van de orgelbouwers Mortier en Fasano zijn in dusdanig nauwgezette toewijding ontworpen dat het gemoed prompt volschiet. Terwijl de ogen juist alle aandacht nodig hebben voor detailvoering, pasteltintig schilderwerk en houtsculptuurbewerking in het bijzonder.

Met hun flamboyante uiterlijk geven de dansorgels het goede voorbeeld aan hun gasten: tooi je feestelijk, dan volgen de gepaste motoriek en atmosfeer vanzelf.

Het enorme muurklavier van de gebroeders Decap in strakke lijnvoering en gedempte limonadekleuren is de Scania Vabis onder de dansorgels. Bovenin staat, als de roepnaam van een binnenschip, ’Frangema’: de eerste letters van Françoise, Antonia, George en Marcel Teugels – de gebroeders en hun echtgenotes voor wie het instrument in 1946 gebouwd werd. Het orgel bezit 121 toetsen, 24 registers, 25 zang en 20 tegenzang, 12 bassen, 12 begeleiding, slagwerk, 4 accordeons, sax en trombone.

Maar laat je niet van de dijk blazen door de geschouderde imposantie van de vier dansorgelgiganten. Achterin de museale koer wacht het subtielere werk. Het barokkige orchestrion Mortier van 1928 bijvoorbeeld. Ogenschijnlijk een hermetisch biechtkabinetje, maar aan de kopse kant verhindert klimmend en neerbladerend partituurkarton, een knielplek voor de biechteling.

Conservator Santy licht toe dat ’een orchestrion anders gedetonneerd is dan kermisorgels: een orchestrion poogt een orkestje na te bootsen.’ Het stond ook niet in café of op de kermis, maar in de lobby van een chic hotel of bij een particulier thuis. De conservator bedient alle orgels stuk voor stuk. Zo zwengelt hij de mechanische piano ’Melodico’ uit 1895 met 73 toetsen in dwingend maar zwierig getokkel aan: „De rij lichte hamertjes wordt voortdurend op en neer bewogen, wat zorgt voor een permanent tremolo-effect. Vooral in het hogere register doet dit aan een mandoline denken. Molto cantabile.”

Ook buiten het museum doemen dansorgels nog steeds in vol bedrijf op. Antwerpen koestert z’n Scheldecafé Beveren, waar je in ruil voor een muntje het Decaporgel kunt laten daveren. In Nederland bleef de opmars van het dansorgel tot onder de rivieren beperkt – Noord-Brabant met name.

Soms drong een dansorgel tot in Amsterdam door, waar het een hoofdrol in een muziektheaterstuk speelde. Met ’Bloetwollefduivel – een opera voor drie zangers en een Decaporgel’ ensceneerde regisseur Guy Cassiers een ’Macbeth’-bewerking. In zijn libretto kapte Jan Decorte de taal tot kreupelhout en dreunde het dansorgel als onomatopee mee: „Enkkapte, enkkapte, enkkaptenen, kkapte, emmijne, kop, fielaf, plof, zeittem, opdegront, entschudde, plof.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden