Zwemmende muis

Zijn naam hing een weekend lang in de lucht en ik begon me ongemakkelijk te voelen. Waarschijnlijk het resultaat van beeldenabstinentie gecombineerd met tedere jeugdherinneringen. Ik ben altijd ietwat melancholisch als ik denk aan het kind dat ik ooit was. Op die 13de juli 1967, tien jaar oud, zat ik achterin de grijze Panhard van mijn vader, geklemd tussen mijn oudere broer en zus. De plek in het midden was door ons drie gehaat maar deze keer was er voor mij geen ontsnappen aan. Ik transpireerde hevig en porde uit wraak mijn elleboog tussen de ribben van mijn broer. We keerden terug van ons vakantiestrand in Saint-Jean de Luz, dronken van te veel zon en zout. Mijn vader had dat jaar voor het eerst een radio in zijn wagen geïnstalleerd met een unieke, kleine box onder het dashboard. Plots moesten we van papa met ons gekibbel ophouden: het nieuws stond op het punt te beginnen. Toen hoorde ik voor het eerst zijn naam: Tom Simpson. Ik kende wel wat namen van wielrenners en zelfs die van de gebrilde coureur Jan Jansen, maar geen Simpson. Trouwens, hij was nu al dood zei de stem uit de radiobox, op een berg die de naam Mont Ventoux droeg. Consternatie in de auto. Een vreedzame renner door een berg gedood! Na een lange stilte zuchtte mijn vader ernstig: "Zie je, dat doet de zon met je als geen petje wil dragen, zonnesteek." Ook van dat woord had ik nog nooit gehoord.

Na twee weken Tour de France-onthouding besloot ik zondag stiekem naar de finish van de etappe op de Mont Ventoux te gluren. Mijn eigen hommage aan Tom Simpson en een beetje ook aan de lang geleden verdwenen grijze Panhard van mijn vader. Bovendien hoorde ik van alle kanten dat de Tour nu schoon was en dat de coureurs net als vroeger doodvermoeid rondhingen. Ik was er net op tijd bij om getuige te zijn van het ongelofelijke. Ik zag die knokige Brit met amper vlees op zijn botten demarreren. Als een slinkse voetzoeker op oudejaarsnacht. Zonder een seconde zijn achterwerk van het zadel te lichten, de handen hoog op het stuur. Gele truidrager Froome leek op een personage uit de cartoons van Tex Avery. Irreëel en verzonnen als een very special effect. Zijn trapfrequentie deed mijn ogen even snel knipperen als zijn malende kuiten. Om blind van te worden. Waar leek dit op? Op een pinguïn die met zijn vinnen tegen zijn romp klapt? Of op een applaudisserend Noord-Koreaans partijcongres? Zijn onwaarschijnlijke snelheid op de steile weg was een geval voor de flitsapparatuur van de gendarmerie. Hield hij genoeg remblokjes over in de bochten? Op een gegeven moment ging hij ook nog langdurig telefoneren met zijn baas: "Johoe Froome, niet zo hard rijden anders krijg je lastige vragen morgen. En niet zo fris uit je smoel kijken, please. Straks, na de finish, verzinnen we wel wat, een zuurstofapparaat of zo." Het schijnt dat er een nieuw pepproduct bestaat waarvan muizen gaan zwemmen en 23 procent meer kunnen rennen. Opeens wist ik waaraan de trapfrequentie van Froome me deed denken: aan een zwemmende muis in een rivier van smeltend asfalt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden