Review

Zwarte lyriek

Maar liefst zes biografieën zijn er over haar verschenen, ontelbare studies, twee romans en een film, die dit najaar uitkomt. De Amerikaanse dichteres Sylvia Plath (1932-1963) is de Marilyn Monroe van de elite: haar leven, en vooral haar dramatische levenseinde, blijven fascineren. Hoe komt dat toch? En: kan haar werk ook op zich staan?

Is Sylvia Plath een goede dichteres omdat zij obsessief over dood en zelfmoord schreef en uiteindelijk, op haar dertigste, nog daadwerkelijk zelfmoord pleegde ook? Vormden eerdere zelfmoordpogingen, depressies en psychiatrische behandelingen een ervaringsbron die de poëtische waarde van haar werk als het ware met een 18-karaats pathologische goudrand heeft verhoogd? Kortom: hangt de bijna mythische populariteit van Plaths gedichten samen met de tragische authenticiteit ervan?

Laat ik deze vragen maar direct met een driewerf 'nee' beantwoorden. Welzeker zijn haar gedichten authentiek en in haar eigen woorden geschreven met 'een mondvol zwart zoet bloed'. Maar vele naamloze psychiatrische patiënten hebben op therapeutische gronden ook verzen afgescheiden over wanhoop en zelfmoord en daaronder tref je nooit één goed of zelfs maar bijzonder gedicht aan. De authenticiteit van Plaths werk heeft wel de thematiek ervan bepaald, maar niet - op een paar pathetische en hysterische uitglijders na - de poëtische grootheid ervan. Haar inktzwarte bekentenislyriek (een titel als 'Dood & Co' spreekt wat dit betreft al boekdelen) intrigeert louter vanwege de kracht van haar beelden, het ritme en de taal. Daarin en daarmee heeft ze haar extreem depressieve obsessies ook tastbaar weten te maken.

Er is over Plath de laatste veertig jaar enorm veel geschreven, zowel door serieuze literatuurvorsers als door mythomane freudianen, feministes en zielduiders van velerlei slag. De verschijning in 1998 van de 'Birthday Letters' van haar ex-man Ted Hughes, die geheel aan Plath gewijd waren, bracht de pennen opnieuw driftig in beweging. Dat hun beider dochter Frieda Hughes ook al twee dichtbundels publiceerde (een Nederlandse bloemlezing hieruit verscheen vorig jaar onder de titel 'De stenenraapster'), plaatste de persoon van Plath in recente publicaties opnieuw pontificaal op de voorgrond.

Hoog tijd dus om eens wat interpretatief stof van haar gedichten af te blazen en met een fris oog te bezien wat deze poëzie ons veertig jaar na dato nog te bieden heeft. De verschijning van een tweetalige bloemlezing uit haar werk, 'Zie, de duisternis lekt uit de scheuren', samengesteld en vertaald door Lucienne Stassaert, biedt hiertoe een goede gelegenheid.

Wat allereerst opvalt is dat Plath voornamelijk langere gedichten schrijft met een tegelijk concreet en toch sterk geladen symbolisch taalgebruik. Woorden als 'dood' en 'doden', 'schaduw', 'duister(nis)', 'donker', alsmede ruïneuze taferelen komen zeer frequent voor. Dat ruïneuze wordt soms uit de onaanzienlijkste decors opgetrokken. Na een nihilistische zinsnede als: ,,Er is geen leven dat de grassprieten overstijgt'' vervolgt zij even later met ,,Uitgeholde drempels doemen doorlopend op in het gras; / bovendorpels en raamkozijnen zijn uit hun voegen gerukt''.

Dit alles, inclusief de toespelingen op knoken, mummies en dergelijke, zou je nog tot de 'sferische aankleding' kunnen rekenen. Anders wordt het al met een gedicht als 'De chirurg om twee uur 's morgens', waarin de arts een operatie uitvoert die in puur landelijke metaforen de gronderigheid, kwetsbaarheid en grootsheid van het menselijk organisme bezingt:

,,Het is een tuin waarmee ik te maken heb - knollen en vruchten

die hun gelatineuze substanties afscheiden,

een warhoop van wortels. Mijn assistenten haken hen weer vast.

Kwalijke geuren overvallen me.

Dit is de boom van de longen.

Deze orchideeën zijn schitterend. Ze vlekken en kronkelen als slangen.

Het hart is een rode klokjesbloem in nood.

Ik ben zo klein

vergeleken bij deze organen!

Ik wurm me erdoor, hak in een purperen wildernis.''

Aan deze soms sinistere natuurmetaforen koppelt Plath een andere typische constante uit haar werk; de mythologische, of althans naar de klassieke Oudheid verwijzende uitvergroting van het beschreven object. Zo verlustigt de chirurg zich aan de bloedvaten, de 'ingewikkelde blauwe pijpen / onder dit marmer', waaraan hij meteen de conclusie toevoegt: ,,Wat bewonder ik de Romeinen - / De aquaducten, de Thermen van Ca-racalla, de adelaarsneus! / Het lichaam is Romeins''.

Dit is een hoogst curieus cultuurhistorisch terzijde, dat niettemin natuurlijk opwelt uit de situatie op de snijtafel. Plath, wier poëzie eindeloos getuigt van haar angst om identiteitsverlies ('mijn vrees / Volslagen neutraal te zijn'), die zelfs ergens uitroept: 'Zeg me mijn naam', weet hier een volstrekt gedepersonaliseerd lichaam, een zak vol bloed en organen zogezegd, naadloos te verbinden met zoiets concreets monumentaals als de thermen van Caracalla.

Het slotgedicht van deze bloemlezing, 'Grenspunt', geschreven twee dagen voor Plaths dood en ongetwijfeld een visioen van haar eigen dood, geeft alweer zo'n stereotiepe verwijzing naar de klassieke Oudheid te zien: ,,De vrouw is vervolmaakt. / haar dode // Lichaam vertoont de glimlach van voltooiing, / de illusie van een Griekse noodwendigheid // Golft in de voluten van haar toga''. De slotregels voegen daar een andere - alweer constante! - kosmische uitvergroting aan toe, die de zinloosheid van het bestaan benadrukt omdat het universum zich niets van het menselijk, al te menselijk bestaan en noodlot aantrekt: ,,De maan hoeft om niets te treuren, / starend vanuit haar benen kap. // Ze is zoiets gewend. / Haar zwart knistert en sliert''. Het is of we met die slotregel in het spookhuis zijn terechtgekomen.

De onverschilligheid van de kosmos tegenover ons lot is iets dat Plath keer op keer met ontzetting heeft vervuld en tot uitdrukking heeft gebracht. Nu eens heet de hemel 'die pikdonkere zak', dan weer hekelt ze diens 'blinde heerschappij', en de maan op haar beurt heet 'genadeloos'.

Overal waar Plath haar suïcidale neigingen, zelfhaat, vrees voor identiteitsverlies en leegte, de haar ooit toegediende elektroshocks et cetera ter sprake brengt, weet zij dit particuliere lotgeval dankzij de mythische en kosmische uitvergrotingen en haar onheilspellende en originele natuurmetaforen op een bovenpersoonlijk plan te brengen. Dat een zekere grimmige humor daarbij niet ontbreekt blijkt bijvoorbeeld uit deze regels uit het befaamde 'Lady Lazarus': ,,Sterven / is een kunst, zoals alles. / Ik doe het uitzonderlijk goed''.

Sylvia Plath, eigenlijk al sinds de dood van haar vader op haar achtste jaar geestelijk ontworteld, heeft een soort poëzie geschreven die superpersoonlijk is en tegelijk volstrekt universeel. De tragiek van haar leven heeft ze nergens 'van zich afgeschreven', maar juist, met puur literaire middelen, in zich opgeslorpt en naar zich toegezongen, en zo voor minder getraumatiseerde lezers invoelbaar gemaakt. Eigenlijk heeft ze, hoe ernstig ook, veelvuldig gespeeld en gejojood met de dood, in woord en daad, omdat zij de dag dat 'het universum van mijn zij [zal] afglijden' weliswaar vreesde, maar ook nauwelijks af kon wachten. Zij zweefde haar hele leven tussen hoop en wanhoop, tussen het 'mirakel' en de 'engel' op wie zij steevast hoopte, en de gespleten hoeven van de duivelse zelfmoord die zij vrijwel dagelijks in het vizier leek te hebben. Dat speelse element is misschien wel het grootste mirakel van deze tragische poëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden