Zwart ziet de underground

De popmusici haalden Jezus van zijn voetstuk. Om hem als toffe gozer in hun midden op te nemen, aanvankelijk. Om genadeloos met hem af te rekenen, later. Nu lijkt de verloren zoon de weg terug te vinden.

'Jesus is just allright', zongen The Byrds in close harmony. Het was 1970, voorjaar, en het klonk prachtig. Welk Hollands kind dat de engelse tekst hoorde, begreep dat de Jezus die het van huis uit meegekregen had, hier hardhandig van zijn troon getrokken werd onder het mom dat Hij, net als wij, gewoon een toffe gozer was?

In die jaren voelde ik me net zo veilig in het ruimteschip van Major Tom uit David Bowie's Space Oddity als in het scheepke onder Jezus' hoede. Al zweefde Tom daar ver weg in al zijn benauwdheid, bij de lancering had hij wel mooi de zegen meegekregen: And may God's love be with you. Tweespalt bestond nog niet.

Wat heeft de popmuziek aan de verhalen en beelden van Jezus toe te voegen? Op het eerste gezicht weinig. De rocker vloekt en spuugt vooral. Zijn teksten zijn vaak oppervlakkig en als ze dat niet zijn vooral cryptisch, literair oninteressant en weinig subtiel. Maar toch. Toch zie je juist in de pop precies terug wat Edward Schillebeeckx in 1973 in zijn studie over Christus, 'Jezus, het verhaal van een levende', al beweerde: ,,Niet slechts kerkelijke mensen interesseren zich voor Jezus van Nazareth.''

Schillebeeckx liet theologen zien wat ik in dezelfde periode in de pop ervoer: ,,Hoe graag de kerk dat ook wil, zij kan Christus niet voor zich zelf houden. Ook buitenstaanders hebben het recht zich een beeld van hem te scheppen. Al was het maar op grond van wat de kerken preken of wat de gelovigen in hun gedrag van Hem laten zien. (. . .) De algemene toegankelijkheid van Jezus van Nazaret bewijst aldus een dienst aan het geloof van de christenen, niet apologetisch, maar als kritische confrontatie.''

Behalve een categorie popmusici die het spannend vindt om te klieren met de christelijke symbolen en die wil shockeren door te flirten met alles wat satan in de vorm van hel en verdoemenis heeft voortgebracht, zoals door de commercie bedachte Marilyn Manson, is het beeld van Christus in de popmuziek vooral ingegeven door een afkeer tegen de gevestigde orde. De antipathie is vooral ontstaan uit het niet aflatende 'Je mag niet' van de kerk en haar gelovigen.

Binnen de pop is geen plaats voor de kerk met haar verheven Even Songs maar tegelijkertijd met haar drinkende en billenknijpende pastors of stijve en doodsaaie ouders. John Lennon voorspelde in 1966 dat het christendom, dat wil zeggen de kerk, haar langste tijd had gehad en dat de rock 'n roll klaar stond om de fakkel over te nemen. Lennon voerde zichzelf op als bewijs: waren The Beatles niet populairder dan Jezus ooit was geweest? En is een avondje Blur nog steeds niet het alternatief voor die oude soldaat die op de bank in slaap valt bij de Songs of Praise iedere week?

Verkozen de meeste hippies de softheid en maakten zij van Jezus een toffe vredesduif, aan het einde van de jaren zeventig komt daar verandering in en worden de gevallen engelen agressiever en grimmiger. Voor een climax zorgt de punk eind jaren zeventig en begin jaren tachtig. Met name The Dead Kennedy's rekenen met de plaat 'In God we trust' (1982) genadeloos af met God, Jezus, de kerk en alles wat daar zij daarbij rekenen: Ronald Reagan, de Ku Kux Klan, het geloof in de Dollar, de minachting voor de armen en alle ellende waartegen later ook de rap en de hiphop (Public Enemy!) zich zou keren. Op het nummer 'Moral majority' dat begint met een persiflage op een Amerikaanse tv-dienst bijvoorbeeld, fulmineert zanger Jello Biafra tegen christelijk Amerika. Als de moral majority leeft, schreeuwt hij, moet God wel dood zijn. En zolang predikanten als Jerry Fallwell hun zakken blijven vullen, is het met Jezus niet anders.

In de punk troffen de totaal verschillende Britse en Amerikaanse popstijlen elkaar in zoverre, dat de songs kort en hard waren. Ook het doelwit was vergelijkbaar. Wat Reagan voor The Dead Kennedy's was, waren koningin Elizabeth en Margareth Thatcher voor The Sex Pistols, The Clash en The Damned. De wereld is geen pretje en als er al verlossing te verwachten valt, dan niet de eeuwige - straks door Christus - maar een tijdelijke, nu: dankzij drank, drugs, het orgasme.

Kun je het schoppen tegen de maatschappij nog uitleggen in die zin dat uiteindelijk niet Christus zelf, maar de christelijke gemeenschap en cultuur het moet ontgelden - het blijft er niet bij. Wie verder zoekt, ziet dat de pijlen ook Christus' Heer-schappij zelf raken. En daarmee de verticale verbinding tussen hemel en aarde, kortom het hart van de zaak.

Kon ik aanvankelijk 'Space oddity' en 'Scheepke onder Jezus hoede' kinderlijk eenvoudig combineren, bij de nachtelijke horrorconcerten van The Damned in het Amsterdamse Paradiso met direct daarop aansluitend de zondagochtendpreek in de Utrechtse Jeruzalemkerk, kostte dat meer moeite. Zolang het spel bleef (en bij The Damned was hun gothische eredienst dat vooral) was het gewoon fun. Maar zodra het menens werd, begon de spagaat en daarmee de innerlijke verscheurdheid.

Het diepst menens was het, denk ik, bij The Doors, die zich met hun rauwe rock in navolging van The Rolling Stones en Jimmy Hendrix nadrukkelijk distantieerden van het slome hippiedom. Voor hen is Jezus niet langer zoals bij The Byrds 'een toffe gozer'. Nee, voor de Doors is Hij helemaal niks meer. Als zij in 'When the music's over' Christus oproepen hen te verlossen ('Save us! Jesus! Save us!') weet iedereen dat het een vloek is. Want niet Hij maar De Muziek is bij de Doors de laatste bron van leven. Als de muziek ophoudt, gaat het licht uit.

Met andere woorden, Christus is een machteloze figuur, een nitwit waar geen muziek in zit. Niet in staat om van het kruis af te komen om ons te redden. Wij slikken Hem voor zoete koek omdat Hij niet meer serieus genomen kan worden; slappe hap is Hij, bij Tom Waits zelfs letterlijk. Waits doopt Hem in het deze zomer uitgebrachte 'Chocolate Jesus' (van de cd 'Mule variations') om tot een chocolaatje dat, wanneer de nood aan de man komt, in de hand in al smelt:

When the weather gets rough and it's whiskey in the shade, It's best to wrap your saviour up in cellophane

He flows like the big muddy but that's ok

Pour him over ice cream for a nice parfait

(Als het moeilijk wordt, een met drank gevuld duister

Pak dan je verlosser goed in

Hij glijdt weg als een modderstroom, het geeft niet

Giet hem over een ijsje als een saus)

Waits is nog mild. Is Christus bij hem nog een onschuldige sukkel, bij uit Wales afkomstige Manic Street Preachers en het Noordierse Ash is Hij dat niet langer. In 'Crucifix kiss' (van de cd Generation terrorists, 1992) introduceren de Manics Jezus met een woordgrapje als 'führer nazarine' en dus niet als Man uit Nazareth of Nazireeër, maar als nazi. En waarom? Omdat Hij Zijn volgelingen tot onderdanige, slappe en onkritische mensen maakt; rijp om dictators te volgen.

Hard is ook het beeld dat Ash in 'Jesus says' (op het album 'Nu-clear sounds', 1998) van Christus geeft. Bij Ash is Christus een moderne Jona, een arrogante, verwende en ontevreden dwarskop die bij de Wederkomst door God op de verkeerde plek gedropt is. Middenin New York nog wel, tussen de kruimeldieven. De minachting van Onze Lieve Heer is stuitend als Hij zegt: 'Het moet hier de verkeerde plek zijn. Want al is mijn eerlijkheid echt, het is verkwiste moeite hier in deze zielloze, opervlakkige leegte die ook wel mensheid genoemd wordt.'

We zijn nu definitief in de wildernis terechtgekomen. Hier is de band tussen Christus en Zijn volk tweezijdig verbroken. Want waarom zou Hij nog langer die zielloze mensheid redden? En waarom zouden die zielloze mensen nog langer in zo'n arrogante Verlosser moeten geloven?

Daar staan we dan. Bij de voederbak van de verloren zoon. Zwart ziet de underground. Maar al wint de ellende het in de pop ruim van de verlossing en dankbaarheid, er is meer.

In zijn essay 'Voorbij de woorden' (1996) heeft de Vlaamse Jezuïet Jan Koenot een interessante poging gedaan het religieuze verlangen in de rock bij bands als Joy Division en The Manic Street Preachers te duiden. Om binnen de metafoor van de verloren zoon te blijven: de popdichter blijft niet voor eeuwig steken in de modder. Als de nood het hoogste is, volgt ook de inkeer en zo niet, dan in ieder geval het verlangen om naar het oude nest terug te keren. Weg van de voederbak!

Voorbeelden van die terugkeer zijn de Australische zanger Nick Cave en de Engelse zangeres Poly Jean Harvey. Om met de laatste te beginnen. Haar werk is één grote hunkering naar de ware liefde. Hartverscheurend is het om haar op platen als 'Dry' en 'To bring back your love' haar hartstocht en woede jegens haar al dan niet imaginaire minnaar terug te horen in zinnen als 'You leave me dry' en 'You're not rid of me'.

De intensiteit van de hartstocht is zo hevig dat het er vaak op lijkt of zij, net als twee andere niet te temmen hunkeraars als Prince en Tori Amos, uiteindelijk Christus Zelf aan haar liefde wenst te onderwerpen. Op haar laatste cd 'Is this desire?' is dat wanhopig verlangen naar lust en extase vervangen door een dieper, mystieker en hemelser verlangen, zo lijkt het. Zo laat ze in de virtuoze titelsong 'Is this desire?' Jozef en Maria (belichaamd in het ochtendgloren) een vuurtje stoken, maar niet zonder het besef dat er voor de ware bevrediging meer nodig is dan hun eigen hartstocht.

Hoe cryptisch de tekst ook is, de vragende vorm van het refrein laat zien dat er meer voor nodig is dan een vuurtje om 'ons werkelijk een blik in de hemel te gunnen' ofwel: om Christus zelf te kunnen verwekken:

Is this desire?

Enough, enough

To lift us higher

To lift above? (Is dit verlangen? Genoeg, genoeg om ons op te tillen, ons op te tillen naar omhoog?)

Het verlangen Christus nabij te halen en te ontmoeten speelt ook een belangrijke rol in het latere werk van Nick Cave. Nadat hij tot 1985 zijn protestantse verleden in 'The Big Jesus-trash can' had gesmeten, verscheen in 1986 opeens een rustige plaat vol bewerkingen van oude popklassieker en traditionals onder de naam 'Kicking against the Pricks'. De titel verwijst naar een zin uit 'Handelingen der Apostelen', die in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap van 1952 vreemd genoeg is weggevallen. Het gaat om het verhaal van de bekering van Saulus (Paulus) op weg naar Damascus. Als Saulus door Licht overmand op de grond ligt, zegt een stem uit de hemel: 'Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt'. En dan het gewraakte zinnetje: 'Het is hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan'. Ofwel: het is hard om tegen God te strijden. Ofwel: waarom loop je steeds met je kop tegen de muur op?

De titel zou een vingerwijzing blijken naar Cave's latere werk. Nadat hij in 'The Hammer Song' smeekt om terug te keren naar de wereld van zijn jeugd, volgt in 'The boatman's call' (1997) de werkelijke terugkeer naar het licht, naar de kern van het Evangelie. Dat begint al meteen in het eerste nummer 'Into my arms', waarin zijn liefde voor zijn geliefde zo groot is, dat als vanzelf de taal Nieuw-testamentisch wordt en het beeld van Christus als onvermijdelijk opdoemt wanneer hij de engelen vraagt zijn geliefde in zijn armen te leiden:

I ask them to watch over you

To each burn a candle for you

To make bright and clear, your path

And walk, like Christ, in grace and love

And guide you into my arms. (Ik vraag hen over je te waken

Om een kaars voor je op te steken

Om jouw weg te verlichten

Om, als Christus, te gaan in genade en liefde

En jou in mijn armen te leiden)

Hier is de liefde niet slechts de extatische weg tot God, zoals bij Prince bijvoorbeeld, maar richt deze zich totaal op de overgave aan de ander. Weg is het cynisme. Hier wordt met de geliefde ook Christus als lichtend voorbeeld omarmd.

Hier komt de underground bovengronds, hier ook komen twee aanvankelijk gescheiden werelden samen. Bij zowel PJ Harvey als Nick Cave zie je hoe Christus behalve als minnaar ook opnieuw gestalte krijgt als middelaar tussen hemel en aarde. Zonder dat zij traditioneel naar de kerk wensen terug te keren, zoeken zij via Hem de weg omhoog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden