Zure mythes over onderwijs

null Beeld

Vooroordelen overheersen het debat over onderwijs. Allerlei mythes doen de ronde, met als gemeenschappelijk kenmerk een hoge zuurgraad. Aan het einde van het schooljaar prikt Trouw vier van de hardnekkigste mythes door.

Onderwijs is net voetbal: bijna iedereen heeft er verstand van. Maar net als over voetbal beweren die miljoenen deskundigen ook over onderwijs nogal wat flauwekul. Ook in het nu bijna afgelopen schooljaar heeft een aantal hardnekkige mythes grote invloed gehad op het humeur van leraren én op het onderwijsbeleid.

Die mythes hebben één opvallend kenmerk gemeen: de zuurgraad ervan. Wie afgaat op wat aan de borreltafel, op opiniepagina's en in de vergaderzaal van de Tweede Kamer wordt beweerd, kan niet anders dan concluderen: er heerst een diepe crisis in het onderwijs. Jammer, want zo erg is het lang niet.

Waarom zijn die misverstanden zo hardnekkig? Misschien omdat velen belang hebben bij het voortbestaan ervan. Als het niveau van het onderwijs daalt, zoals vaak beweerd wordt, dan is dat voor een minister een vrijbrief om allerhande nieuw beleid over de scholen uit te storten. Voor schoolbesturen is het aanleiding om te roepen: zie je wel, er is meer geld nodig. En de lerarenvakbonden wijzen meteen op het grote belang van goed betaalde leraren.

Het Nederlandse onderwijs kan echt nog wel wat beter. Maar het debat over het hoe en waarom zou flink opfleuren als het iets minder overheerst werd door mythes vol kommer en kwel en iets meer ruimte bood voor nuance.

Mythe 1 Het niveau keldert
"Ik móet wat doen." Aldus een gealarmeerde minister Van Bijsterveldt een half jaar geleden, bij het verschijnen van onderzoek naar de onderwijsprestaties van leerlingen in 65 landen. We dalen op de internationale ranglijsten, zo maakte de minister op uit dat zogeheten Pisa-onderzoek. Zij kondigde meteen een serie actieplannen aan.

Het gevoel dat het niveau van het Nederlandse onderwijs daalt, is wijd verbreid. En die crisissfeer heeft veel invloed op het onderwijsbeleid. Maar klopt het ook? Het heeft er alle schijn van dat dat best meevalt.

Neem dat Pisa-rapport dat Van Bijsterveldt aangreep om haar actieplannen te lanceren. Hele hordes politici en opiniemakers en onlangs ook het Centraal Planbureau verwijzen naar dat rapport om aan te tonen dat 'de prestaties kelderen' en dat 'Nederland uit de top-tien duikelt'. Maar het lijkt wel alsof niemand het rapport gelezen heeft.

Inderdaad, volgens de Pisa-onderzoekers dalen de prestaties van Nederlandse leerlingen van vijftien jaar licht. Dat is uiteraard geen goed nieuws. Maar, relativeren de onderzoekers, in sommige vakken is de daling zo licht dat er nauwelijks conclusies aan verbonden kunnen worden; het kan best zijn dat de lagere scores zijn veroorzaakt door toevalligheden in de steekproef.

Duikelt Nederland door die lagere scores uit de internationale top-tien? Welnee. Op de ranglijst voor wiskunde, bijvoorbeeld, staat Nederland nu elfde. Drie jaar eerder stond Nederland nog vijfde, en dat líjkt een forse daling. Maar bij nader inzien blijkt dat Nederland onder meer is ingehaald door twee landen die drie jaar geleden niet meededen in het Pisa-onderzoek; zonder die twee zou dus opnieuw de top-tien gehaald zijn. Belangrijker nog is een voorbehoud dat de onderzoekers zelf maken: de verschillen tussen nummer zes op de ranglijst (Finland) en nummer dertien (Nieuw-Zeeland) zijn zó klein dat alle landen ertussen in feite ex aequo op plek zes staan.

Waar komen dan al die opmerkingen vandaan, bijvoorbeeld van universiteiten en hogescholen, dat jongeren met een havo- of vwo-diploma op zak tegenwoordig niet meer kunnen spellen en rekenen? Of die waarneming klopt en of het vroeger inderdaad beter was dan nu, blijkt uit geen enkel onderzoek. Vast staat wel dat havisten en vwo'ers tegenwoordig meer vakken op hun rooster hebben dan tot en met de jaren negentig. Omdat ze niet meer tijd besteden aan hun schoolwerk, ligt het voor de hand dat ze per afzonderlijk vak een lager niveau halen. Ze weten dus minder over meer.

Minister Van Bijsterveldt zei dit voorjaar in een gesprek met Trouw dat ze ook geschrokken was van de klachten van de universiteiten over het niveau van aankomende studenten. Die schrik is opmerkelijk: universiteiten klagen namelijk altijd. Vijftien jaar geleden pleitten zij voor breder opgeleide vwo'ers en wilden ze dat het vwo zijn scholieren vaardigheden zou bijbrengen op het gebied van zelfstandig werken en samenwerken.

De universiteiten hebben gekregen wat ze vroegen. Dit schooljaar bleek uit onderzoek dat scholieren nu inderdaad zelfstandiger zijn en beter samenwerken dan vroeger. Maar niemand lijkt daar blij mee. Waarom eigenlijk niet? Zijn zaken als zelfstandigheid uit de mode als leerdoel? Of valt iets wat scholieren niét beheersen gewoon meer op dan iets wat ze wél beheersen?

Het klopt trouwens wel dat de beste leerlingen in Nederland het minder goed doen dan de besten in het buitenland. De minister zint daarom op maatregelen om juist hun prestaties te bevorderen, en dat is dus niet vreemd.

Tot slot twee opmerkelijke feitjes over wiskunde. Uit het Pisa-onderzoek blijkt dat de prestaties van meisjes dalen, die van jongens nauwelijks. En in het Nederlandse voortgezet onderwijs staan minder uren wiskundeles op het rooster dan elders. Kun je dus beweren dat het onderwijs aan meisjes slechter is geworden en dat aan jongens niet? Of dat Nederland het uitstekend doet, met goede resultaten in minder tijd? Verstandiger is waarschijnlijk de conclusie: onderwijs is te ingewikkeld voor sweeping statements over stijgend of dalend niveau.

Mythe 2 Scholen zijn leerfabrieken geworden
Het was nog ten tijde van het vorige kabinet. Dat wilde iets doen aan de schaalvergroting in het onderwijs en overwoog daarom fusies tussen scholen aan banden te leggen door een verplichte toets vooraf. Een clubje ambtenaren had ter voorbereiding een notitie geschreven waarin was te lezen dat leerlingen op grote scholen beter presteren dan op kleine. Maar die notitie verdween in de prullenbak en er kwam een nieuwe voor in de plaats. Afgelopen schooljaar werd die fusietoets inderdaad wettelijk verplicht.

Scholen zijn leerfabrieken geworden - aan de borreltafel zijn wijsheden als deze nog steeds bon ton. En niet alleen aan de borreltafel. Ook een gewaardeerd instituut als het WODC, de wetenschappelijke afdeling van het ministerie van justitie, kwam er onlangs mee op de proppen. De toegenomen jeugdcriminaliteit is deels te wijten aan de schaalvergroting in het onderwijs, meldde het. Want op grote scholen is meer interactie mogelijk tussen jongeren en waar meer interactie is, is vanzelf ook meer criminaliteit.

Dat laatste kan best waar zijn. Maar dat scholen de afgelopen jaren grootschaliger geworden zijn, klopt maar ten dele. Het WODC schermt met een grafiekje over het voortgezet onderwijs: het aantal scholen met meer dan tweeduizend leerlingen zou in tien jaar tijd tweeënhalf keer zo groot zijn geworden. Een verwarrend grafiekje, want het geeft niet het leerlingenaantal per school-vestiging weer, maar het aantal per school-bestuur. En dat cijfer doet er niet toe voor wat het WODC wil betogen; niet alle leerlingen die onder één bestuur vallen, hebben immers interactie met elkaar.

Hoe zit het dan wel? De afgelopen jaren zijn veel schoolbesturen met elkaar gefuseerd. Elk bestuur heeft daardoor inderdaad meer scholen onder zich, en dus ook meer leerlingen. Maar het aantal leerlingen per vestiging is vrij stabiel. In het basisonderwijs ligt dat al jaren rond de 220. In het voortgezet onderwijs steeg het van 618 in 1999 naar 729 in 2007, maar sindsdien is het weer licht gedaald. 'Leerfabrieken' met meer dan tweeduizend leerlingen in één gebouw zijn, anders dan het WODC suggereert, nog steeds uitzonderlijk.

Dat neemt niet weg dat ook schaalvergroting op bestuurlijk niveau schaduwkanten heeft: bestuurders dreigen ver af te drijven van de dagelijkse schoolpraktijk of gedragen zich als heersers in hun eigen koninkrijkjes. Dat dat gevaar niet denkbeeldig is, blijkt uit de gebeurtenissen op de Hogeschool Inholland, waar bestuurders negen ton verspilden, grotendeels aan extra's voor zichzelf.

Mythe 3 De lerarensalarissen zijn schandalig laag
De bezuiniging op het zogeheten passend onderwijs vinden leraren erg. Maar de nullijn voor de lerarensalarissen, dat is pas écht erg. Die indruk wekte althans een enquête die lerarenvakbond AOb in december onder zijn leden hield. Zeven van de tien ondervraagden willen het onderwijs aan kinderen die extra zorg nodig hebben ontzien. Maar de greep in de eigen portemonnee doet leraren nog meer pijn: acht van de tien zijn daartegen.

Die nullijn (het loon stijgt dus niet mee met de inflatie) is het onderwijs opgelegd door minister Donner van binnenlandse zaken en geldt voor de hele publieke sector. Maar uitgerekend leraren zullen er weinig van merken. Dankzij afspraken die door het vorige kabinet zijn gemaakt, stromen leraren de komende jaren sneller door naar hogere salarissen en komen ze ook vaker terecht in hogere schalen.

Maar de salarissen in het bedrijfsleven stijgen meer, klagen de lerarenbonden, en daardoor wordt het leraarschap onaantrekkelijk. Dat is het refrein van een liedje dat zij al jaren zingen: er dreigt een lerarentekort, het leraarschap moet dus meer mensen trekken, en daarom moeten de salarissen stijgen, want die blijven achter bij wat hoogopgeleiden elders verdienen.

Klopt dat? Wat verdient een leraar eigenlijk, vergeleken met anderen? Dat blijkt mee te vallen. Net afgestudeerde hbo'ers in de gezondheidszorg en de techniek, bijvoorbeeld, verdienen meer dan beginnende leraren. Maar wie met een hbo-opleiding economie aan de slag gaat, moet het juist met minder doen dan de jonge leraar.

Nu is het verhaal van de leraar steeds: onze beginsalarissen zijn in orde, maar in de loop van onze carrière gaan we steeds verder achterlopen bij andere hoogopgeleiden. Maar precieze cijfers daarover zijn schaars. Uit gegevens van onderzoeksinstituut SEO (verbonden aan de Universiteit van Amsterdam) blijkt dat vooral academisch opgeleide leraren in het voortgezet onderwijs inderdaad flink achterlopen bij academici in andere beroepen. Ook basisschoolleraren hebben reden zich achtergesteld te voelen. Maar voor tweedegraads leraren in het voortgezet onderwijs geldt dat nauwelijks.

Maar die SEO-cijfers stammen uit 2004 - vergelijkbare cijfers van recentere datum zijn er niet - en sindsdien zijn de vooruitzichten voor leraren flink verbeterd. Dankzij het Actieplan Leerkracht van het vorige kabinet kan een leraar in de hoogste salarisschaal voor het voortgezet onderwijs tegenwoordig uitkomen op 4962 euro bruto per maand. Weliswaar zit slechts 17 procent van de leraren in die hoogste schaal, maar afgesproken is dat dat percentage binnen een paar jaar stijgt tot 29.

Natuurlijk, wie veel wil verdienen, kan beter tandarts worden of fiscaal jurist. En een wiskundige kan, als het hem om het geld te doen is, waarschijnlijk beter bij een bank gaan werken dan op een school. Maar zie als historicus maar eens een beter salaris te krijgen dan een geschiedenisleraar. Al met al valt het ook met die lerarensalarissen best mee.

Mythe 4 De werkdruk is enorm
Niet het salaris was voor lerarenvakbond AOb de reden om de cao voor het voortgezet onderwijs te verwerpen, eerder deze maand, maar de werkdruk. Die is hoog, daarvan zijn de bonden overtuigd.

Leraren werken inderdaad hard, blijkt uit de nationale enquête arbeidsomstandigheden van TNO en het Centraal Bureau voor de Statistiek. Samen met de horeca en de financiële wereld is het de sector waarin werknemers het vaakst onder tijdsdruk werken of te veel werk op hun bord krijgen.

Maar waar komt die hoge werkdruk in het onderwijs vandaan? Niet door het aantal uren dat leraren werken, bleek al eens uit onderzoek van TNO Arbeid. Over het hele jaar genomen werken leraren niet meer dan waarvoor ze betaald worden. De werkdruk zit ¿m vooral in de grote pieken in hun werkweken.

TNO Arbeid zocht uit hoe dat zit. Een fulltime-leraar moet volgens de cao 1659 uur per jaar werken. In zijn contract staat vaak dat hij daarvoor zo'n 37 uur per week moet werken. Om aan 1659 uur te komen, moet hij dus 45 weken werken.

Maar de praktijk is anders. Vooral in het voortgezet onderwijs komen scholen vaak aan niet meer dan 38 weken waarin les gegeven wordt - en dus blijven er 14 weken 'vrij' over. Uiteraard werkt een leraar ook in lesvrije weken: het schooljaar moet opgestart worden en afgesloten, er is nakijkwerk te doen enzovoort.

Daarmee komen leraren nog steeds niet aan de voorgeschreven 1659 uur. Die halen ze door in hun werkweken ruimschoots meer te werken dan de 37 uur die in hun contract staat. In topweken werken fulltime leraren vaak wel vijftig uur. Het is die piekbelasting die het werk zwaar maakt. Maar werken leraren bovenmatig hard? Nou nee, ook dat valt dus mee.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden