'Zuiver fantasie' noteerde de revolverheld Willem Drees

Lakeien van het groot-kapitaal. Schildragers voor rechts. Fantasieloze kwitantielopers. Dorknopers die de revolutie verzaken. Het zijn de klassieke verwijten waarmee ultra links de sociaal-democratie in de loop van haar bestaan telkens weer en met wisselend succes op de korrel nam. Geen mens die er van opkijkt. Daarentegen knipper je toch even met je ogen dat Willem Drees in zijn hoedanigheid als wethouder van Den Haag er vanuit die hoek ooit in volle ernst van beschuldigd werd zich door de Haagse politie een revolver te hebben laten aansmeren 'om werklozen neer te kunnen schieten'.

Het stond in het communistische dagblad De Tribune van 2 oktober 1930. De 'sociaal-fascist' Drees zou het wapen hebben gekregen om zich te beschermen tegen wanhopige, werkloze arbeiders. Een bewijs, vond de krant, dat sociaal-democraten inderdaad de gewraakte slippendragers van het kapitaal waren, maar al te graag bereid om de vuile werkjes voor de bourgeoisie op te knappen. “Maar laat het deze gewapende fascisten voor gezegd zijn”, waarschuwde De Tribune, “dat de dag van de afrekening komt en dat de arbeiders ook de middelen vinden zich te beschermen tegen hun revolvers.”

Alleen al vanwege zo'n anekdote is het de moeite waard dat Maarten Brinkman een boek heeft toegevoegd aan het zo langzamerhand omvangrijke oeuvre over onze 'nationale wethouder' en minister-president Willem Drees. Het zegt iets over de holle retoriek waarmee de toenmalige communisten zich roerden. Het zegt ook iets over de laconiekheid van Drees, die het betreffende bericht doodgemoedereerd heeft uitgeknipt en voorzien van een hem typerend sober commentaar: 'zuiver fantasie'.

Maar het groteske verhaal in De Tribune is vooral interessant omdat die een gevoeligheid in de sociaal-democratie blootlegt, die in Brinkmans boek regelmatig aan de orde komt: de angst in die gelederen om gebruikt, c.q. misbruikt te worden als schaamlap en als schild voor het kapitaal. Dat Brinkman op dit thema stuit ligt voor de hand. Zijn boek is een proefschrift, waarin hij zich ten doel stelt Drees vooral te portretteren als partijman. Hoe trad hij op in de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en later in de Partij van de Arbeid (PvdA)? Hoe Drees zich als wethouder, Kamerlid en minister-president teweer heeft gesteld, valt buiten het bestek van de studie.

Hoe het zij, juist dankzij die beperking krijgen we een uitstekend beeld hoe Drees in zijn partij opereerde en onvermijdelijk ook te maken kreeg met de gevoeligheden aldaar. Hoe ging hij daarmee om? Was het eigenlijk wel zo'n overtuigde sociaal-democraat? Brandde het socialistische vuur wel fel genoeg in hem? Kennelijk roept en riep de persoon van Drees zulke vragen op, en lang niet alleen in vroeger jaren. Amper tien geleden, in 1984, wijdde de toenmalige Parool-journalist Harry van Wijnen een boek aan Drees, waarin hij meende te moeten aantonen dat Drees wel degelijk een socialist was van het zuiverste water.

De twijfel ligt ook voor de hand. In de cliché-verhalen en trouwens ook in het boek van Brinkman blijkt Drees telkens weer een uitgesproken saaie man. Sober, op de penning, realistisch, altijd bereid met een compromis genoegen te nemen. Drees, zo lijkt het, is in alle opzichten de vertegenwoordiger van de jaren vijftig die - terecht of ten onrechte - als weinig opwindend in het collectieve geheugen zijn weggezet. Die Drees kwam in botsing met Nieuw Links en toen hij mede om die reden later in de jaren zeventig bedankte voor de PvdA, lijken we hem met een gerust hart als waarachtige sociaal-democraat af te kunnen schrijven.

Tenminste, zo vergaat het Drees in het clichématige, door overspannen linkse geesten vertelde verhaal. Het is daarom frappant om in Brinkmans boek te lezen dat diezelfde Drees in werkelijkheid door de jaren heen tegen dit vooroordeel blijkt te zijn opgelopen. Zo stond de succesvolle wethouder van Den Haag in 1926 op de nominatie om partijvoorzitter te worden, maar het kwam er niet van. Men vond hem bij nader inzien 'eigenlijk niet de figuur die we moeten hebben'. Wel bekwaam, maar 'toch niet de man, die wij geheel de partij kunnen presenteren'. “Alleen ingewijden weten wat men aan Drees heeft.” Zou hij wel in staat zijn een speech te houden voor een talrijk publiek? Zou hij opgewassen zijn tegen de leiders van het NVV?

Ondertussen, lezen we in Brinkmans zorgvuldige en sobere rapportage, ging Drees onverstoorbaar zijn gang. Bij hem geen spoor van twijfel, overtuigd van zijn gelijk dat sociaal-democratische beginselen nog het beste gediend zijn met een gematigde opstelling en met een gestage bereidheid met wat toen nog heette andersdenkenden samen te werken. Zo jong als hij was, Drees liet zich het hoofd niet op hol brengen door de revolutionaire woelingen kort na de Eerste Wereldoorlog. Waar Troelstra de fatale inschatting maakte dat Nederland wel eens rijp zou kunnen zijn voor de revolutie, noemde Drees dit 'irreëel'.

Met zijn nuchtere, zakelijke instelling was Drees bij uitstek geknipt voor het wethouderschap in een stad als Den Haag. In die rol zag hij kans respect af te dwingen bij het gewone kiezersvolk en bij zijn politieke tegenstanders. Er bestond waardering voor zijn inzet resultaten te willen boeken voor de gewone man en waardering ook voor zijn bereidheid genoegen te nemen met wat Joop den Uyl later zou noemen de smalle marges van de democratie. Drees groeide uit tot een monument van de stad Den Haag. De liberaal getinte Haagse Courant kwam zelfs woorden te kort om zijn vertrek te betreuren, toen hij het wethouderschap inruilde voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer.

Een uitstekend bestuurder dus, die Drees. Maar het zal altijd wel een vraag blijven of dit genoeg was om uiteindelijk het partijleiderschap te verwerven. Daarvoor was socialistisch vuur nodig. In terzijdes van Brinkmans boek lezen we wel dat Drees bij vlagen vurige toespraken kon houden en zelfs emoties kon tonen, maar of de vonk echt oversprong, weet ook Brinkman niet te melden.

Dat Drees desondanks de onbetwistbare nummer één werd heeft hij ongetwijfeld aan het intermezzo van de oorlog te danken. In die jaren gaf hij van meet af aan blijk van een onwankelbare opstelling. Drees had ook direct in de gaten dat je met de vijand beter geen zaken kon doen, een lijn die elders nog wel gevolgd werd. Als prominente Nederlander belandde hij tot twee keer toe in het gevang, zag kans weer vrij te komen, gaf vanuit de illegaliteit leiding aan de partij en drukte zijn stempel op de discussie over partijvernieuwing.

In die discussie bewees Drees dat hij naast een goed bestuurder vooral ook een principieel sociaal-democraat was. Hij was voor vernieuwing, voor een doorbraak ook, maar de nieuwe PvdA moest toch meer lijken op de oude SDAP, en zich niet richten naar de wensdromen van de Nederlandse Volksbeweging. Het is typerend voor de PvdA dat de partij ook toen nog aarzelingen behield over Drees' leiderschap. In 1952 kwam die aarzeling tot uitdrukking toen er een discussie ontstond wie de lijst zou moeten aanvoeren en er veel stemmen opgingen voor een gedeeld lijsttrekkerschap,

Zo rijst uit het boek een beeld op van een man die eerder een overtuigd dan een bevlogen socialist was, veeleer man van rustige daadkracht dan van grote woorden. Socialistische beginselen vormden weliswaar de leidraad bij zijn handelen, maar als weinig anderen kende hij de grenzen van wat haalbaar was. Fascinerend om te zien dat dit voor een partij als de PvdA kennelijk niet genoeg is. Naar veler overtuiging plengde hij toch te weinig reukoffers op het altaar van het socialisme. Soms is dat begrijpelijk, bijvoorbeeld als je kijkt naar de Indonesië-politiek. Ook Drees had daarover zijn twijfels, maar hij weigerde de consequentie te trekken door in de oppositie te gaan. De sociaal-democratie zou daarmee naar zijn overtuiging niets zijn opgeschoten.

Meestal echter was die twijfel over Drees ten onrechte. Jarenlang waren de krachtsverhoudingen zo dat de sociaal-democratie buiten de deur werd gehouden en de SDAP zich ook buiten de deur liet houden. Het gelijk van Drees is dat hij onder die omstandigheden de voorkeur aan de smalle marges van het meeregeren gaf. Die instelling maakte van hem ook een minister-president van formaat.

De tragiek van Drees is dat hij in de jaren zeventig toch weer ingehaald werd door scepsis in zijn eigen partij. Hij kwam in botsing met Nieuw Links. Drees ook ergerde zich aan de manier waarop de PvdA zich permitteerde overheidsgeld over de balk te smijten. Hij trad uit de partij, nadat zijn zoon hem was voorgegaan met de oprichting van DS70.

De ironie van de geschiedenis is dat je achteraf moet vaststellen dat Drees te vroeg uit de partij is gestapt. Onder leiding van Kok is de PvdA weer helemaal terug bij de PvdA in de hoogtijdagen van Drees.

Hoe dan ook, Drees heeft nogal wat te stellen gehad met zijn partij. Het zou de moeite waard zijn geweest als Brinkman die spanningen scherper in beeld zou hebben gebracht, meer voelbaar zou hebben gemaakt en dieper zou zijn ingegaan op de achtergronden daarvan. Analyse en dramatiek zijn niet zijn sterkste kanten. Het boek is vooral een zorgvuldig en soms wat al te uitputtend feitenrelaas, waarin een echte analyse van gebeurtenissen niet uit de verf komt. Dat is de leesbaarheid niet ten goede gekomen. Daar staat tegenover dat het feitenmateriaal zo overstelpend is dat de lezer zelf gemakkelijk conclusies kan trekken. En dat is nooit weg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden