Zuiden stond kort na de bevrijding op rand van onbestuurbaarheid 'De Jong onderschat rol van het verzet bij val van tweede kabinet-Gerbrandy'

NIJMEGEN - De overgang naar een vredesmaatschappij verliep na de Tweede Wereldoorlog in Nederland verre van naadloos. Het beeld van een snelle terugkeer naar de maatschappij van voor de oorlog is onjuist. Het zuiden van ons land kende vlak na de bevrijding een periode waarin het op de rand van onbestuurbaarheid balanceerde. Dat concludeert de Nijmeegse historicus H. Termeer na onderzoek van de oud-illegaliteit in bevrijd Zuid-Nederland.

TON BENNINK

Er ontspon zich een strijd tussen de burgerlijke gezagsdragers van voor de Tweede Wereldoorlog en de voormalige illegaliteit, die uiteindelijk het tweede kabinet-Gerbrandy ten val brengt. Termeer beschrijft zijn bevindingen in zijn boek 'Het geweten der natie; de voormalige illegaliteit in het bevrijde zuiden september 1944-mei 1945', waarop hij woensdag promoveert aan de universiteit van Nijmegen.

L. de Jong laat in zijn standaardwerken 'Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog en verzet en illegaliteit 1940-1945' behoorlijk wat steken vallen, zegt Termeer. “Er gebeurden hele rare dingen in het zuiden. De Jong doet het voorkomen alsof het militaire gezag met een blauwdruk voor het na-oorlogse Nederland naar het bevrijde zuiden kwam. Maar in werkelijkheid waren het militaire commissarissen die zo snel mogelijk contact moesten zoeken met burgemeesters en politiecommissarissen om te zorgen dat er arrestaties en zuiveringen plaatsvonden. Dit in de veronderstelling dat het een paar dagen zou duren, voordat de rest van Nederland bevrijd werd en dat de burgerlijke bestuurders de zaak zouden overnemen. En dat werkte niet”, meent Termeer, die ruim twaalf jaar aan zijn onderzoek werkte.

Wat volgt is een chaotische periode die meer overeenkomt met de bevrijding van Frankrijk, waarin gedurende enkele maanden raden van het verzet het bestuur voor hun rekening namen. Termeer:“ De oudillegaliteit zocht in het zuiden de oppositie. Dat was helemaal niet de bedoeling, maar ze zagen dat er niks aan de zuiveringen gedaan werd. Hadden ze daarvoor hun leven op het spel gezet? Ze werden dus gedwongen om in actie te komen. Er moesten mensen opgepakt worden. Dat was levensgevaarlijk, want overal zaten spionnen en het Duitse front was vlakbij. Maar het burgerlijke bestuur en het militaire gezag was een zootje. De Binnenlands strijdkrachten (BS) pakte mensen op en droeg ze over aan de politie, die ze vervolgens weer vrijliet. De BS pakten ze vervolgens weer op en uiteindelijk kwam de BS'er die de arrestatie verrichtte, achter de tralies. Maatjes uit de BS bevrijdden hem dan weer.”

Deze tegenstelling tussen oud - bestuurders van voor de oorlog - en nieuw - de oud-illegaliteit - zorgt voor een tweedeling in het gezag. Daardoor ontstaan in diverse zuidelijke steden comités van oud-illegalen. De oude burgerlijke autoriteiten moeten volgens hen het veld ruimen en er moet met de zuiveringen begonnen worden. Die signalen bereiken uiteindelijk het hoofd van het militaire gezag, H. J. Kruls. Hij verandert oktober 1944 van koers en geeft zijn militaire commissarissen opdracht om contact te zoeken met de leiders van de plaatselijke oud-illegaliteit. 'Zuiver het burgerlijke bestuur en probeer zoveel mogelijk capabele mensen uit de voormalige illegaliteit te verzamelen', luidt de nieuwe opdracht.

Termeer: “En dan wordt voor de tweede keer het militaire gezag gevestigd. Maar nu pas succesvol. Daarvan is geleerd. Want bij de bevrijding van de rest van Nederland worden de fouten uit het zuiden niet meer gemaakt. Daar wordt meteen contact gezocht met de voormalige illegaliteit. 150 underground officers worden met het militaire gezag meegestuurd om contact te leggen met de voormalige illegaliteit. Men was als de dood voor het linkse radicale verzet in het noorden.” De tegenstelling tussen oud en nieuw doet zich in de beginperiode van de bevrijding van Nederland niet alleen op plaatselijk niveau plaats voor, stelt Termeer. In Londen wordt, terwijl de oorlog nog in volle gang is het eerste kabinetGerbrandy gevormd, een oorlogskabinet. Problemen ontstaan er bij het tweede kabinet-Gerbrandy, dat grotendeels uit vertegenwoordigers van de oude politieke partijen bestond. Termeer: “Die lui wilden in september na de gedeeltelijke bevrijding van Nederland zo snel mogelijk naar het zuiden. Eerst verbood de geallieerde legerleiding dat. Wat moeten die lui hier, we zitten nog volop in de strijd, dachten ze. Vervolgens werkten koningin Wilhelmina en prins Bernhard er volop aan mee dat ze nog een tijdje in Londen bleven. Uiteindelijk mochten op 25 november 1944 vier minister-kwartiermakers naar het zuiden afreizen. Die vonden dat het uit de hand liep. Ze zagen de samenwerking tussen de oud-illegaliteit en het militaire gezag absoluut niet zitten.”

Het zuiden balanceert in de periode december 1944, januari 1945 op de rand van onbestuurbaarheid, stelt Termeer. Er komt een natuurlijke coalitie tussen de leden van het kabinet-Gerbrandy en de vooroorlogse bestuurders. Doel is zo snel mogelijk een einde te maken aan de samenwerking tussen het verzet en het militaire gezag.

De oud-illegaliteit bestaat voornamelijk uit gewone burgers en die hadden zich nergens mee te bemoeien, meenden de minister-kwartiermakers. Dat leidt uiteindelijk tot de val van het tweede kabinet-Gerbrandy. De ministers en het militaire gezag zagen aan elkaars stoelpoten. De bom barst, als het kabinet plannen lanceert om het militaire gezag de arrestatiebevoegdheid af te nemen. Die moet ondergebracht worden bij de baas van de politie, Speyart van Woerden, met wie het voormalige verzet bonje heeft.

Bovendien verklaart minister J. Burger in een rede dat alleen mensen die fout zijn geweest, opgepakt moeten worden en niet diegene die fouten hebben gemaakt. Het hoofd militaire gezag, Kruls, trekt op 23 januari 1945 naar Londen. Hij heeft drie documenten in zijn koffertje. Een rapport van pater L. Bleijs van de Limburgse tak van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO) waarin de vloer wordt aangeveegd met de minister-kwartiermakers. Ze worden volgens Bleijs door niemand meer vertrouwd.

Bovendien klaagt de voormalige illegaliteit Burger aan. Zijn rede was een klap in het gezicht van het verzet. En als klap op de vuurpijl heeft Kruls in zijn bagage een dreigement van het verzet om Speyart van Woerden te ontvoeren.

Termeer: “Dat gaf Wilhelmina voldoende ammunitie om het tweede kabinet-Gerbrandy naar huis te sturen. Ze was al langer bezig met de vorming van een nieuwe regering waarin meer plaats was voor leden uit het voormalige verzet, maar angst voor verwijten van autocratisch handelen zorgde ervoor dat ze het oude kabinet niet naar huis wilde sturen.”

“Mijn kritiek op de geschiedschrijving van De Jong is dat hij het doet voorkomen alsof het kabinet van ellende uit elkaar viel. Hij kent de illegaliteit geen enkele rol toe bij die kabinetscrisis en dat is onjuist. Hij noemt het rapport van Bleijs wel, maar hij schrijft alleen dat de koningin daarmee gesterkt werd in haar opvatting. De vraag blijft dan, waarom ze het kabinet niet eerder naar huis stuurde. Mijn antwoord is dat ze de kritiek van het voormalige verzet nodig had als basis om de ministers ontslag aan te zeggen.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden