Zuidelijke klassieken

Het Rijksmuseum Twenthe maakt een inhaalslag. De Noordelijke Nederlanden vergaten de klassieke oudheid in de schilderkunst. In het Zuiden was dat anders.

Het neoclassicisme had weinig vat op de Noordelijke Nederlanden. Maar in de Zuidelijke Nederlanden bestond behoorlijk wat belangstelling voor de klassieke Oudheid. Het Noord-Nederlandse schildersklimaat was in de tweede helft van de achttiende eeuw wat suffig. Tegelijkertijd stonden tal van Belgische schilders in die tijd in Parijs voor een internationale doorbraak. Let wel, dat was op een moment dat van een definitieve scheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden geen sprake was. Noord- en Zuid-Nederland gingen in 1830 uit elkaar. Met het neoclassicisme was het toen al praktisch gedaan, ten gunste van de romantiek. De Noord-Nederlandse schilders deden daar wel dapper aan mee. Het was een reden dat we in het huidige Nederland lange tijd verstoken bleven van informatie over de schilderskwaliteiten in het zuiden.

Voor de Belgische neoclassicisten waren Parijs en Rome het Mekka van hun dromen. Vooral in Frankrijk met zijn beroemde meesters als David, Ingres en Girodet Roussy-de Trioson bestond voor de schilders grote waardering. Zij hadden hun geboortestad ingewisseld voor een verblijf aan de oevers van de Seine of de Tiber, maar ze keerden altijd weer terug naar hun vaderland. Ze kwamen vooral uit Brugge, een levendige stad op schildersgebied. Niet veel deed daar destijds nog aan de Vlaamse Primitieven denken. Het Groeningemuseum in deze stad (bij ons juist vermaard om zijn werken van Memlinc, Van Eyck en Van der Goes ) heeft er een grote collectie neoclassicistische schilderijen aan overgehouden.

Het Brugse museum moet zowat kaal zijn geplukt nu belangrijke delen van de collectie in Enschede te zien zijn. Het Rijksmuseum Twenthe, dat zich graag toelegt op 18de eeuwse schilderkunst, biedt onder de titel ’Joseph Benoît Suvée en het neoclassicisme’ een helder maar net niet voldoeninggevend overzicht van het Brugse neoclassicisme. Dat komt vooral omdat het Twents museum zich geheel verlaten heeft op het Brugse museum. Met als gevolg dat de kijker zich afvraagt wat er toch aan neoclassicisme in steden als Antwerpen, Brussel, Luik en Namen werd gepresteerd.

Nou, zo zegt men in Enschede, Antwerpen hield te zeer vast aan de Vlaamse traditie, van barokschilders als Rubens, Van Dijck en Jordaens. Toch zijn er genoeg Brugse neoclassicisten die naar een attractieve mix streefden van zowel Rubens en Van Dijck als van de Franse neoclassicisten die ze als hun leermeesters in hun Parijse jaren zagen. Neem Jan Anton Garemijn, die van zijn geboorte in 1712 tot zijn dood in 1799 leefde in Brugge. Hij maakte daar de hele periode van het neoclassicisme door. Garemijn is in menig schilderij met volkse scenes dat hij met een helder en levendig koloriet opzette, schatplichtig aan Joachim Beuckelaer die twee eeuwen eerder leefde.

Door in de titel van de tentoonstelling een schilder met naam te noemen, lijkt het er op alsof deze ten voorbeeld stond aan de hele beweging. Als het om Suvée gaat kun je dat ook gemakkelijk beweren. Hij ging in de leer bij Matthias de Visch op de Brugse kunstacademie. Hij zou zijn tijd aan de Brugse academie nog goed herinneren, toen hij in 1791 een prachtig doek met de titel ’De ontdekking van de tekenkunst’ maakte dat een plek in het schoolgebouw moest krijgen. Suvée baseerde zijn schilderij op een historisch verhaal. Daarin legt Dibutades als dochter van een pottenbakker het profiel van haar vader, dat als een schaduw op de muur valt, met een pen vast, waarmee zijn nobele trekken behouden kunnen blijven ook als hij eenmaal vertrokken is.

In 1763 maakte hij in zijn ontwikkeling naar volwassen schilder een beslissende stap door zich in Parijs op twee academies in te schrijven. Hij kwam daar in aanraking met Jean-Jacques Bachelier, die destijds behalve kunstdocent ook directeur van de beroemde porselein manufactuur in Sèvres was. Nadien kreeg Suvée zoveel erkenning voor zijn schilderstalent dat hij zelfs gevraagd werd om de leiding op zich te nemen van de Académie de France in Rome, een post die normaal gesproken nooit aan een niet-Fransman zou worden toebedeeld.

Meer nog dan in Parijs kon Suvée in Italië zijn hart ophalen aan de resultaten van de opgravingen in Pompeï en Herculaneum, twee antieke steden die in de 18de eeuw uit het stof en de lava werden ’opgediept’. Ook de veldtocht van Napoleon naar Egypte in wier voetspoor ook architecten en kunstenaars mee gingen, kreeg de aandacht van Suvée. Het aantal ruïnes in zijn tekeningen is bijzonder groot.

Maar Suvée heeft in Brugge zeker twee keer een evenknie gevonden in Franciscus Josephus Kinsoen (1771-1839) en Joseph Denis Odevaere (1775-1830). Zij kenden alle drie waardering voor de kunst van de Oudheid die ze in composities vol strenge ordening met gebruik van een sober kleurenpalet en prachtige licht-donker werking kenbaar maakten. Tegelijk wisten ze de roem die ze met deze classicistische schilderijen verwierven, te verzilveren met een lange rij portretopdrachten. Maar als ze dit genre beproefden bleef er van hun neoclassicistische aanpak niet veel over. Vrouwen werden uitgebeeld in alles verhullende, maar bekoorlijke gewaden, zo heel anders dan de halfnaakte jongelingen die in de mythologische of historische voorstellingen opdraven. Voor zover bepaalde figuren niet ten voeten uit geportretteerd wilden worden, vielen dergelijke opdrachten eigenlijk altijd binnen de kaders van een klein passe partout uit. Het heeft er veel van weg dat het neoclassicistisch portret ten-voeten-uit (denk aan David, Ingres en Houdon) was voorbehouden aan de Europese vorsten, de adel en andere adellijke figuren. De Brugse neoclassicisten waren bij het portretschilderen hun lessen in burgerlijke deugdzaamheid nog lang niet vergeten. Het is diezelfde deugdzaamheid die zo lang in de West-Europese schilderkunst van de 19de eeuw bleef doorwerken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden