Zou het ooit nog goed komen tussen de Friezen en Slauerhoff?

Leeuwarden heeft niets met Slauerhoff, net zomin als Slauerhoff iets met Leeuwarden had. Zelfs na honderd jaar kan de Friese hoofdstad Jan Jacob niet in het hart sluiten. Slechts één gedenkplaat is gewijd aan de grote dichter, die - en dat als troost voor de Friezen - zich nergens bleek thuis te voelen.

Ergens tussen de geboortehuizen van dichter François - Piet Paaltjens - Haverschmidt aan de Voorstreek 80 en danseres/spion Mata Hari aan de Kelders 33 stond de wieg (Voorstreek 33) van de man die door het weekblad de Groene Amsterdammer ooit de 'Rimbaud van Leeuwarden' werd genoemd. Vader Slauerhoff, net als vader Haverschmidt afstammeling van Duitse emigranten, vestigt zich in 1892 op dit nummer als zelfstandig behanger/stoffeerder. Als de zaken goed gaan verhuist het gezin Slauerhoff in 1906 naar de overkant van het grachtje en vervult vader Slauerhoff zijn droom: een eigen winkel, aan de Voorstreek 26.

Jan Jacob heeft heel andere dromen. Bij een boven de schoorsteenmantel hangende plaat met palmbomen, tijgers en vreemde letters mijmert hij over verre, vreemde landen. Leeuwarden heeft hem niets te bieden en zo ontluikt hier de soms bittere melancholie, de hang naar een verre paradijselijke plek die zijn latere leven en literaire werk zal kenmerken.

Zijn veelvuldige astma-aanvallen nopen zijn ouders Jan Jacob 's zomers naar Vlieland te sturen waar een broer van zijn moeder woont. Die leert hem zeilen en navigeren. En hier krijgt zijn verlangen naar verre oorden een omlijnder gestalte: zeeman lijkt hem wel wat. Want ondanks een Vlielandse jeugdliefde denkt Jan Jacob maar aan een ding: wegwezen. Leeuwarden vindt hij niets, het ouderlijk huis 'duf en stug', zo meldt zijn gedicht Jeugdherinneringen. En ook Vlieland vindt hij saai. Ik was vroeger op een eiland waar het aankomen van de postboot eenmaal daags door de gehele bevolking werd bijgewoond - als een plechtigheid, schrijft hij later. En zeeman wordt hij als hij na zijn artsexamen als scheepsdokter in de Oost gaat varen op de Java-China-Japanlijn. Dit alles schiet door mijn hoofd als ik zoek naar een aanwijzing van zijn aanwezigheid op zijn geboortehuis. Maar dit inmiddels tot winkel voor gehoorapparaten omgetoverde pand, ingeklemd tussen pizzeria en fourniturenhandel, geeft geen enkele herinnering prijs. Aan de overkant, op nummer 26, staat zijn naam op een uithangbord: Slauerhoff Interieur, hetgeen in ieder geval nog aan zijn vaders stiel herinnert. En in de wand van die winkel in design-meubelen is zijn beeltenis aangebracht met het begin van zijn gedicht 'Woninglooze': Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, Nooit vond ik ergens anders onderdak.

Alleen de havens zijn ons trouw, schrijft hij in 'Havensteden' en ik realiseer me om me heen kijkend dat tussen 'Rio in haar aardsch paradijs', 'Reykjavik aan zijn rookige baai', 'Hongkong in rotsen blank en grijs', 'Port Said, hoofdstad van dief en hoer' en 'Het geel en smoorheet Singapoer' Leeuwarden ook niets te zoeken heeft.

Zou het ooit nog goed komen tussen de Friezen en Slauerhoff? Dat moet toch kunnen na honderd jaar en ik loop, met in mijn hoofd de klanken van de Gebroeders Flint, die ooit enkele gedichten van Slauerhoff op muziek hebben gezet, via het advocatenkantoor van dichter-politicus P.J. Troelstra op de hoek van Weerd en Nieuwestad, het geboortehuis van Havank aan de Wirdumerdijk, het woonhuis van Simon Vestdijk op de hoek van de Willemskade en Zuiderstraat naar het Zaailand. Hier, op een vaag en hopeloos soort van plein (volgens Vestdijk) is de Rijks-HBS gevestigd waar Slauerhoff en leeftijdgenoot Vestdijk (ook van 1898) hun middelbare-schooltijd hebben doorgebracht. Die tijd heeft Vestdijk beschreven in zijn roman 'De andere school' (1949), Slauerhoff heeft er daarentegen met geen woord over gerept. De school blijkt tussen de totstandkoming van de wandeling (1987) en nu afgebroken en te hebben plaatsgemaakt voor een glanzend paleis van justitie.

Het ligt niet aan de Friezen. Ook met de rest van Nederland en de Nederlanders leeft Slauerhoff in onmin. In een van zijn gedichten laat hij luid en duidelijk blijken niet in Nederland te willen leven om er steeds zijn lusten te moeten reven. Evenmin wil hij in Nederland sterven en in de natte grond bederven. Die aversie is wederzijds, zijn literatuur wordt door de toenmalige kritiek de grond in geboord. Het versterkt alleen maar zijn diepe ongenoegen met alles en iedereen. Steeds meer uit zich het verlangen zich te onttrekken aan de mensheid, zich af te zonderen in een andere wereld. Die andere wereld gloort al snel: op 38-jarige leeftijd blaast hij, geveld door een zwak gestel en slopende ziekten zijn laatste adem uit. In Nederland (verzorgingshuis Villa Carla in Hilversum).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden