'Zorgelijk, die blikvernauwing'

Bij de opening van het academisch jaar, maandag, houdt president Robbert Dijkgraaf van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen een hartstochtelijk pleidooi: minder hokjesdenken, meer dwarsverbanden. Tussen kunst en wetenschap bijvoorbeeld.

'Nanotechnologie stelt ons in staat alles te maken wat we willen, 3D-printers kunnen elke vorm in elk materiaal vervaardigen. We kunnen liggend in de achtertuin alle grote musea ter wereld bezoeken. Er openbaart zich in onze tijd een enorme ruimte, in termen van kennis en technologische mogelijkheden. Maar helaas leidt dat niet tot een drang tot exploreren en experimenteren, maar tot een soort collectieve pleinvrees.

"Wat hebben we nodig, om een plaats te verwerven in de wereld van nu, maar ook in de wereld van de komende twintig, dertig jaar? Een belangrijke vraag, waar we volgens mij een veel te bescheiden antwoord op hebben. Ons antwoord luidt vooralsnog: 'O jee, jongens, niet uit de bocht vliegen. Het kan allemaal wel wat minder. Vooral niet te veel gekke bewegingen maken'. Die houding vormt een wrang contrast met de wereld waarin we leven, een wereld van overvloed.

"Nanotechnologie, genetische manipulatie, we beginnen ons te realiseren dat de hele wereld uit Lego-steentjes bestaat. Dat is ook voor de kunst een fantastisch moment. Want we worden allemaal ontwerpers. Maar wat willen we bouwen? Aan de ene kant zie je die ontwikkeling dat er technologisch zoveel mogelijk is, aan de andere kant zie je dat de wereld als het ware aan een soort blikvernauwing gaat leiden. Want het moet wel onder controle worden gebracht. Dat baart mij zorgen.

"Het gekke is: in vroeger tijden werden mensen wél met een brede blik opgeleid. In de zeventiende eeuw bestond nog het renaissancistische ideaal van de homo universalis, de mens die zich op uiteenlopende terreinen ontwikkelt. Daardoor was de cultureel-maatschappelijke vorming heel breed, heel inclusief. Alles liep heel makkelijk in elkaar door. Dat kwam denk ik ook doordat er in die tijd gewoon nog niet zoveel mogelijk was. Je kon prima op zolder een natuurkundig proefje doen, je telescooplens slijpen, 's middags luit spelen, en dan 's avonds een waarneming doen van een planeet.

"Nu zijn al die disciplines geprofessionaliseerd. Er zijn opleidingen voor, en instituten. Elk vakgebied vereist jarenlange specialisatie. Dat maakt wetenschappers tot een soort mollen, die elk in hun eigen discipline hun eigen gangenstelsel graven. Als deeltjesfysicus leef ik ook in zo'n gang. Bijna letterlijk: de deeltjesversneller waaromheen het internationale natuurkundige onderzoek zich concentreert is een ondergrondse gang van 27 kilometer. In totaal werken er aan dat project zo'n 20.000 wetenschappers mee. En die zien bij wijze van spreken nooit het daglicht. De kennis die zij hebben, is zo specifiek, dat enkel specialisten het nog kunnen volgen. Tegelijkertijd wordt de impact van hun onderzoeksresultaten groter. Daarmee groeit de noodzaak van een soort integratie.

"Naar mijn gevoel besteden we meer aandacht aan het graven van nieuwe mollengangen, dan aan het creëren van overzicht en dwarsverbanden tussen de stelsels. Dat kan ook niet elke wetenschapper doen. Een universele mens worden op de renaissancistische manier, is in deze tijd onhaalbaar. Je moet niet aan mollen vragen om boven het weiland te gaan zweven. Maar als collectief, als samenleving, zouden we het wél voor elkaar moeten krijgen.

"We leven in een tijd waarin grenzen wegvallen. Grenzen tussen disciplines, landen, culturen - we hebben ze nog nooit zo makkelijk kunnen overstijgen als vandaag. En morgen zal het nog makkelijker zijn. Maar hoe reageren we daarop?

"Het lijkt of we er in hetzelfde tempo nieuwe grenzen voor in de plaats willen zetten. We gaan dingen nog strakker regelen. Organisatiestructuren nog meer verfijnen, nieuwe schotjes optrekken tussen disciplines. De tolerantie voor fouten neemt af. Alles is erop gericht om dingen in voorspelbare banen te leiden. Dat heeft een voordeel: je komt niet voor onaangename verrassingen te staan, want onbegrensdheid is wel erg duizelingwekkend. Maar het nadeel is dat je je flexibiliteit kwijtraakt.

"Een natuurkundige beschreef vroeger verschijningsvormen van materie, zoals hij die in de natuur vond. Mineralen, gassen, vloeistoffen. Nu kan hij die materie zelf maken - molecuul voor molecuul, atoom voor atoom. Maar dan moet je jezelf wel de vraag stellen: wat ga ik maken? Wat is eigenlijk een interessante vraag? Want alles kan.

"Daar kan de kunst een belangrijke rol bij spelen. Wetenschappers redeneren doorgaans vanuit het materiaal, maar wat betekent het om iets te maken? Veel kunstenaars zijn zich bewust van wat technologie vermag. Het feit dat we radicaal kunnen gaan ingrijpen in de wereld en in ons lichaam. De kunst reflecteert op wetenschap en technologie, maar komt ook met nieuwe impulsen. Die werelden grijpen nu in elkaar. Voorlopig is dat nog niet erg zichtbaar. Maar als je wat meer afstand neemt, is het een duidelijke trend. Als je het versneld zou zien, zou je zeggen: het geeft een intense botsing.

"Toch wordt dit niet van hogerhand gestimuleerd. Integendeel: mensen dienen vooral in hokjes te blijven. Een student scheikunde wordt niet geacht een sculptuur te maken. Sterker nog: zelfs als hij eens een vak kunstgeschiedenis zou willen volgen, stuit hij veelal op onbegrip en bureaucratische rompslomp. Het kabinet heeft maatregelen aangekondigd tegen het doen van meerdere studies tegelijkertijd. Een tweede studie wordt twee keer zo duur.

"Zelf ben ik na de studie natuurkunde overgestapt naar de Rietveld Academie. Dat is een leerzame periode geweest. Ik ontdekte parallellen tussen het maken van een schilderij en een som. De worsteling die je doormaakt om aan een idee gestalte te geven in materie, en ook oog te houden voor dat wat tijdens het werkproces toevalligerwijs ontstaat. Na die periode heb ik me met meer overgave in de wetenschap kunnen storten en carrière kunnen maken.

"Het is van cruciaal belang dat we ruimte organiseren voor laboratoria. Vrijplaatsen om te experimenteren, waar mensen buiten vaste kaders kunnen denken. Voor kinderen is het belangrijk te kunnen spelen. Voor een maatschappij geldt hetzelfde.

"Zowel in de wetenschap als in de kunsten zijn er ideeën geweest die onze samenleving op een ongekende manier hebben bepaald. Dat gebeurde nooit via voorspelbare wegen. Ik kan wel voorspellen dat er nieuwe briljante ideeën komen, maar ik kan vooraf niet zeggen van wie, of zelfs uit welke hoek ze zullen komen. Wat ik wel kan zeggen is dat de ruimte waar zulke ideeën tot stand kunnen komen, onder druk staat.

"In de tijd dat wetenschap bestond uit een paar individuen die aan één of ander hof voor een hertog experimentjes aan het doen waren, was er voor onderzoekers veel vrijheid. Anno nu is wetenschap kostbaar en grootschalig. Bedrijven, overheden en burgers willen weten waar het goed voor is. Wat het op zal leveren. Wetenschappers moeten tegenwoordig vooraf uitleggen wat de directe toepasbaarheid van hun onderzoeksresultaten zal zijn.

"In de kunst geldt iets vergelijkbaars: men wil direct resultaat zien. Er moet een groot publiek worden getrokken. Het moet aan verwachtingen voldoen, het moet geld genereren, stel je voor dat het in eerste instantie enkel geld zou kosten.

"In een laboratorium kun je dingen testen, die uiteindelijk een rol gaan spelen in de samenleving. Dat kunnen ze onmiddellijk doen, maar ook over vijftig jaar. Op de schaal van een mensenleven is dat lang. Op de schaal van beleidsmakers is het een lichtjaar. Maar op de schaal van het grote geheel, de ontwikkeling van de wetenschap en de samenleving, is het één keer knipperen met je oog.

"Honderd jaar geleden bestudeerde men in laboratoria het elektron. Dat was een vreemd deeltje, waarover nog niet veel bekend was. Daar hielden wetenschappers zich puur uit theoretische interesse mee bezig. Gewoon omdat ze wilden weten uit welke deeltjes de materie was gemaakt. Nu kennen we het woord enkel nog in de vorm van elektronica, die ons hele leven beïnvloedt - van televisie tot smartphone. De mensen die destijds met elektron-buisjes speelden, konden dat niet weten. Maar zonder het gewaagde gespeel van die nieuwsgierige mensen, had onze wereld er totaal anders uitgezien.

"Ander voorbeeld: vijftig jaar geleden verwonderden wetenschappers zich over de symmetrische structuren die ze in cellen aantroffen. Daar was een eigenaardig molecuul bij dat DNA heette. Toen zijn ze eens gaan kijken hoe dat in elkaar zit. Nu kennen we praktisch de hele moleculaire basis van het leven. Je kan geen medische toepassing meer bedenken die niet over moleculen gaat, of over genetisch materiaal. Er is bijna geen andere manier meer om over de mens en het leven na te denken.

"Sommige ideeën of onderzoeksresultaten hebben een incubatietijd. Als we de onvoorspelbaarheid van de vrije ruimte uit onze systemen bannen, dan werken we onszelf uiteindelijk tegen."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden