ZORG KOST TIJD

Een Amsterdamse huisvrouw: “Mijn man, die metselaar is, doet in een middag een muurtje en dan zegt iedereen: oh wat mooi zeg, dat muurtje, prachtig. Maar als jij ramen gezeemd hebt - dan ben ik een halve dag bezig en dat is nog levensgevaarlijk ook op drie hoog...- dan is er nooit iemand die zegt: potverdikkie zeg, wat heb je die ramen prachtig schoongemaakt. Maar het is toch veel meer werk dan dat muurtje en over twintig jaar zeggen ze nog steeds: mooi muurtje. Wat jij hebt gedaan is inmiddels alweer tachtigduizend keer smerig geworden en opnieuw weer schoongemaakt.”De filosoof Hans Achterhuis over het verschil tussen een raam zemen en een muur bouwen, tussen verzorgend arbeiden en productief werken: een beschouwing over het belang van de zorg. De interviews komen uit: Ineke Clement en Roel Plomp, 'Leven is meervoud van lef', in: Jurjen Beumer (red.), 'De kwaliteit van ons bestaan', Kampen 1994. Martin Schouten, 'Werk', Amsterdam 1978.

Aan dit oude verhaal voegde Casimir twee dingen toe. In de eerste plaats wees hij erop dat er in die tijd kennelijk geen milieu-activisten waren die tegen deze watervervuiling protesteerden. Ten tweede stelde hij dat de stalmeesters van de koning ongetwijfeld tevreden waren over de efficiëntie van de benadering van Heracles. Een andere oplossing voor het mestprobleem had er namelijk in kunnen bestaan de grote kudde te verspreiden over honderd boerderijen met elk dertig koeien. Het gecentraliseerde systeem met alle koeien bijeen maakte een enorme besparing aan personeel mogelijk.

Het beroemde verhaal van de uitmesting van de Augiasstal wil ik als uitgangspunt nemen voor een beschouwing over het belang van de zorg voor het in stand houden van mens en wereld. Mijn associaties daarbij heb ik te danken aan de Duits-Amerikaanse filosofe Hannah Arendt. In haar boek The Human Condition maakt deze een onderscheid tussen arbeid en werken. Bij het eerste gaat het om de activiteiten die ertoe dienen om het leven gaande te houden. Dit gebeurt zowel door het maken en gereedmaken van dingen voor direkte menselijke consumptie als door het beschermen van mens en wereld tegen de natuurprocessen van groei en verval. Arbeiden is in beide gevallen een cyclisch proces. Er komt nooit een einde aan. Hier ligt volgens Arendt ook de grootste tegenstelling met werken, het maken van dingen voor gebruik in plaats van verbruik, het bouwen aan een wereld die een zekere permanentie heeft. Werken kent een einde, als het produkt gemaakt is, is het werk af.

Vanuit het scherpe onderscheid tussen arbeiden en werken kijkt Arendt nu naar de reiniging van de Augiasstal. Zij wijst erop dat oude sagen en legenden vaak de neiging hebben om het zorgend onderhouden van de wereld te omgeven met het aureool van een heroïsche strijd tegen de natuur. Het geduldige, nooit aflatende van de zorgarbeid wordt zo verruild voor de eenmalige ingreep die iets blijvends tot stand brengt.

Dat gebeurt ook in de Griekse mythe. De reiniging van de Augiasstal is immers het vijfde van de twaalf grote werken van Heracles. In deze mythische visie wordt veronachtzaamd dat het gevecht dat het menselijk lichaam dagelijks moet voeren tegen de krachten van vernietiging, die de wereld met ontbinding en ondergang bedreigen, weinig gelijkenis vertoont met grote heldendaden. Er is volharding nodig om elke dag opnieuw de schade van gisteren te herstellen. De meedogenloze herhaling kan niet vervangen worden door één unieke ingreep.

“Helaas gaat het slechts voor de mythologische Augiasstal op dat hij schoon zal blijven, nadat het karwei van zijn grondige reiniging voor één keer is geklaard,” schrijft Arendt. Het verdere schoonhouden ervan, het behoeden van de wereld voor aantasting door natuurlijke processen, het beschermen van het menselijk leven tegen de gevolgen van ziekte en lijden en uiteindelijk tegen de dood, bestaat nu eenmaal uit moeilijke taken, uit het opknappen van eentonige, dagelijks terugkerende karweitjes, waar weinig heroïek aan af te lezen is.

Het onderscheid tussen arbeiden en werken maakt het begrijpelijk waarom het zorgen voor mens en wereld zowel in het verleden als het heden vaak zo laag gewaardeerd wordt. Een van de beroemdste uitspraken van Wittgenstein luidt: 'De filosofie laat alles zoals het is'. Ik betwijfel of dit voor alle filosofie geldt, maar voor veel zorgarbeid geldt een dergelijke uitspraak ongetwijfeld als onhaalbaar ideaal. Zorgen is een niet aflatende, op den duur altijd vergeefse strijd om de wereld, het menselijk lichaam en de menselijke relaties, te behoeden en te bewaren. Juist daarom is zorg vaak onzichtbaar. Helaas wordt het belang ervan meestal pas opgemerkt als zij afwezig is, als de vanzelfsprekendheid ervan doorbroken wordt.

De volgende uitspraak van een Amsterdamse huisvrouw in een interview met Martin Schouten laat het onderscheid, ook in maatschappelijke waardering, tussen de activiteiten van het zorgend arbeiden en het produktieve werken, goed uitkomen. “Het naarste is dat je altijd bezig bent, ook als je niet bezig bent. Dan ben je in gedachten nog bezig met dingen die je eigenlijk had moeten doen of die je nog zou moeten doen, dag in dag uit. Het zou leuker zijn als er wat meer waardering voor was, dan deed je het met wat meer liefde. Mijn man, die metselaar is, doet in een middag een muurtje en dan zegt iedereen: oh wat mooi zeg, dat muurtje, prachtig. Maar als jij ramen gezeemd hebt - dan ben ik een halve dag bezig en dat is nog levensgevaarlijk ook op drie hoog...- dan is er nooit iemand die zegt: potverdikkie zeg, wat heb je die ramen prachtig schoongemaakt. Maar het is toch veel meer werk dan dat muurtje en over twintig jaar zeggen ze nog steeds: mooi muurtje. Wat jij hebt gedaan is inmiddels alweer tachtigduizend keer smerig geworden en opnieuw weer schoongemaakt.”

Dat de Grieken zorg niet hoog in het vaandel hadden staan blijkt al uit de mythe van de Augiasstal. Het eenmalige scheppen van een produkt, het stellen van een grote daad, stond hoger in aanzien dan het behoedzaam omgaan met de wereld. Daar waren vrouwen en slaven voor.

Nog hoger in aanzien stonden het politieke handelen en de filosofische contemplatie in het klassieke Griekenland. Voor de beperkte groep van vrije mannen waren dit de bij uitstek menswaardige activiteiten. De Romeinen namen deze waarderingen in grote lijnen over.

Een aantal verhalen uit de evangeliën draait de zaken echter om. Het belang van de caritas, de barmhartigheid die zich uit in het concrete zorgen voor de medemens, wordt hierin beklemtoond. Met name het Westerse christendom gaat ver in deze opwaardering van de zorg. Tekenend daarvoor is de uitleg van de geschiedenis van Maria en Martha uit Lucas 10. Tegenover Martha die druk aan het redderen is om Jezus een goede ontvangst te bereiden, staat de figuur van Maria die luisterend aan de voeten van de Heer zit. Als Martha klaagt dat haar zuster haar voor het hele bedienen laat opdraaien, antwoordt Jezus dat zij zich onnodig druk maakt 'over vele dingen', terwijl slechts 'weinige nodig zijn, of slechts één'. Volgens Jezus heeft Maria dat ene gekozen, het goede deel waar alles om draait en dat niet van haar weggenomen zal worden.

Van meet af aan is dit verhaal geïnterpreteerd als een tegenstelling tussen de vita activa en de vita contemplativa, de actieve en de beschouwende levenswijze. Het interessante is nu dat in het Westerse christendom in tegenstelling tot de Oosterse traditie, de pointe van het verhaal komt te liggen op de zorgactiviteiten van Martha. Dit begint al met Augustinus. Voor hem representeren beide zusters twee stadia op de levensweg van de christen. Martha staat voor het leven van de ziel in de ruimte en de tijd, Maria voor de eeuwigheid. 'Omdat wij als sterfelijke mensen in de tijd en niet in de eeuwigheid verkeren, moeten wij Martha's zijn, bezorgd over vele dingen, en nog geen Maria's.'

Deze hoge waardering van de figuur van Martha, als symbool van de zorg, vinden we in de hele christelijke Middeleeuwen terug. Dat de praktijk niet altijd beantwoordde aan de leer, lijdt daarbij weinig twijfel. Dat de afstand tussen woord en daad in de moderne tijd alleen maar groter wordt, zal echter ook door weinigen ontkend worden.

Kenmerkend voor de moderne wereld is nu eenmaal dat steeds meer aktiviteiten vanuit economische principes beoordeeld worden. Adam Smith, de vader van de moderne economie, laat in The Wealth of Nations zien dat de hele economie uiteindelijk om het winnen van schaarse tijd draait.

Eén van zijn beroemdste voorbeelden in dit verband is dat van het kleine jongetje op de brandweerwagen 'dat tot taak had om regelmatig de toegangsweg tussen de ketel en de cilinder te openen en te sluiten, naargelang de piston zich omhoog of omlaag bewoog.' Dit archetypische jongetje ontdekte dat hij de sluiting van de klep ook kon regelen door de handle met een ander deel van de machine te verbinden. Hierdoor kreeg hij, aldus Smith, de tijd 'om zich in alle vrijheid te verstrooien met zijn speelmakkers'.

Dat dit laatste in de achttiende eeuw ongetwijfeld niet het geval zal zijn geweest, doet er nu niet toe. Waar het om gaat is dat in de kapitalistische economie tijd als het grote goed wordt beschouwd dat schaars is. De jacht op tijdwinst wordt hiermee ingezet. In zo kort mogelijke tijd dient zoveel mogelijk geproduceerd te worden. Naarmate meer menselijke activiteiten onder de economie gaan vallen dienen ze aan deze wetmatigheid te beantwoorden.

In eerst instantie biedt de technologie hier uitkomst. Zij is het produkt van de mens die werkt, die dingen maakt en die door Arendt als homo faber ten tonele wordt gevoerd. Welnu, de homo faber kan - door instrumenten en machines uit te vinden - de zware cyclische arbeid verlichten en vruchtbaarder maken.

Dit proces heeft echter, zo betoogt Arendt, zijn grenzen. En die liggen in de zorgarbeid. 'Honderden apparaatjes en een half dozijn robots' kunnen de essentiële behoefte aan zorg nooit geheel vervangen. Reeds Aristoteles onderkende dit. In zijn Politica vinden we een beroemde passage die, zoals Marx in Het Kapitaal bijvoorbeeld onderstreept, vooruitloopt op de moderne automatisering. De Griekse filosoof roept het beeld op van een situatie 'waarin ieder werktuig op bevel zijn eigen werk zou kunnen doen... Dan zou de weversspoel door het weefsel schieten en het plektrum de cither bespelen zonder door een mensenhand te worden geleid'.

Aristoteles besefte dat dit soort automatisering geen vervanging voor de zorgarbeid kan zijn. Uitdrukkelijk stelt hij dat zijn toekomstfantasie niet inhoudt dat huisslaven overbodig worden. Deze scheppen namelijk geen wereld, maar houden het leven in stand. Voor dat laatste blijven 'sprekende instrumenten', dus mensen nodig.

In het rapport 'Verstandig vernieuwen' van de Nederlandse Vereniging voor Verpleeghuiszorg, dat op 13 juni aan de toenmalige kabinetsinformateurs werd aangeboden, wordt de kwaliteit van de zorg letterlijk gelijkgesteld aan de tijd die eraan besteed kan worden. Als er niet meer geld voor ouderenzorg beschikbaar komt, zullen volgens de commissie, 46.000 ouderen helemaal geen zorg ontvangen, terwijl de overige hulpbehoevende ouderen het met 15 procent minder kwaliteit (= tijd) moeten doen.

Zelden heb ik de problematiek van de zorg zo helder verwoord gezien. Ik heb het dan natuurlijk niet over de cijfers die ik niet kan beoordelen, maar over de mate waarin zorg bedreigd wordt door de toenemende economisering van onze maatschappij. Waar ziekenhuizen en verpleeghuizen gezien worden als zorgondernemingen die op de markt moeten opereren, waar het contractmodel geacht wordt de relatie tussen verzorgen en verzorger adequaat weer te geven, kan het niet anders dan dat zorg onder druk blijft staan.

Dit heeft alles te maken met onze waardering van zorgarbeid die niet zoveel van die van de klassieke Grieken blijkt te verschillen. Nog steeds staat de heroïsche held die via beheersing van zijn instrumenten eenmalig beslissend ingrijpt - en dat kan de mythische Heracles of de moderne arts zijn - ver boven degenen die dank zij hun zorg de voortgang van het leven mogelijk maken.

De recentelijk door vooral feministische filosofen ontwikkelde zorgethiek benadrukt dat het in de zorg draait om het in stand houden van relaties. De respons van de ander is van het grootste belang; als je die vanuit een strikt economische benadering - waarin tijd inderdaad geld is - negeert, dan laat je de kern van waar het in de zorg om draait, vallen. De verzorger levert niet in eerste instantie een produkt af, maar houdt via talloze onzichtbare draden het broze netwerk van het leven in stand. De technologisering en economisering van zorg, hoe onontkoombaar misschien ook, stuit onvermijdelijk op grenzen. Waar die grenzen precies liggen is tegenwoordig één van de grote vragen waar de politiek mee geconfronteerd wordt.

Velen vinden dat de uiterste grenzen al gepasseerd zijn. Als voorbeeld geef ik een citaat van een patiënt uit een verpleeghuis dat Ineke Clement doorgeeft.

Mijnheer N., wiens longen niet meer functioneren en die van de zuurstof uit de fles achterop zijn rolstoel leeft, maakt een vergelijking tussen de verzorgers in het verpleeghuis en het middenkader in een produktiebedrijf. “Ze worden opgejaagd om het produktieschema op tijd af te werken. Ze konden ons vreselijk afbeulen. Hier zie ik dat ook, soms. Ze vergeten dat je overal veel tijd voor nodig hebt. Dan krijg je te horen dat je moet opschieten of ze geven een snauw. Waar hebben we dat aan verdiend?”. En even later: “Ach, ik neem het die meisjes niet kwalijk, de werkdruk is groot en de verzorging wordt steeds zwaarder. Ze moeten efficiënt werken: zoveel tijd voor dit, zoveel tijd voor dat. Ze moeten zich aan het schema houden. Ze worden er zelf ook ziek van. Het zijn de bezuinigingen, dat weet ik ook wel. Met Prinsjesdag keek ik naar de televisie, even maar, want je weet wat er gezegd gaat worden. Ik zeg wel eens: dan horen we weer dat de koningin een boterham minder gaat eten. Jullie gezonden worden gewoon in de maling genomen. En wij invaliden zijn als beschadigde produkten die worden afgeprijsd.”

Deze bittere aanklacht laat zien dat de principes van de economie en de zorg op zijn zachtst gezegd niet harmonisch samengaan. Op papier wordt dit door de overheid ook wel erkend. In de plannen tot 'zorgstelselvernieuwing' wordt terecht uitgegaan van drie verschillende principes: solidariteit, doelmatigheid en kostenbeheersing. Dit lijkt een juist uitgangspunt. Tekenend is alleen dat de laatste twee principes die met de technologisering en economisering van zorg te maken hebben, uitvoerig zijn uitgewerkt en dat het begrip solidariteit vrijwel wegvalt. Kennelijk staan we als het om de kern van de zorg gaat, nog steeds met de mond vol tanden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden