Essay

Zorg dat de gewone man er weer bij hoort

Beeld Kwennie Cheng

De gewone man is weer de halfmens die hij eeuwenlang was. Hoogste tijd zijn verloren eer te herstellen, schrijft Jos Palm.

We waren hem enigszins vergeten, maar de gewone man is terug van weggeweest. Hij heet geen Archie Bunker meer, de antiheld uit de gelijknamige Amerikaanse televisieserie die vanuit zijn stoel vanachter zijn bier de wereld schouderophalend becommentarieert. En hij lijkt al helemaal niet op mijn arme middenstandsvader, die zijn gebrek aan lengte en maatschappelijke positie compenseerde met een enorme hond (Deense dog), een grote auto (derdehands Chevrolet) en een dikke sigaar (een goedkope gesuikerde Hofnar) en ondertussen welvoeglijk op zijn KVP (Katholieke Volkspartij) stemde en vertrouwde op de rechtzetting van de aardse ongelijkheid in het hiernamaals.

 De gewone man van tegenwoordig heet Henk - van Ingrid - en is, zo luidt de gangbare opinie, voornamelijk boos. Hij zou ontstemd zijn omdat zijn Sinterklaasfeest hem is afgenomen, zijn autorijden hem onmogelijk wordt gemaakt, zijn gezondheid niet meer fatsoenlijk wordt verzorgd, en zijn land, dorp, buurt en straat onderwijl overlopen dreigen te worden door mensen die niet eens zijn taal spreken, althans in zijn door de pers en sommige politici aangedikte beleving.

Zijn verbolgenheid is inmiddels tot een maatschappelijk verschijnsel verklaard, waarmee niemand goed raad weet. De zogeheten zittende partijen niet, die bijvoorbeeld bij monde van Buma incidenteel oproepen tot aandacht voor de zorgen van Jan met de pet en vervolgens overgaan tot de orde van de dag. En de gewone man zelf ook niet. Zijn enige vrienden zijn schijnbaar slechts te vinden in de kring van de zelfverklaarde anti-politieke partijen en politici (Le Pen, Wilders, AfD en zo meer). Aldus is de gewone man aangewezen op de ondanks hun zeteltal marginale, want doorgaans uitgesloten partijen, die hem als het ware meenemen in de slipstream van hun politieke marginaliteit. Wat hem rest is wrevel, aangemoedigde prikkelbaarheid en het hem zo vertrouwde gevoel er niet toe te doen.

Risee van de geschiedenis

De vraag is natuurlijk hoe de gewone man, eeuwenlang de risee van de geschiedenis, aan die non-positie kwam, en wat zulks leert over zijn diepste behoeften en zijn 'natuurlijke' reflexen. Want zijn non-status is niet zonder risico. Deze verleidt hem rancuneus naar de samenleving te kijken, zoals hij honderden jaren deed, en dat leidt welhaast vanzelf tot de gedachte dat Jan Splinter een onbeschaafd randverschijnselmens is dat getemd moet worden, om 'erger te voorkomen'.

Verlangen naar erkenning is de meest fundamentele menselijke hunkering, schreven de filosofen Hegel en Kojève, en zulks werd herhaald door de cultuurcriticus Francis Fukuyama in zijn boek over het liberale einde van de geschiedenis. En precies die behoefte aan bevestiging kenmerkt de historie van de Archie Bunkers en mijn vaders vanaf de vroegste tijden.

Wat ze krijgen is het tegendeel: afkeer en veronachtzaming. Het minachten begint al heel vroeg en krijgt zelfs geïnstitutionaliseerd vorm. Sterker nog: wanneer het recht voor het eerst geformuleerd wordt - in steen gegrift - blijkt de ploetermens het afvalputje. Zo lezen we in het beroemde wetboek van de rechtvaardige vorst Hammurabi (1792-1750 v.Chr.) dat "men het oog blind zal maken van de hooggeplaatste man die het oog van een andere hooggeplaatste man blind maakt", indien echter een voornaam heerschap "het oog van een gewone man" het licht ontneemt, kan hij dat afkopen met een handjevol munten (het aanranden en doodmeppen van de gewone vrouw kostte bijna helemaal niks).

De sloofmens was goed om het urinoir onder het gat van de godkoning of de farao schoon te maken, maar had verder geen recht van bestaan. "Slaven, boeren, winkeliers en handwerkers kunnen geen gelukkig, edel en welvarend leven leiden", legde Aristoteles uit. Ze behoorden nu eenmaal tot de onverbeterlijke soort, te druk als ze waren met hun ditjes en datjes. De Romeinse wijsgeer Plotinus liet weten dat "de massa van handarbeiders een verachtelijke groep" was, alleen geschikt "om voorwerpen te vervaardigen die nodig zijn in het leven van deugdzame mensen." En op de muren van Pompeï stond in volle tijdeigen schaamteloosheid gekalkt: "Ik haat arme mensen".

Toch was het zelfbeeld van de gewone man niet even naargeestig als het beeld dat de elite van hem gaf. Het was weliswaar extreem laag, maar er sprak een zeker zelfbesef uit. "Ik ben geen lastdier of boot waarin je je stenen vervoert", zo laat Gaius Petronius Arbiter een dagloner tegen zijn baas zeggen in zijn schelmenroman 'Satyricon'. En in de 'Saturnalia' van Lucianus verwoordt een schlemiel de arme-mensenklacht van alle tijden: "dat ze - de rijken - nooit ook maar enige notie van het gewone volk genomen hebben, is wat ons het meest van alles naar de keel vliegt."

(Verhaal gaat door onder de afbeelding)

Beeld Kwennie Cheng

Het was een spectaculair moment, de eerste keer dat het onbehagen van de gewone man, de behoefte aan erkenning, op schrift werd gesteld, weliswaar in een spotdicht - want zijn leed en onbenulligheid was amusement voor de bevoorrechten - maar het stond er, klip en klaar, al bleef het vanzelfsprekend in de hiërarchische Romeinse maatschappij zonder gevolgen. De ploetermens was er in het beste geval een bijsoort die met brood en spelen gepacificeerd moest worden (dat niet alleen de maag, maar ook de geest van de schlemiel moest gevoed, was welbeschouwd de grootste contributie van het Romeinse rijk aan de geschiedenis).

Patserbeschaving

Dat de gewone man wellicht tot de menselijke soort behoorde, was een inzicht dat lichtjaren af stond van de patsersbeschaving die het Romeinse Rijk was. Dat besef brak pas door op het moment dat een geloof van slaven en armen van goederen en geest zijn intrede deed in de geschiedenis. Voor God was iedereen gelijk, verkondigde de timmermansmensenzoon. Zijn genadeprogramma voor de aarde zou door allerhande godgeleerde theologen in de hemel geparkeerd worden, omdat er anders maar rumoer en narigheid van zouden komen. Derhalve peperden ze de ploetermens zijn nietigheid in en beleerden ze hem dat "de adel en de kerkvorsten door God boven ons zijn geplaatst, opdat wij onderdanig zullen zijn in het rijk van God die alles volkomen heeft gemaakt".

Maar toch: het was gezegd dat hij, de sappelaar, evenzeer een 'kind van God' was. Die wetenschap zou een niet meer weg te denken onderstroom in de geschiedenis blijken die telkens weer boven kwam drijven. Het leverde een Franciscus op die armer wilde zijn dan de armsten en preekte dat het Rijk Gods verplichtte tot het bijstaan van de onbeholpenen en onvermogenden. Er kwamen boerenopstanden uit voort, en zelfs in 1534 een pre-revolutionair protosocialistisch Godsrijk in het stadje Munster. De gewone man mocht dan door de kerk klein gehouden worden, zijn godheid had in hem het besef dat hij niet mocht worden veronachtzaamd, wakker geschud, meer nog: hij hoopte zelfs dat eens de laatsten de eersten zouden zijn, zoals de Mensenzoon had gezegd.

De filosoof De Tocqueville, die meer dan wie dan ook de ontwikkelingsgang van de nieuwe geschiedenis doorgrondde, vatte de droom van de gewone man in een slagzin samen. "Het streven naar gelijkheid", concludeerde hij begin negentiende eeuw, "is de motor van de moderne tijd". Eerder al hadden de achttiende-eeuwse encyclopedisten bij het lemma 'Peuple' vol waardering geschreven over de handarbeider 'die onze meubelen vervaardigt, huizen bouwt, en straten schoonmaakt', en aldus enige compensatie geleverd voor het neerkijken op het plebs dat de betere stand sinds Plotinus eigen was.

"Als het met de dagloner ellendig is gesteld, is het met het land ellendig gesteld", schreef Diderot bij het gelijknamige lemma. Het zou tot diep in de negentiende eeuw duren voordat dit gedachtengoed gemeengoed werd. De eeuw van de industrialisatie en proletarisering, de eeuw van 'de sociale kwestie' oftewel het arbeidersvraagstuk, de eeuw van de burgerlijke revoluties waarop de arbeidersklasse bescheiden meeliftte, zou een pandemonium aan emancipatiemodellen opleveren voor de ploetermens. Hij kon, gesteund door de pauselijke sociale encycliek Rerum Novarum (1894), er als katholiek op vooruitgaan; kon het met behulp van het gereformeerde Sociaal Congres (1891) het protestants beter krijgen, en hij kon uiteraard ter zelfverbetering socialist of communist worden - wat de zittende klasse scherp hield om zijn belangen niet te verwaarlozen.

Liberale heren

En natuurlijk waren er ook de liberale heren die door schade en schande wijzer geworden het oude egoïstische zelfverrijkingsadagium hadden vervangen door de leus 'Bevorder het algemeen belang en gij zult het meest uw waarachtig eigenbelang behartigen'. Welwillende heerschappen kwamen bij de gewone man aan de deur om hem een potje schaak te leren, opdat zijn verstand - voorwaarde om echt aan de maatschappij mee te mogen doen - wat bijtrok. Zelfs het groen werd ingezet voor de veredeling van de ploeteraar. Speciale verenigingen boden hem tegen een zeer lage prijs bloemzaadjes en stekjes aan. "Door de dagelijkse zorg voor een plantje zal ruw gedrag wel verdwijnen en plaatsmaken voor eigenschappen als toewijding, netheid en gevoel voor regelmaat", was de verwachting.

Er was, toegegeven, vanuit huidig perspectief veel paternalisme en bevoogding bij, maar waar het om gaat is dat in tegenstelling tot heden de politieke en maatschappelijke elite verantwoordelijkheid durfde te dragen voor de gehele samenleving, en in het bijzonder voor de gewone man, en dat deze erkend en beschermd werd als werkmens (en later zelfs als kiesmens met stemrecht).

Er zouden nog een paar wereldoorlogen tussenkomen voordat het allemaal goed geregeld was voor de eenvoudige man. Hij zou zich als patriot laten bedotten door de Russische tsaar, de Duitse keizer en de Britse premier Lloyd George; hij zou zich nog erger laten bedonderen door Hitler en Mussolini, omdat ze nou eenmaal altijd spraken alsof ze 'de weg, de waarheid, en het leven' uitdeelden in hun pofbroek en generalissimo-uniform.

Erkenning

Maar uiteindelijk zou hij de erkenning krijgen waar deze optimaal te vinden was: in de naoorlogse democratie, waar een stevig sociaal bouwwerk werd opgetrokken om te voorkomen dat hij nog eens politiek rood of zwart verdwaalde, en waar hij, voor het eerst in de geschiedenis, werkelijk leek mee te tellen. Hij was eindelijk iemand, geen meneer, maar iemand: geen boerenlul, geen slaaf, geen horige, geen handophouder, geen proletariër, geen sukkelsappelaar, maar een persoon met rechten (en naar het scheen ook plichten). Een gewaardeerde gewone man, wist hij zelf.

Dat gevoel is hij alweer tientallen jaren kwijt. Er is geen elite meer die het hem schenken wil of kan, bezig als de bewuste quinoa-burger met zichzelf is. Integendeel, hij wordt uitgemaakt voor zeurpiet in zijn vinexwijk, xenofoob en erger. De gewone man dreigt door de politiek en het denkende deel der natie - het is nu eenmaal een ingesleten elitaire traditie vanaf Aristoteles - te worden versmald tot een klaagmens, tot een boze Archie Bunker in Brabant of Rotterdam. Dat is hij vast ook, maar hij is ook meer.

Terug naar mijn vader. Hij was, zoals gezegd, een trouw katholiek stemmer, maar hij was desondanks ook erg gecharmeerd van Joop den Uyl, een politicus die het opnam voor de gewone man, maar die tegelijkertijd ook eisen aan de werkmens durfde te stellen. Mijn vader voelde zich zogezegd door hem 100 procent serieus genomen. Kom vandaag de dag eens om zulke politici, die het gevoel geven dat iedereen, ook de kleine man, erbij hoort. Het wordt tijd weer verder te gaan waar de geschiedenis na de oorlog gebleven was en de gewone man weer voor vol aan te zien, in plaats van voor de halfmens, die hij in het verleden vaak was of anders wel werd gedwongen te zijn.

Jos Palm (1956) is historicus en journalist. Vanaf vandaag ligt zijn boek 'De gewone man. Een kleine mensheidgeschiedenis' in de winkel.

Jos Palm - De gewone man. Een kleine mensheidgeschiedenis
Atlas Contact; 342 blz. € 19,99

Beeld rv
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden