Zondige reformist of revolutionair met oogkleppen?

De auteur is voorzitter van de fractie van De Groenen in de gemeenteraad van Amsterdam.

ROEL VAN DUIJN

Wat hij meedeelt is juist: uiteindelijk stond en staat mij “de staatloze samenleving waarin de vrije mens kan leven” voor ogen. Maar dat is een verafgelegen doel, dat sinds de jaren zestig alleen nog met de sterkste verrekijker te ontwaren is. Voorlopig ben ik het eens met de reactie van Peter Pot (Podium, 29 december) dat we moeten streven naar een sterke staat. Niet omdat een sterke staat op zichzelf een ideaal is, maar omdat we een ordenende en controlerende instantie niet kunnen missen, nu er links en rechts zoveel psychopaten wapens bij de hand hebben en verslaafde producenten en consumenten nog altijd het milieu onvoldoende respecteren. Dat is de nodige 'werkelijkheidszin' waartoe Tim Verhoef (Podium, zelfde dag) oproept. Het gaat er nu om, lijkt mij, dat je die werkelijkheidszin kunt blijven koppelen aan het verafgelegen doel. Dat is voor mij de spanning van de praktische politiek.

Ik ben het met Righart eens dat politici doorgaans verdrinken in de waan van een valse werkelijkheidszin, die eigenlijk niets anders is dan het hanteren van gevestigde belangen op een manier waardoor je de macht in handen kunt krijgen of houden. Dat brengt politici ertoe om krankzinnige tegenstellingen - Kok, die “versnelling in de mobiliteitsinfrastructuur” wil paren aan “een vitale groenstructuur” - voor te stellen als goed verzoenbaar. Zo'n politicus wil immers dat zowel de snelheidsmaniakken als de natuurvrienden naar het verkiezingslokaal gaan om op hem te stemmen; de een per auto, de ander op de fiets.

Zulk ontwijken van keuzes kun je amper nog werkelijkheidszin noemen, omdat het geheel aan de crisis van het milieu voorbijgaat. Kok is zeker niet de slechtste premier die wij hadden kunnen hebben, maar wat hij nooit over zijn lippen krijgt is waar het eigenlijk naar toe moet met deze aan zelfmoordneigingen lijdende maatschappij.

Naar een samenleving waarin de individuele vrijheid niet langer een potentieel gevaar vormt voor de veiligheid en de kwaliteit van het geheel, volgens mij. Omdat daar wapens noch vergif voor het oprapen liggen. Omdat de gemeenschap zich daartegen afdoende beveiligd heeft: èn door controle, èn doordat het leeuwedeel doordrongen is van zijn verantwoordelijkheid voor de anderen. Ook niet in die zin dat het individuele winstbejag ten koste gaat van de armoede van de ander, want ook in Nederland speelt het verdelingsvraagstuk wel degelijk nog steeds een rol.

Ideologenmantel

Als ik nog even de mij overhandigde ideologenmantel (inderdaad, het is potsierlijk om te zien hoe de ene politicus na de andere de verworvenheden van generaties denkwerk overboord kiept als was het gevaarlijke ballast) aan mag houden, wil ik nog wat opmerken over de tweedeling markt - staat. Het is waar dat nu eenzijdig alle hoop gevestigd wordt op de markt en dat daardoor veel publieke dienstverlening (bijvoorbeeld in het openbaar vervoer) verloren dreigt te gaan. Maar vooral is mij onduidelijk waarom alles binnen deze tweedeling geperst moet worden. Bestaat er, naast markt en staat, niet ook nog een sfeer van vrijwillige samenwerkingsverbanden, waarin mensen elkaar steunen om sociale, culturele en politieke doelen te verwezenlijken?

Ik noem: buurtbewoners die staan voor de leefbaarheid, milieuorganisaties, clubs van kunstenaars en kunstliefhebbers, wetenschappelijke en spirituele verenigingen, consumentenbonden, vakbonden, politieke partijen, vrijwilligersverbanden. Te veel om op te noemen. Zij zijn het die het verband intact houden en de geest boven de wateren. Zij zorgen ervoor dat er een uitstraling van wederzijdse hulp aanwezig blijft en een elementair vertrouwen dat mensen elkaar beschermen.

Iets van die geest leeft ook, op goede momenten, bij de lagere overheden. Jawel, de ambtenaren en gemeenteraadsleden worden betaald en ontegenzeglijk vormen zij een onderdeel van de gedecentraliseerde eenheidsstaat die Nederland is. Maar toch steunen ook zij de plaatselijke en regionale samenhang; vaak ook indirect door subsidies aan hulpinstellingen en onderwijs. Groene politiek is het om de vrijwillige samenwerkingsverbanden en ook de gemeenten en provincies te versterken en te stimuleren, als een derde macht naast markt en staat. Uiteindelijk vormen zij de kern van het grote toneel, want zij zijn de eerste organisatoren van de directe zorg van de ene mens voor de ander, van de mens voor de natuur ook.

De groei van deze derde sector is noodzakelijk, ook al vertoont zij nu verschijnselen van krimp. Dat vraagt om heel praktische politieke stellingname. Bijvoorbeeld voor het behoud van vele kleine gemeenten, die nu van hogerhand als te klein worden beschouwd, omdat men geneigd is ze slechts als bedrijf te zien, met voorbijgaan aan hun functie voor de gemeenschapszin en ook het groenbehoud ter plaatse. De kleine gemeenten zouden in dit opzicht wel eens veel effectiever kunnen zijn dan legers rijksambtenaren of duurbetaalde organisatie-adviesbureaus.

De gemeenschapssector, laat ik het zo noemen, vormt de basis voor de hoop die er nog altijd is. De hoop op een betere maatschappij, met een bescheidener plaats voor markt en staat. Ik merk aan mijn wangen dat zelfs het cursiveren van deze vergelijkende trap al een lichte gêne oproept om voor wereldverbeteraar te worden aangezien, nu we met een nogal cynische tijdgeest te maken hebben. Maar ik schaam mij er niet voor dat ik een milieubewuste democratie nastreef, waarin de consumenten weigeren natuurvijandige produkten te kopen en waarin de mensen elkaar wederzijds helpen. Ik kom er voor uit dat ik probeer een goede leerling te zijn van visionaire zoekers als Kropotkien, Roszak en Capra; zij hielpen mij m'n verrekijker te maken.

Maar wat ik vooral niet wil zijn is een gedoodverfde alternatieveling of Cro Magnon-mens. Ik ben er trots op dat ik bij de begrotingsbehandeling in de gemeenteraad drie kleine, maar nuttige moties aangenomen heb zien krijgen. Twee over hulp aan een milieucentrum en in gevaar verkerende zangkoren, één over klimop als nieuw wapen in de strijd tegen graffiti's. En niet minder dat ik een PvdA-motie over metroconciërges op het nippertje over de brug heb mogen helpen. Het politieke ambachtswerk dus. Want uiteindelijk ben ik nog liever een zondige, samenwerkende reformist dan een geoogklepte revolutionair.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden