Zonder zelfkennis geen licht

„Eckhart mag dan niet de geschiedenis zijn ingegaan als een kerkhervormer of een geducht polemist, hij staat op zijn manier midden in de tijd.” In zijn derde essay over Meister Eckhart (1260-1328) gaat Jan Oegema in op de rol die de wegens ketterij aangeklaagde Duitse mysticus speelde in het grote, splijtende, debat van de late Middeleeuwen: het armoededebat.

Meister Eckhart treft dikwijls het verwijt dat hij uitsluitend gericht is op het hoogste en laatste, en geen oog heeft voor het leven van alledag. Ik ken zelfs een recensie waarin hij impliciet medeverantwoordelijk wordt gemaakt voor de opkomst van het nazisme, uitvloeisel van een typisch Duitse hang naar introversie die onvermijdelijk moest uitmonden in wereldvreemdheid – en vervolgens wereldbrand. Een anachronistische redenering, die bovendien een Europees trauma eenzijdig verklaart vanuit een nationale karaktertrek, op zichzelf al een discutabele categorie.

Eckharts ethiek wordt wel getypeerd als een Gesinnungsethik: een houdingsethiek. Dat lijkt me een goede term. Voor Eckhart is het belangrijker wie je bent dan wat je doet, zolang je jezelf maar niet belangrijk vindt en op geen enkele manier uit bent op waardering of beloning. Handel steeds zo omdat je niet anders handelen kunt, spontaan en zonder enige vorm van calculatie, niet met een vooropgezet doel en al helemaal niet om deze of gene te behagen. Zelfs God niet.

Met enige overdrijving kun je stellen dat Eckhart een christelijke vorm van taoïsme introduceert (een levensleer die hij anno 1300 niet kon kennen, evenmin als het boeddhisme). Je kunt uitsluitend goed doen door niet goed te willen doen.

„Wil je [*] in de gerechtigheid worden in- en overgevormd, beoog dan in je daden niets en vorm geen waarom in jezelf, noch voor het tijdelijke, noch voor de eeuwigheid, noch beloning, noch zaligheid, noch dit, noch dat; want zulke daden zijn werkelijk allemaal dood.”

Uiteraard stuurt Eckhart niet aan op impulsiviteit of gedachteloosheid. Hij is er niet op uit de christelijke deugden te relativeren, integendeel, hij wil ze veeleer verhogen door de beoefening ervan te vrijwaren van eigenbelang. Daarvoor is het nodig dat de mens zichzelf onder ogen komt en leert begrijpen hoe zijn psyche functioneert. ’Zoek eerst uzelf’, zegt Augustinus, en Eckhart zegt het hem na. ’Nim dîn selbes wâr.’ „Neem jezelf waar, en waar je jezelf vindt, laat jezelf daar los.”

’Nim dîn selbes wâr’ – die woorden spreekt Eckhart ten overstaan van zijn medebroeders in Erfurt, nadat hij als prior is aangesteld in het klooster waar hij zelf als noviet begon. De broeders vragen hem allerhande praktische raad en willen bijvoorbeeld weten wat hij verkieslijker vindt: een leven in afzondering of een leven te midden van het menselijk gewoel. Eckhart kiest onomwonden voor het laatste, want, zo redeneert hij, wie God in waarheid bij zich heeft, heeft haar bij zich op alle plaatsen, niet alleen in de kerkbanken of in zijn cel, maar ook op straat en in de stal. (Ik blijf God, net als in de eerdere essays, als een ’zij’ presenteren.)

Vele jaren later herhaalt hij die boodschap tegenover de nonnen voor wie hij negen jaar lang predikt. Hij zal dan niet meer zeggen dat je God moet willen bezitten, maar dat je haar net als jezelf moet kwijtraken – dat het dus ook verkeerd is om de extase te zoeken of jezelf te kastijden (want dat komt in kloosters regelmatig voor). Probeer niet intiem te worden met God, want dan houd je haar voor een menselijk duplicaat, en dat is ze niet. Probeer niet van God te houden, ontzeg haar alles wat je haar toedicht aan liefde en goedheid en wijsheid.

„De gerechte mens heeft van God niet dit of dat lief; en gaf God hem haar hele wijsheid en al wat zij buiten zichzelf nog te bieden heeft, de gerechte mens zou er geen acht op slaan en het zou hem niet smaken.”

Als een middeleeuwse Heidegger wil Eckhart het zijn laten oplichten in het dagelijks bestaan – daar en nergens anders. Hij keurt de ascese af, evenals religieuze genotzucht. Hij is een realist, zowel in metafysisch als in ethisch opzicht. Hij is wel de laatste om op te roepen tot wereldverzaking. Streven naar gelatenheid en afgescheidenheid is voor hem een methode om bij de wereld aan te komen. Voor hem zelfs de enige methode. Wie in de wereld wil landen, echt goed wil landen, zal eerst moeten opstijgen – dus leren om afstand te ontwikkelen. En dat natuurlijk in de eerste plaats tot jezelf. Een mens zonder zelfkennis is net zoiets als een mol zonder voorpoten. Die zal nooit het licht zien.

Maar er is meer. Vertaler C.O. Jellema heeft Eckharts werk gekarakteriseerd als „een doorleefde denkoperatie met ook ethische implicaties voor een waardige levenswijze.” Dat lijkt een zinnige constatering, die steun vindt in de citaten die ik zojuist heb gegeven. Eckhart is uit op gerechtigheid, en degene die daarnaar jaagt noemt hij de ’gerechte’ – ethische categorieën behorend bij de christelijk deugdenleer.

Bij nader toezien echter staat de gerechte bij Eckhart bijna altijd voor de wetende en verlichte mens, wiens denken en doen automatisch, dus zonder bewuste intentie of concreet voornemen, uitmondt in goede werken. Zoek je heiligheid, zoek je verlichting, denk dan niet dat je dat kunt ontlenen aan praktisch handelen, dat kan alleen rusten op een innerlijke gesteldheid.

Niet de werken heiligen ons, betoogt Eckhart, wij moeten de werken heiligen – met datgene wat in ons aan het licht komt.

Eckhart is zeer beslist op dit punt – en consequent. Wie eenmaal het kanaal heeft ontdekt waardoor het water uit de oerbron opwellen kan, laat geen troebelheid of kwaad meer uitstromen. Met de juiste innerlijke gesteldheid kun je niet zondigen, zelfs niet wanneer je bij toeval een zonde begaat. Omgekeerd kan een mens die in doodzonde leeft nog steeds goede werken verrichten – wanneer hij bij toeval het ongeschapen deel van zijn ziel zijn werk laat doen. Eckhart kan bij dit onderwerp prettig laconiek uit de hoek komen, hij beweert zelfs dat God veel liever grote zonden vergeeft dan kleine.

De magister theologiae blijkt wederom een magister psychologiae: hij begrijpt dat een zoekend mens in het leven geen stap verder komt zonder fouten te maken. En de grootste en pijnlijkste fouten zijn vaak ook de leerzaamste.

Anders dan Jellema geloof ik niet dat het Eckhart gaat om waardigheid, dat is in diens geval een te burgerlijk, te beschaafd begrip. Het is hem te doen om waarachtigheid, om wezenlijkheid – en wie daarnaar haakt, komt al snel in botsing met de eisen van wellevendheid en goede smaak. In zijn poging het christendom van binnenuit te zuiveren is Eckhart niet minder radicaal dan Luther en Kierkegaard, al moet hij als vooraanstaand en invloedrijk dominicaan behoedzamer opereren.

Hij kiest voor een subtielere strategie. Hij prikkelt zijn gehoor om te werken aan een geestelijke onafhankelijkheid die begint met eerlijk zelfonderzoek en eindigt met een doordachte relativering van dogma, rite en kerkelijk gezag. Zoals zoveel vrijdenkers van zijn tijd is hij een protestant avant la lettre: alleen ondervinding en persoonlijk verworven kennis kunnen in laatste instantie gelden als toetssteen voor piëteit en gedrag.

„Als de mens tot ware innerlijkheid is ingekeerd, moet hij dapper afzien van elke uiterlijkheid, zelfs al betreft het oefeningen waartoe je je met een gelofte hebt verplicht en waarvan paus noch bisschop je kunnen ontslaan. [*] God heeft [je plichten] vervuld zolang ze jou niet-doende maakte.” Christelijk taoïsme: vervul je plichten door ze niet te vervullen.

Niet minder opmerkelijk is de volgende uitspraak: „Zou ik met eigen handen de paus slaan zonder dat het met mijn wil gebeurde, dan zou ik gerust voor het altaar treden en er niets minder om de mis lezen.” Geen wonder dat Christus’ plaatsbekleder zich met deze mislezer gaat bemoeien en een bul uitvaardigt waarin achtentwintig zinnen uit Eckharts preken en traktaten als ketters of ketterachtig worden aangemerkt. De pauselijke juristen in Avignon zien Eckhart niet als een waardige vertegenwoordiger van de katholieke traditie – en van hun oogpunt uit bezien hebben ze daarin gelijk. Was het anders geweest, dan had Jellema geen tittel of jota van Eckhart vertaald.

En er is nóg iets anders. Eckhart mag dan niet de geschiedenis zijn ingegaan als een kerkhervormer of een geducht polemist, hij staat op zijn manier midden in de tijd. Docerend en predikend neemt Eckhart volop deel aan het gro te, splijtende, allesdoordringende debat van de latere Middeleeuwen, het armoededebat. Dat hij een innerlijke weg wijst, doet niets af aan zijn maatschappelijke betrokkenheid: het is er de uitdrukking van.

In een wereld doordrenkt van godsdienst en bijna volledig beheerst door een oppermachtige clerus is Eckharts weg niets minder dan een politiek statement. Als je de waldenzen, hHumiliaten, fraticelli, spiritualen, begarden en al die andere broeders en zusters van de vrijere geest beschouwt als de punks van de late Middeleeuwen, dan was Eckhart een intellectuele punk – en in het Rijnland vermoedelijk de inspirator van menig dissident. (Op die veronderstelling berust Vestdijks fraaie roman uit 1969, ’Het proces van Meester Eckhart’.)

Begonnen in de twaalfde eeuw, richt de protestbeweging zich tegen de zatte weelde van de kerk en de ongehoorde corruptie, zelfverrijking, het nepotisme, de willekeur en het sadisme van haar machtigste dienaren. Ze manifesteert zich in een stoet aan wonderlijke sekten die stuk voor stuk arm willen zijn als de arme Christus, spiritueel, materieel, of beide. Heel wat leden ervan hullen zich in lompen of gaan bedelend over straat, niet zelden barrevoets en zonder vaste verblijfplaats.

Hier ligt tevens het begin van twee bedelordes die alras aan invloed winnen en door een kwaadaardige ironie zullen uitgroeien tot trouwe bondgenoten van de curie: de dominicanen en de franciscanen, van meet af verbonden door onderlinge rivaliteit. De twee ordes leveren knappe intellectuelen en inquisiteurs; enkele beroemde franciscaanse geleerden zullen Eckhart op de nek springen, nadat intriganten uit zijn eigen orde het proces tegen hem in gang hebben gezet.

De verkommering van de kerk beleeft een nieuw hoogtepunt in het aantreden van Johannes XXII, een van grootste geldschrapers die ooit op het heilige pluche hebben plaatsgenomen. Deze paus, geslepen jurist, schrander bestuurder, meedogenloos ketterjager, voert bewind onder een glashelder motto: als God leeft, is alles toegestaan. Hij regeert van 1316 tot 1334, het grootste deel dus van de periode dat Eckhart voor de nonnen preekt, te weten van 1313 tot 1322 (de overlap bedraagt zes jaar). Het is ook deze Johannes die Eckhart in 1329 zal veroordelen en daarmee de herinnering aan diens optreden voor de komende vijfhonderd jaar zal uitwissen. Maar dat weet Eckhart nog niet wanneer hij vanaf de kansel de paus in het gezicht slaat.

Wat hij wel weet is dat Johannes XXII geen middel schuwt om schat op schat te laden. Johannes smaalt om de evangelische armoede en rechtvaardigt zijn optreden onder verwijzing naar de beurs van Judas, hét bewijs dat Christus en de zijnen niet op een houtje hoefden te bijten en in gemeenschap goederen bezaten. Het gerucht gaat dat Johannes in Avignon kruisbeelden tentoonstelt waarop Jezus met één hand is vastgenageld, terwijl hij met de andere de geldbuidel aan zijn gordel beroert.

Als Eckhart zich voorbereidt op het vervolg van zijn proces in Avignon, houdt hij in de maanden voorafgaand aan zijn vertrek uit Keulen de preek die nu als zijn indrukwekkendste geldt en wordt gezien als de summa van zijn latere denken. Het is de preek naar aanleiding van Matteüs 5 vers 3: ’Zalig de armen van geest’.

De luisteraars hoefden niet te raden naar Eckharts opinie over het hoogste kerkelijk gezag. De boven hem gestelden hebben dan allang in de gaten dat Eckhart sympathiseert met ketterse denkbeelden, ofschoon hij dat vaak behendig weet te camoufleren. Het contact met de nonnen heeft hem veranderd en vrijmoediger gemaakt; wie dicht bij het vuur zit, brandt zich snel.

Evident is de verwantschap met de mystiek van de begijnen, van wie hij ten minste één geschrift heeft gekend, een brisant werk dat destijds in heel West-Europa de aandacht trok: ’Le mirouer des simples ames anientes’ (’Spiegel van de eenvoudige, ontledigde ziel’). Een jaar voor Eckharts tweede magisterium aan de Sorbonne is de auteur ervan, Marguerite Porete, levend verbrand in de straten van Parijs; Eckhart zal haar inquisiteur ontmoeten in het convent waar hij twee jaar lang logeert.

Of Marguerite in hun gesprekken ter sprake komt – wie zal het zeggen. Wel kunnen we vermoeden dat zij naderhand als anonieme muze met Eckhart de kansel bestijgt. „De ziel”, zegt Marguerite in haar boek, „weet niets meer van God te zeggen, want ze is afgescheiden van vreemde begeerte, innerlijke aandoening en influistering van de geest. Wat de ziel doet omwille van de voorschriften en geboden van de Heilige Kerk, doet ze zonder verlangen, want de wil die dit verlangen veroorzaakte is dood.”

Wat zei Eckhart ook alweer over de paus? „Zou ik met eigen handen de paus slaan zonder dat het met mijn wil gebeurde, dan zou ik gerust voor het altaar treden en er niets minder om de mis lezen.”

Vrij vertaald: als ik geheel samen val met mijn bestaansgrond en de paus spontaan een verdiende klap verkoop, dan heeft God mij bij voorbaat vergeven. Nog vrijer vertaald: wie zonder waarom is, is aan God geen ’daarom’ verschuldigd.

Beschouw Eckhart niet als een dromer, escapist, navelstaarder, wereldverachter. Beschouw hem als een intellectueel activist die, schipperend binnen de geschreven en ongeschreven regels van een machtige orde, vanaf 1313 zijn hoge positie steeds nadrukkelijker gaat gebruiken om de geestelijke vrijheid van de ‘ames simples’ te vergroten.

Door de eeuwen heen hebben mystici zich altijd weer moeten verdedigen tegen de verdenking van onmaatschappelijkheid. Ook Eckhart krijgt te maken met het misverstand en legt geduldig uit dat het schouwende leven het werkzame veronderstelt. En omgekeerd; de twee hebben elkaar nodig, horen bij elkaar. Het is, zo verklaart hij met een eenvoudig beeld, alsof je in je huis van punt a naar punt b loopt. Je lichaam verplaatst zich, maar je blijft in een en dezelfde ruimte.

„Zo is werkzaam zijn niets anders dan het schouwen van God. Het ene rust in het andere, het ene volbrengt het andere.”

Dat contemplatie vaak geen pasklare antwoorden levert voor je opstelling in concrete situaties, zelfs niet voor de beoefening van je geloof – dat is een andere zaak. Eckhart heeft te veel gezien en meegemaakt om niet te begrijpen dat godsdienst dikwijls uitloopt op doffe routine of erger: onverschilligheid, apathie, opportunisme, hypocrisie, arrogantie, hardvochtigheid, ontremming, blinde agressie. Elke godsdienst baart schoften en heiligen, moralisten en vrijdenkers, fanatici en zachtmoedigen, beulen en barmhartigen, van wie de welbespraakten uitstekend in staat zijn hun evangelisch of kerkpolitiek gelijk te claimen. Zelfs Johannes XXII heeft zijn verhaaltje klaar wanneer hij per bul decreteert dat elk beroep op Christus’ armoede voortaan als ketters vergrijp wordt beschouwd.

Iedere gelovige zijn tekst, iedere schurk zijn alibi. In een maatschappij die van religieuze vormelijkheid en kerkrechterlijk formalisme aan elkaar hangt, brengt Eckhart de ethiek op een hoger plan door de vraag naar identiteit en intentie centraal te stellen. Wees geen letterknecht, weersta de zedenmeesters en vraag je af wie je bent, waarom je doet wat je doet. Om daar achter te komen moet je niet heel veel doen, je moet om te beginnen heel veel laten. Doorbreek je routines, zoek de leegte en laat de stilte haar werk doen. Stilte is niet gemakkelijk, ze confronteert je met de turbulenties in je hoofd, met de angsten die je met je dagelijkse doen en laten probeert te overstemmen.

Alle leven is overleven: pogingen om te vergeten wie je bent, wie je zou moeten zijn. Zielsvergetelheid. Maar heb je eenmaal de juiste distantie ontwikkeld en weet je het een tijdje met jezelf uit te houden, dan zal dat allengs resulteren in een bijzondere staat van bewustzijn. Je leert handelen vanuit een innerlijke stem die je gedachteloos durft te gehoorzamen. Eckhart belooft je dat je dan als vanzelf anders in het leven komt te staan, autonoom zonder arrogantie, gewetensvol zonder moralisme, vroom zonder vertoon van vroomheid, liefdevol zonder sentimentaliteit, onzelfzuchtig zonder weekheid, krachtig zonder geldingsdrang, helder en wakker, met een humor die sneller is dan de lach.

Dit is Eckharts beeld van de ideale mens – of is dit eerder het mijne? Eckhart staat met één been in de Middeleeuwen, met het andere in onze tijd. De ene keer verplicht hij je tot een nieuwe vorm van heiligheid. „Als de mens alles achtergelaten heeft, is hij zo zuiver dat de wereld hem niet kan verdragen.” De andere keer tot een intelligente vorm van gewoonheid, van onbijzondere bijzonderheid. „Wanneer een oprecht mens, die handelt vanuit zijn eigen bestaansgrond, de vraag kreeg: waarom doe je de dingen die je doet, zou hij, als hij het juiste antwoord gaf, enkel zeggen: ik doe die dingen om ze te doen.”

En Eckhart zelf? Was hij tijdens zijn leven al een heilige? Had hij die mate van afgescheidenheid bereikt dat niets zijn innerlijke rust kon verstoren?

Daar blijf je in zijn geval naar raden. Hij komt over als een uitermate temperamentvol man, iemand die de confrontatie nooit uit de weg gaat en niet bang is om domoren domoren te noemen. Hij mag graag de spot drijven met geleerden die in zijn ogen de plank misslaan. Drijven die omgekeerd de spot met hem, dan lijkt hij daar niet altijd even goed tegen bestand; kritiek laat hem allerminst onberoerd.

Dat blijkt ook uit zijn optreden tijdens zijn proces, waarvan veel documenten bewaard zijn gebleven. Hij maakt op z’n minst – daar zijn de kenners het over eens – een aangeslagen indruk. Eckhart toont zich zeer verbitterd over het feit dat uitgerekend hij, professor in de heilige theologie, als ketter wordt aangeklaagd, destijds een absoluut unicum. Niet eerder is een zo vooraanstaand geleerde en bestuurder deze infamie aangedaan. Censuurprocessen tegen theologen zijn er zat, maar een ketterproces – dat is nog nooit eerder vertoond. (De aanvankelijke beschuldiging zal na een geslaagd verweer worden afgezwakt. Johannes XXII zal uiteindelijk Eckharts uitspraken veroordelen, niet Eckhart als persoon. Het ketterproces verandert dus allengs in een censuurproces, overigens nog altijd met dramatische gevolgen voor Eckharts postume reputatie.)

Eckhart is dus allerminst een onverstoorbaar man – behalve in het uitdragen van zijn leer. In hoeveel opzichten hij ook mag verschillen van andere mystici, een ding heeft hij met hen gemeen: zijn innerlijke overtuiging. Jellema typeert Eckharts werk als een ’doorleefde denkoperatie’ en inderdaad, het is zowel het een als het ander. Anders valt niet te verklaren hoe zo’n uitgesproken intellectueel zo’n uitwerking kan hebben op leken en ongestudeerde nonnen. Op een of andere manier belichaamt Eckhart wat hij op de kansel uitdraagt, hij is hoe dan ook echt.

En dat telt. In de periode dat hij als zielzorger en prediker actief is, verbreidt zich ras zijn naam en faam, ook buiten het Rijngebied. Eckhart wordt een fenomeen, en dat niet alleen tot verdriet van monkelende prelaten. In kringen rond Ruusbroec (in Groenendaal) en Geert Groote (in Deventer) wordt in de jaren na Eckharts dood nog heftig tegen hem geageerd. De verwensingen liegen er niet om en verraden zijn invloed. Eckhart? Een zoon van de duivel. De Antichrist in eigen persoon.

Dat was hij natuurlijk niet. Hij was in geen enkel opzicht antichristelijk. Maar hij was wel ánders christelijk.

Jan Oegema is uitgever en publicist. Eerdere afleveringen van deze serie verschenen op 2 december 2006 en op 6 januari 2007.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden