Zonder wandelen zou ik dood zijn

Meesterlijke 'lanterfant'-novelle eindelijk (en prachtig) vertaald

Als recensent lees je altijd met een potlood om passages aan te strepen die je later kunt citeren. Maar soms heb je niets aan deze gewoonte. Wat te doen als je op iedere bladzijde drie, vier mooie zinnen of formuleringen tegenkomt die je wilt onthouden, doorgeven, wereldkundig maken?

Robert Walsers meesterlijke novelle 'De wandeling' uit 1917 is zo'n boek waarin je beter helemaal niets kunt aanstrepen, er staat gewoon te veel in. Het is schitterend eigenzinnig en excentriek, humoristisch, sprankelend van stijl en diepzinnig tegelijk. Toch heeft het bijna honderd jaar geduurd voordat dit boek - een lieveling van J.M. Coetzee en Elias Canetti - in het Nederlands verscheen. Zelfs bij de herontdeking van de grote Zwitserse outsider in de jaren tachtig, werd 'De wandeling' over het hoofd gezien.

Robert Walser beschrijft één dag uit het leven van een arme schrijver, onmiskenbaar een van zijn vele alter-ego's. De ik-verteller is een dromerige vagebond en 'luchthartige lanterfanter', die net een crisis achter de rug heeft en nu in een provinciestadje is neergestreken. De armoede is hem blijkbaar aan te zien, hij is iemand die 'steun van discrete aard ... verdacht hard nodig heeft'. Op een andere plaats laat hij weten: "Wat degelijke, spaarzame levenswijze aangaat, lijk ik op een veldmuis."

De verteller begint 's morgens aan zijn eenzame wandeling, hij is dan in een 'romantisch-avontuurlijke stemming'. Rond de middag loopt hij door een bos waar hij in een staat van serene gelukzaligheid raakt ("Wat maakt de betoverende stilte van het bos mij gelukkig!"). Maar naarmate de dag vordert, wordt hij steeds melancholieker en uiteindelijk keert hij 's avonds berustend en vol resignatie terug naar huis. De laatste bladzijden van de novelle behoren wat mij betreft tot het mooiste en ontroerendste wat Walser heeft geschreven.

Onderweg legt de verteller bezoeken af bij een boekhandel, een belastingkantoor of een kleermaker, waar hij met het personeel tamelijk groteske gesprekken voert, beter nog: gezwollen monologen afsteekt. Tegenover de belastingambtenaar, die hem een beetje wantrouwt, geeft hij ook een verklaring voor zijn wandelpassie: "Zonder wandelen zou ik dood zijn, en mijn beroep, waar ik hartstochtelijk van houd, zou ik allang hebben moeten opgeven. Zonder wandelen en het opdoen van schrijfstof zou ik niets meer hebben om over te schrijven, ook geen opstel kunnen vervaardigen, om nog maar te zwijgen van een novelle."

Net als in zijn andere meesterwerken (de lang geleden door Jeroen Brouwers ontoereikend vertaalde internaatsroman 'Jakob von Gunten' of de nog niet vertaalde romans 'Die Räuber' en 'Geschwister Tanner') schittert Walser in het schijnbaar triviale. Een voorbijrijdende trein bij een spoorwegovergang, inclusief wuivende passagiers, een kind dat bang is voor een hond of arbeiders die na het werk op weg gaan naar huis: dat zijn scènes waar Walser belangstelling voor heeft. Zijdelings blijkt ook zijn passie voor het milieu. Bijvoorbeeld als hij wijst op de 'luchtvervuilende, kwalijke stank', de 'natuurvervreemding' of het nodeloos omhakken van notenbomen - wat de verteller ergens flink op stang jaagt. Geen wonder dat Walser tegenwoordig door Amerikaanse en Duitse milieu-activisten op handen wordt gedragen.

Opvallend is ook de hang van de verteller naar innerlijkheid en rust, naar contemplatie. Hier ligt een duidelijke parallel met Walsers tijdgenoot Rainer Maria Rilke, die onder meer in zijn beroemde 'Duineser Elegien' klaagt dat volwassenen, anders dan kinderen, het vermogen missen om volledig op te gaan in het moment, het heden. Bij Walser vormt dit een doorlopend thema. In 'De Wandeling' luidt het ergens: "Staande in deze omgeving dacht ik alleen maar aan deze omgeving zelf; al het overige denken zakte weg."

Dit is een boek dat je langzaam en genietend moet lezen, savourerend zeg maar. Walsers taalgebruik is uitermate speels, springerig-associatief; de vele alliteraties, assonanties en verrassende beelden doen regelmatig aan prozalyriek denken. W.G. Sebald spreekt in zijn informatieve en persoonlijke essay 'De eenzame wandelaar', dat in het boek is opgenomen, over de 'unieke dolgedraaidheid van Walsers formuleringskunst'.

Veel lof verdient Machteld Bokhove voor haar subtiele en deskundige vertaling, die volledig recht doet aan het origineel. Een bijzondere prestatie.

Robert Walser: De wandeling. (Der Spaziergang) Vertaald door Machteld Bokhove. Met een essay van W.G.Sebald. Lebowski; 111 blz. euro 19,99

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden