ZONDER VIETNAM HARE KRISHNA'S EN HOMOSEKSUELEN

James T. Richardson, Joel Best & David G. Bromley (red.), The Satanism Scare. New York, Aldine de Gruyter, 320 blz., ISBN 0202303780. Richard Singelenberg is als antropoloog verbonden aan de vakgroep culturele antropologie van de Rijksuniversiteit Utrecht.

RICHARD SINGELENBERG

Het is alweer vijf jaar geleden dat ons land werd opgeschrikt door macabere verhalen uit Oude Pekela. Kinderen zouden massaal het slachtoffer zijn geworden van seksueel misbruik, gepleegd door als clowns vermomde engerds.

Het bleef niet bij louter sexueel geweld. Volgens de verhalen van de kinderen zijn hondjes en oma's gedood, meisjes opengesneden, het hartje eruit gerukt en meer van dergelijke gruwelijkheden. Kortom, in navolging van de Verenigde Staten had het satanisch ritueel misbruik nu ook in Nederland zijn intrede gedaan.

Maandenlang speurwerk van de politie leverde niets op. Het hulpverleningscircuit raakte verdeeld in twee kampen: de gelovigen die ervan overtuigd waren dat de kinderen de waarheid hadden gesproken en de sceptici die beweerden dat dit alles moest worden toegeschreven aan de fantasie van de kinderen en ondeugdelijke diagnostiek van de therapeuten.

De zaak sudderde verder, totdat EO's Tijdsein in 1989 vier uitzendingen aan satanisch ritueel misbruik wijdde. Weliswaar bleek het fenomeen zich hoofdzakelijk in de Verenigde Staten af te spelen en daar massahysterische vormen aan te nemen, maar na vertoning van de interviews met de Amerikaanse ooggetuigen en experts hadden zich bij de EO ook Nederlandse slachtoffers aangemeld. De RIAGG's zouden er al langer weet van hebben gehad, maar clienten en hulpverleners stonden niet te trappelen om hun ervaringen wereldkundig te maken: de satanisten zouden wraak kunnen nemen en de therapeuten hadden na Oude Pekela al genoeg hoon over zich heen gekregen.

"We zullen moeten accepteren dat Satan bestaat. De meest gruwelijke misdaden vinden plaats door daders die Satan vereren. De samenleving mag en kan dat niet accepteren. Om het te stoppen, moeten we het geloven," aldus de dreigende commentaarstem in Tijdsein van 14 juni. Daarna werd het stil. Oude Pekela is vergeten en voor de EO hoeft het voorlopig ook niet meer.

De Amerikaanse studie The Satanism Scare zoekt een verklaring voor de angstpsychose die de Verenigde Staten in haar ban houdt. Want zoveel is wel duidelijk geworden na de talloze vruchteloze opsporingsacties van de justi- tiele autoriteiten: er is geen spoor van bewijs voor het bestaan van een ondergronds opererende sekte die kinderen ontvoert en op gruwelijke wijze seksueel misbruikt, dan wel vermoordt. Dat tallozen er desondanks heilig van overtuigd zijn dat de mensheid door een wereldomvattende satanscultus wordt bedreigd vraagt om uitleg.

De combinatie van economische recessie en fundamentalistisch christelijke geloofsbeleving in de Verenigde Staten blijkt een goede voedingsbodem te vormen voor het satanische fenomeen. Sinds de jaren zestig voelen veel Amerikanen dat hun traditionele waarden zijn aangetast. De rol van het gezin, de manvrouw verhouding, de klassieke seksualiteit - ze zijn alle aan erosie onderhevig. De economische recessie heeft de verwarring alleen maar versterkt.

Wat is er gebeurd met Gods uitverkoren land, zo vragen velen zich af. Want ook dat is volgens de auteurs een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van de satanische mythe: negentig procent van de Amerikanen gelooft in God en de onheilsprofeten van de Moral Majority geven op niet mis te verstane wijze aan dat de natie met haar immoraliteit haar eigen graf graaft en zich rechtstreeks in de armen van de duivel werpt. Het einde van het millennium staat voor de deur.

Deze omstandigheden vormen volgens de antropoloog Stevens de voedingsbodem bij uitstek waarin een demonologie kan ontstaan: collectief geloof in de aanwezigheid van kwade machten die de maatschappelijke waarden en normen proberen te ondermijnen.

Historisch en antropologisch onderzoek heeft aangetoond dat dergelijke voorstellingen steeds weer opkomen in perioden van sociale onrust. Mensen krijgen het gevoel door hun leiders in de steek te zijn gelaten. Ze voelen zich genegeerd door een arrogante bureaucratie, die geen oor heeft voor hun problemen. Een demonologie geeft voor dat alles een verklaring.

Het bestaan van een satanische samenzwering is volgens de auteurs een voorbeeld van twintigste-eeuwse mythevorming, die een verklaring biedt voor heersende sociale ellende. De mythe is een poging om de ideale maatschappij te restaureren: de samenleving van voor de jaren zestig, met ongebreidelde economische groei, zonder Vietnam-syndroom, Hare Krishna's en homoseksuelen. De mythe wijst een zondebok aan voor wijdverspreide gevoelens van frustratie, woede en onmacht. Zij construeert een eenduidige vijand die verantwoordelijk is voor alle Kwaad, ook voor het Ultieme Kwaad: het eten van kinderen is de universele culturele nachtmerrie bij uitstek.

De satanische mythe en de omstandigheden waarin die de kop op steekt blijken door de geschiedenis heen opmerkelijke overeenkomsten te vertonen. De eerste christenen werden door de Romeinen al beschuldigd van het ontvoeren en offeren van kinderen. Tijdens de Middeleeuwen dachten de christenen dat de joden hetzelfde deden en vlak voor de Franse Revolutie zou de adel zich hebben gebaad in het bloed van de kinderen van de verpauperde massa.

Dat de mythe in Amerika vooral in het orthodoxe christelijke milieu veel bijval vindt, zal niet zo verbazingwekkend zijn. Opmerkelijk is evenwel dat

een bepaald segment uit het psychotherapeutische hulpverleningscircuit ervan overtuigd is dat het land bezaaid is met satanische cellen. De relatie tussen psychotherapie en psychiatrie enerzijds en religie anderzijds is, is immers - gelet op hun traditionele concurrentiepositie op de zingevingsmarkt - niet bepaald harmonisch te noemen. Maar juist doordat de hulpverleners deze verhalen zo serieus nemen, zouden ze volgens de auteurs de mythe wetenschap- pelijk hebben gelegitimeerd en daarmee aan het ontstaan en de verbreiding ervan hebben meegewerkt.

Komt satanisch misbruik in Nederland voor? Uit een vluchtige verkenning onder enkele vertegenwoordigers van de Nederlandse geestelijke volksgezond- heid en het justitiele apparaat blijkt de kwestie voor sommigen zeer gevoelig te liggen en in ieder geval uiterst controversieel te zijn. Het meest uitgesproken is een psychiater die meent dat het satanisme voor een bepaalde groep therapeuten een lucratieve nouvelle cuisine in de geestelijke hulpver- lening vormt. Als er geen markt is, creeer je die.

Dat wil echter niet zeggen dat individuele therapeuten er niet van over- tuigd zijn dat satanisch ritueel misbruik in georganiseerd verband voorkomt. Zo is een bestuurslid van de Vereniging voor Kinder- en Jeugd Psychotherapie ( "Ik spreek niet namens de Vereniging" ) er van overtuigd dat kinderen er in Nederland het slachtoffer van zijn. Of ze ook opgegeten worden, weet ze niet.

Volgens haar herhaalt de geschiedenis zich, zoals dat ook het geval was ten aanzien van het aanvankelijke ongeloof rond incest. Een ander is er van overtuigd dat er allerlei satanische groepen opereren en dat de media en de autoriteiten verantwoordelijk zijn voor het feit dat 'Oude Pekela' in de doofpot verdween.

Na de EO-uitzendingen was de Kinderbescherming extra alert. Toch zijn tot nu toe geen meldingen binnengekomen. Een voor de hand liggende conclusie uit deze schaarse aanwijzingen zou zijn dat er geen aanleiding is om veel aandacht aan het Nederlands satanisme te schenken. Dat willen de hulpverle- ners ook niet. Het land zou er nog niet 'klaar voor zijn'. Ook de unieke associatie met een bepaald aspect uit het orthodoxe christelijke gedachten- goed is voor de traditioneel toch al weinig godvruchtige therapeutische beroepsgroep een ongemakkelijke positie.

De vraag lijkt evenwel gewettigd of deze argumenten opwegen tegen de creatie van het spookbeeld van een satanische samenzwering of het bestaan van ultrageheime cellen, waarvan tot nu toe geen enkel concreet bewijs is geleverd. Het verwijt dat de geestelijke gezondheidszorg voortdurend nieuwe markten zou creeren krijgt in deze context een wel heel wrange bijsmaak. In ieder geval zouden er aanvullende vragen moeten worden gesteld over de sociaal-economische positie, religieuze affiniteit en de culturele inbedding van de getroffenen. Wellicht dat deze gegevens kunnen wijzen op een inherente sociale problematiek.

Het lijkt me dat de gezondheidszorg daarmee meer gebaat is dan met het voortbestaan van ongecontroleerde en oncontroleerbare rapportages. Tenzij men aan de hulpverlening een bovennatuurlijke dimensie wil toevoegen, onder het motto credo quia absurdum - ik geloof omdat het onmogelijk is. Maar daarmee bedoelde de klassieke theoloog Tertullianus volgens mij iets heel anders.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden