Review

Zonder sterven is leven geen leven meer

De dood is allang geen taboe meer in kinderboeken. Vooral de laatste vijftien jaar heeft de dood auteurs geïnspireerd tot juweeltjes als 'Derk Das blijft altijd bij ons' (1984) van Susan Varley, 'Kikker en het vogeltje' (1991) van Max Velthuijs, en 'Lieve oma Pluis' (1996) van Dick Bruna. Prentenboeken die het in zich hebben om tot klassiekers uit te groeien die niet alleen door jonge kinderen gewaardeerd worden, maar ook door volwassenen. Dat geldt ook voor complexere boeken als 'Kleine Sofie en Lange Wapper' (1984) van Els Pelgrom en 'De prinses in de moestuin' (1991) van Margriet en Annemie Heymans. Op 'Lieve oma Pluis' na zijn deze boeken alle nogal sprookjesachtig, en misschien hebben ze juist daarom zo'n universele zeggingskracht.

Integer

Enkele recente kinderboeken over de dood zijn realistischer, halen geen van alle dit niveau, maar zijn integer en zetten aan het denken. 'Water van zout' van de Vlaamse schrijfster Bettie Elias is het verhaal over een jongen van net negen jaar, Dries, die plotseling zijn vader verliest door een auto-ongeluk. Op sobere wijze wordt het verwerkingsproces verteld, van het aanvankelijke ongeloof, de onredelijke woede-uitbarstingen, het in zichzelf terugtrekken, tot het pas later kunnen huilen en troost kunnen accepteren en geven. Levensecht is het verschil in verwerking tussen hemzelf en zijn vierjarig zusje, dat aanvankelijk gewoon doorspeelt, en pas weken later onverwacht huilt: 'Ik wil papa...'. Belangrijk voor Dries is opa, met wie hij kan praten over het missen van iemand van wie je houdt: opa heeft oma verloren. Uiteindelijk vinden de gezinsleden troost bij elkaar. Een mooi sereen en compact verhaal over verdriet en troost. Het roept sterke emoties op, maar is niet sentimenteel. De korte hoofdstukken eindigen steeds met een briefje van Dries aan zijn vader: 'Papa, Vandaag heb ik een doelpunt gemaakt! Ik hoop dat je het gezien hebt (...). Ben je nu trots op mij?'

Dat kinderboeken over de dood niet droevig hoeven te zijn bewijst 'King' van de Zweedse auteur Ulf Stark (53), over een groepje kinderen dat de oude, stervende hond King, van een van hen, de dag van zijn leven bezorgt. In het pretpark, het leukste wat de jongens kunnen verzinnen, geniet King met hen van reuzenrad, lachspiegels en suikerspin. Een hamburgerdiner in McDonalds - 'want vandaag kiezen ze alleen het beste van het beste' - en een verboden bezoek aan een vrouwtjeshond ronden de feestdag af, die tegelijk Kings laatste dag wordt. Het verhaal doet denken aan 'Kun je fluiten, Johanna?' (1993), ook van Stark, waarin twee kwajongens met een hart van goud een oude man uit een bejaardenhuis een prachtig levenseinde bezorgen, compleet met ondeugende streken. 'King' vertoont eenzelfde mengeling van ontroering en humor, eenzelfde sfeer van stoere knulletjes die wel in zijn voor een geintje, en zelf niet doorhebben dat ze zijn om in een gouden lijstje te doen.

Van een grote verscheidenheid zijn de zeven verhalen die Ton Honig, studentenpredikant aan de VU en pastor in de Amsterdamse Dominicuskerk, schreef in 'Achterstevoren, wonderlijke verhalen over de dood'. De dood vat hij breed op: ook het voorgoed afscheid moeten nemen van een geliefde knuffel, die zo kapot is dat hij niet meer gerepareerd kan worden, valt eronder. Sommige verhalen zijn sprookjesachtig, zoals 'Ridder in spijkerbroek', een bewerking van het kaderverhaal uit 'Niemand is onsterfelijk' van Simone de Beauvoir. Hierin gaat het om een middeleeuwse ridder, wiens wens om onsterfelijk te zijn vervuld wordt. Als hij, in onze tijd beland, in spijkerbroek door de stad loopt, snakt hij er naar te kunnen sterven, want zonder sterven is leven geen leven meer. Andere verhalen zijn realistisch, zoals dat over de kapotte lievelingsknuffel en het verhaal over een demente oma. Het titelverhaal bevat een droom van een jongen, waarin het sterven van zijn moeder wordt 'teruggespoeld' als een film. Het laatste verhaal, waarin een riviertje zo graag wil weten wat er aan de andere kant van de berg te beleven valt, is een metafoor voor de wens om over de rand van de dood heen te kijken.

Rustig

Ton Honig heeft een rustige, heldere vertelstijl - soms wat breedsprakig - waarmee de dood nuchter benaderd wordt, maar waarin wel ruimte is voor emoties. De bundel is niet alleen voor kinderen geschreven, maar ook voor hun opvoeders. Na de verhalen volgt een beschouwing over rouwverwerking bij kinderen, waarin de auteur wijst op het belang van het verhaal, de verteltherapie, daarbij. Een kind van vijf dat een ouder, broertje of zusje verloren heeft bereik je niet met de vraag: hoe gaat het nu met je?, maar wel met een passend verhaal. Vandaar de tips voor gebruik van de verhalen in onderwijs, kindernevendienst en kinderpastoraat. Ook de bespreking in de bundel van een aantal kinderboeken over de dood gaat niet uit van literaire waarde maar van therapeutische bruikbaarheid.

Vanuit eenzelfde opzet verschijnt volgende week 'Het blauwe paard', door Ton en Coen Honig. Dit boek, gepresenteerd op 1 december, Wereld Aids Dag, bevat verhalen over en interviews met kinderen die met aids te maken hebben, plus een bespreking van twintig jeugdboeken over aids. Het verhaal over een meisje dat haar lievelingsoom verliest aan aids is zwak omdat het op twee gedachten hinkt: het wil én verhaal zijn, én informatie geven. De auteurs hadden beter kunnen kiezen voor een van de twee, zoals in de interviews. Die zijn helder en informatief, en maken 'Het blauwe paard' tot een bruikbare eye opener voor jongeren.

Ook op Wereld Aids Dag verscheen 'Hoe gaat het? Goed', van Anke Kranendonk, over Don, een jongen van een jaar of dertien, die aids heeft. Hoewel ook dit boek bedoeld is om begrip te kweken voor jongeren met aids en vooroordelen uit de weg te ruimen, is het haar wel gelukt om er een echt verhaal van te maken. Dat doet ze door het drama uit te werken van het kind dat dodelijk ziek is, maar puur wil leven: skaten, gewoon naar school gaan, verliefd worden. Om dat te kunnen doet Don zoveel mogelijk alsof er niets bijzonders met hem aan de hand is. Als hij weer eens in het ziekenhuis ligt, maar koste wat kost mee wil op skatekamp, leidt dat tot grote spanningen, vooral tussen hem en zijn adoptief-ouders (Don is geadopteerd uit een Roemeens kindertehuis). Uiteindelijk nodigt hij zijn skatevrienden met hun ouders thuis uit en vertelt dat hij aids heeft. Dat leidt tot ontspannener relaties met de mensen om hem heen, tot meer begrip, maar een happy end is er niet.

De titel van het boek doet denken aan 'Met mij gaat alles goed' (1996), de jeugdroman van Jan Simoen die ook over aids gaat. Dat zegt veel: tweemaal zo'n opgewekte titel terwijl het om aids gaat. Anke Kranendonk schrijft echter voor jongere kinderen, in een direct aansprekende stijl vol staccato-dialogen, snel, stekelig en kortaf, waarin het opstandige van Don en de zorg van zijn ouders levensecht tot uiting komen. Een ontroerend verhaal, niet alleen over de strijd tegen de dood, maar vooral over die voor het leven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden