Zonder scherven geen pot

Wie is de ware liefhebber van kunst? De beroeps die veertig keer om den brode hetzelfde stuk speelt? Of de amateur die weliswaar gedijt bij publieke aandacht, maar die genoegen neemt met een expositie in de plaatselijke bibliotheek? De Tweede Kamer wil meer aandacht voor de beoefening van amateurkunst, en staatssecretaris Aad Nuis is het daarmee eens. Maar waarom, omdat de amateur, soms 'de kunstzinnige burger' genoemd, een intensieve bezoeker van professionele kunst blijkt? Of vanwege de eigen merites van de amateur? Deze weken onderneemt Trouw een speurtocht naar de oprechte liefhebber. Vandaag: Frans Diederik, amateur-archeoloog.

MICHIEL KOOLBERGEN

Vraag niet precies naar namen en jaartallen, dat doet er immers niet zo toe: begin deze eeuw was er een groot pionier van de Nederlandse archeologie, en ergens in Drenthe had je die dwangkolonie voor paupers, landlopers en ander tuig. De weledelgeleerde heer dacht dat eenvoudig voetvolk voor een nuttig project in te kunnen zetten en toog met dozen vol oude potscherven naar het kamp. Kleine demonstratie: van scherven lijm je een pot, etcetera, en, heren leeglopers, veel succes! Kort na zijn bezoek kreeg de archeoloog bericht vanuit de kolonie: het werk is klaar! Hoe kan dat nou dacht ie, zo'n klus kost toch jaren, en nieuwsgierig reisde hij opnieuw naar het kamp af. Wat bleek? Het gajes had van al die dozen vol scherven één hele grote urn gemaakt....

Frans Diederik (45) memomeert deze anekdote graag om duidelijk te maken hoe gemakkelijk enerzijds de leken over archeologie denken (je vindt wat scherven en plakt ze hupsakee in elkaar tot een mooie pot), en hoe ingewikkeld anderzijds de archeologische arbeid in wezen is. Een hectare terrein overzichtelijk in vakken afgraven, daar zo'n 200 000 potscherven vinden, het materiaal stuk voor stuk zorgvuldig registreren en dan kijken of er onderdelen bij elkaar passen; een potpourri van eeuwenoude potscherven als tijdverslindende puzzel, zo'n karwei duurt gemakkelijk twee jaar. Het is monnikenwerk, mogen we wel zeggen.

“Het heeft er bij mij altijd ingezeten”, antwoordt Diederik op de vraag waar die passie voor het graven toch vandaan komt. “Het is de spanning van het nog niet weten wat je tegen zult komen, net als bij het lezen van een boek of bij het kijken naar een film.” Als jongetje raapte hij altijd al steentjes. Op zijn elfde, geboren en getogen in Beverwijk, ging hij dikwijls op zijn fietsje naar de plek waar opgravingen werden verricht in verband met de uitbreiding van Hoogovens. Grauwe, grijze scherven vond ie daar, en pijpekoppen, en toen hij een keer met zijn ouders naar een tentoonstelling van bodemvondsten ging, zijn buit in een doos onder de arm, verzekerden deskundigen aldaar dat er best wel bijzonder spul tussen zat.

Slechts van zijn veertiende tot zijn zeventiende was zijn passie even verborgen als de potscherf in de Nederlandse bodem - vrienden, school en meisjes hadden toen immers voorrang - maar daarna bloeide zij als nooit tevoren.

De hernieuwde kennismaking met 'het peuteren in de bodem' leek op de oude, met één verschil. “Het halve dorp Velzen moest verdwijnen in verband met de verbreding van het Noordzeekanaal. Ik reed daar toen heen op mijn brommer, mijn actie-radius was vergeleken met vroeger vergroot. Ik zag daar amateur-archeologen bezig in de grond aan het peuteren en kreeg een uitnodiging om mee te doen. Ze vertelden me precies wat ze aan het doen waren en toen ging de archeologie echt voor mij leven.” In 1968 sloot hij zich dan ook aan bij de archeologische werkgroep Velzen, het clubje nijvere amateur-gravers dat zich twee jaar later duchtig weerde bij de blootlegging van een Romeinse vlootbasis bij de Velzertunnel. Aldoende kreeg hij het vak onder de knie.

Maar gaat dat nooit vervelen, dat graven in Hollandse bodem waar meestal slechts beenderen en potscherven naar boven komen en zelden een fraai kunstvoorwerp, laat staan het een of ander gouden sieraad? Heeft Diederik er nooit aan gedacht om zijn hobby eens te verleggen naar landen als Griekenland of Italië, waar de zonovergoten bodem dikwijls van die fraaie objecten prijsgeeft? Nee dus. “Ik ben nooit gevoelig geweest voor die glimmertjes. En Nederland heeft archeologisch gezien een heel eigen aspect. Veel organisch materiaal: hout, delen van palen, botten....” Hoe de mensen hier heel vroeger leefden, dat te kunnen reconstrueren aan de hand van bodemvondsten, dat is wat Diederik mateloos boeit. Het idee dat opgegraven olijfpitten tot olijven behoorden die de Romeinen hier eeuwen geleden aten.... “Met een fraai kunstvoorwerp verlies je dat soort aspecten al gauw uit het oog. Het verhaal dat een voorwerp over de plek vertelt vind ik belangrijker dan wat het voorwerp over zichzelf vertelt.” Met andere woorden, Diederik krijgt niet genoeg van het vinden van objecten waar niets kunstigs aan is, hoewel hij tegelijk niet zonder trots een boek tevoorschijn pakt waarin een fraaie Romeinse dolkschede staat afgebeeld. Door hem persoonlijk gevonden.

Na zijn middelbare schoolperiode werkte Diederik bij een verzekeringsmaatschappij, haalde in vrije tijd zijn Middelbare Akte Engels en ging les geven. In 1973 was hij getrouwd en verhuisde naar Schagen, “waar je maar een schep in de grond hoeft te steken en je vindt wat.” Zijn hobby-genoten aldaar leerde hij kennen op bouwlokaties, plaatsen bij uitstek waar amateur-archeologen graag rondsnuffelen. Een werkgroep Schagen was snel gevormd en nu verricht de zes à zeven leden tellende club (die af en toe verloop kent en momenteel één vrouw onder de deelnemers telt) onbetaald werk voor de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek. Diederik is voorzitter van de werkgroep Schagen, die net als de meeste andere archeologische werkgroepen in het land ressorteren onder de Archeologische Werkgemeenschap Nederland. Deze overkoepelende organisatie van amateur-archeologen telt zo'n drieduizend leden en geeft een eigen blad uit, waarin Diederik dan ook heeft gepubliceerd. “Maar in totaal zijn er schat ik zo'n vierduizend amateur-archeologen in Nederland, want Friesland en Limburg hebben hun eigen organisaties. En de AWN heeft met zijn twintig afdelingen veel papieren leden, ik denk dat er alles bij elkaar in Nederland naar schatting vier- à vijfhonderd amateur-archeologen zijn die daadwerkelijk regelmatig met een meetlint en een troffeltje er op uit trekken.”

Van 1989 tot 1993 was Diederik nog landelijk secretaris bij de AWN. “Ik ben er drie jaar geleden mee gestopt, want het is een hondebaan als je een jong gezin hebt en je het naast je werk moet doen. Ik heb er één periode volgemaakt, en wat een zware rol bij mijn beslissing speelde is dat ik gezien de beperkte tijd moest kiezen tussen het veldwerk of het papieren werk.” En veldwerk doet Diederik toch liever dan secretaris zijn.

Het veldwerk (graven) gebeurt in de werkgroep Schagen op de vrije zaterdag - als het weer tenminste meezit -, en voor het schooonmaken en inventariseren van bodemvondsten c.q. het aan elkaar lijmen van potscherven staat de woensdagavond in de agenda genoteerd. De gemeente was zo vriendelijk een werkruimte beschikbaar te stellen in een oud schoolgebouw, dat vanuit Diederiks studeerkamer te zien is. In die werkruimte staan dozen vol botten en scherven opgestapeld en op tafels (leg een afgedankte deur horizontaal op stutten en je hebt een tafel) ondergaan meerdere van die scherven de metamorfose tot pot. Níet nadat ze schoongewassen zijn en daarna improvisorisch in een gesloten ladenkast met behulp van een straalkacheltje gedroogd zijn. üén ding is duidelijk na een korte blik over 'het slagveld'. Hier wordt veel liefdewerk verricht met weinig financiële middelen.

Diederik weet zeker dat dat liefdewerk taant ('werkgroep Velzen ligt momenteel op zijn gat') als hij niet als krachtig en enthousiast leider aan het hoofd van de graafbrigade staat. Soms overmand door teleurstellingen ten gevolge van 'de archeologische wet van Murphy' dienen de amateur-archeologen van Schagen vol goede moed het nuttig werk voort te zetten. Staan ze bijvoorbeeld op een bouwlokatie met al hun deskundigheid een jaar lang potscherven uit te grond te peuteren, graaft een machine op dezelfde plek even een vijver uit, en vindt de een of ander toevallig voorbij komende buitenstaander in de storthoop binnen vijf minuten een schat van vijftig zilveren munten uit de tweede helft van de derde eeuw. De wet van Murphy!

Maar ook Diederik kent zijn mooie momenten. Reeds twee jaar staat bij hem thuis een grote, fraaie pot, waarvan nog enige scherven ontbreken. En laat hij nou kort geleden in de werkruimte aan de overkant tijdens het sorteren van oude voorraden scherven een exemplaar tegenkomen dat.... “In een flits ging het door mij heen, ik herkende haar direct aan de vorm, het móést een van die ontbrekende scherven van de pot zijn.

Thuisgekomen ging ik meteen passen.'' En jawel, Frans Diederik bleek inderdaad een stukje aan een hem dierbare puzzel toe te kunnen voegen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden