Zonder ontstaansmythe ben je nergens

Nationalisme gedijt bij een goed oerverhaal, waaruit blijkt dat de sterke karaktereigenschappen van een volk er heel lang geleden ook al waren. Geschiedvervalsing is daarbij geen enkel bezwaar.

Eigenlijk was er geen natie ter wereld zo oud, zo onomstreden en zo verenigd als Italië, zo wilde Alfonso Ferrero la Marmora, de eerste minister van het land, het parlement in 1865 laten geloven. De volksvertegenwoordigers klapten hun handen stuk, terwijl ze wisten dat eerder het tegendeel waar was.

Italië was vier jaar daarvoor min of meer tot zijn eigen verbazing in rap tempo een geworden. Het nieuwe land was langgerekt en divers. Heel verschillende streken met heel verschillende geschiedenissen, gebruiken, tradities en gewoontes hoorden nu plotseling bij elkaar.

Buitenlandse bezoekers maakten snerende opmerkingen over wat je er zoal kon aantreffen. In hun ogen hield Europa ergens halverwege het schiereiland op. Alles wat daaronder lag, hoorde in die opinie meer bij Afrika. Anderen beschreven Italië als een soort tijdmachine: Milaan en Turijn waren moderne steden, in Florence ging je al terug naar de hoogtijdagen van de De Medici's, in Rome waren de Middeleeuwen nooit opgehouden, om over de primitieve toestanden in de hak van de laars en op Sicilië maar niet te spreken.

"We hebben Italië gemaakt. Nu moeten we nog Italianen maken", was de scherpe analyse van de liberaal Massimo d'Azeglio kort na de eenwording. Maar hoe zorg je voor een natiegevoel? Goed beschouwd is vrijwel elk land een door de wanorde en willekeur van de geschiedenis ontstane constructie. Soms hebben de inwoners binnen de grenzen echt wat gemeenschappelijk, maar veel komt ook aan op het laten geloven in een eenheid. Een goede basis leggen helpt.

Zoals vrijwel elke religie haar eigen scheppingsverhaal kent, kan nationalisme eigenlijk niet zonder een ontstaansmythe. Liefst is in zo'n 'In den beginne...' al veel van de trots en het karakter van de natie terug te vinden. Vaak bestond die natie nog helemaal niet in de tijd waarnaar wordt terugverwezen. Maar een kniesoor die daarop let. Voor volk en vaderland mag de geschiedenis best een beetje vervalst worden.

De jonge Italiaanse natie kon teruggrijpen op het glorieuze Romeinse verleden. Wie een wereldrijk draaiende wist te houden, kan van een veel kleiner schiereiland best een eenheid smeden.

Ook Nederland moest, een halve eeuw eerder, na het ontstaan van het koninkrijk in 1815, op zoek naar een aansprekend verhaal voor de plots verenigde landgenoten. Met een Oranje op de troon was vrijwel automatisch een grote rol weggelegd voor het verhaal van de Opstand en de Tachtigjarige Oorlog, en de daaropvolgende Gouden Eeuw, al sprak die historie vooral in Noord-Nederland aan.

Met een beetje fantasie kon je nog verder teruggaan in de geschiedenis. Diezelfde oer-Nederlandse moed en onverschrokkenheid waarmee het Spaanse juk was afgeworpen, was die niet al waarneembaar bij de Bataafse Opstand in 69 na Christus, toen de mensen van hier de machtige Romeinen tartten? Al in de Gouden Eeuw zelf was werk van Rembrandt, Vondel en Hooft bedoeld om die suggestie te wekken.

Toen België in de jaren dertig van de negentiende eeuw losscheurde van Nederland, was er een grote behoefte aan verhalen die het bestaan van die jonge staat konden legitimeren. Probleem was dat het land in de loop der eeuwen wel heel vaak door andere mogendheden was overheerst. Maar ver terug in de geschriften van Julius Caesar dook een van zijn meest geduchte tegenstanders op, het volk van de Belgae, volgens hem 'de dappersten onder de Galliërs'. Zij hadden het onder leiding van onder anderen Ambiorix, leider van de Eburonen, durven opnemen tegen het Romeinse wereldrijk.

Historici die hun vak verstonden plaatsten hun vraagtekens bij het omarmen van dit verhaal en wezen erop dat de Belgae weliswaar naamgever waren van het land België, maar dat het toenmalige Belgica niet een op een samenviel met het nieuwe land. Collega's met een meer nationalistische agenda waren echter wel meer dan bereid om een geschiedenis te construeren waarin in de Oudheid al de contouren van alle kwaliteiten van de latere natie waren te zien.

Zoals 'de dappersten onder de Galliërs' het hadden durven opnemen tegen de Romeinen, waren de Belgen in opstand gekomen tegen de Nederlanders en tegen het hun - via het Congres van Wenen (1815) - opgedrongen koninkrijk. In 1866 kreeg Ambiorix met veel vertoon een standbeeld op de Markt van Tongeren. Koning Leopold II woonde de onthulling met

zijn vrouw bij. In een voor de gelegenheid geschreven lofdicht werd de zittende vorst een 'zoon van Ambiorix' genoemd. De geschiedenis werd voorgesteld als een lange lijn: het volk moest geloven dat er een direct verband was tussen de held van het verleden en de hoop voor de toekomst.

Dezelfde Leopold II vond eigenlijk dat zijn België een nationaal pantheon moest krijgen "waar busten en standbeelden worden samengebracht van alle grote burgers die onze provincies hebben voortgebracht, vanaf Ambiorix, die de Romeinen heeft tegengehouden, tot de dag van vandaag". De koning had zelfs een plek op het oog: het Zoniënwoud, even ten zuidoosten van de hoofdstad Brussel. De tempel met grote Belgen kwam er nooit om een reden die je eerder bij de Nederlanders zou verwachten: de bouw was al te begrotelijk.

Leopold had het idee voor het pantheon opgedaan tijdens een reis door Beieren. Daarbij had hij het Walhalla bezocht, de tempel met bustes van de grootste Duitsers, die de Beierse kroonprins Ludwig begin negentiende eeuw op een heuvel aan de Donau bij Regensburg had laten bouwen. Naast de nodige voorouders van de troonpretendent kregen uiteenlopende figuren als Haydn, Kant, Goethe en Schiller een plekje. Ook Erasmus en de schilders Rubens en Van Dyck, in het land van Leopold toch gekoesterd als grote geesten van de Belgische natie, werden er geëerd als Duitsers.

De architectuur van het Walhalla deed denken aan het Parthenon op de Akropolis in Athene. De naam van de Duitse eretempel verwees naar de Noordse mythologie. Daarin was het Walhalla de prachtige zaal waar de 'Walkuren' - de strijdgodinnen - de gesneuvelde helden naartoe brachten. De oude Germanen zouden bij het verdere ontstaan van Duitsland in de decennia na Ludwigs initiatief steeds worden aangehaald. Het Middeleeuwse 'Nibelungenlied' werd onder het stof vandaan gehaald en inspireerde Richard Wagner weer tot zijn 'Der Ring des Nibelungen', het soort van werk waar de latere, volledig ontspoorde Duitse nationalist Adolf Hitler graag bij mocht wegdromen.

Want behalve samenbinden kunnen ontstaansmythen ook gevaarlijke gedachten oproepen. Dat gebeurt vooral als de grenzen van een land niet samenvallen met de gedroomde grenzen van een natie. Achter de huidige Russische expansiedrift zit behalve oud Sovjet-denken op zijn minst een beetje panslavisme, het verlangen om alle Slavische volkeren onder één leiding te verenigen. Turkije droomt stiekem van het pan-turkisme. Juist in de Syrisch-Turkse grensstreek, waar Russische vliegers werden neergeschoten, vochten Turkse strijders tegen het regime van Assad.

Nationale ontstaansmythen gaan op den duur een grote kluwen vormen met andere nationale verhalen over gedeelde geschiedenis, imponerende persoonlijkheden en momenten van trots, bijvoorbeeld op sportgebied. Op den duur kunnen die zelfs overheersender worden. Maar 's lands eigen Genesis blijft bewust of onbewust belangrijk voor het smeden of bewaren van eenheid.

Misschien helpt het ook verklaren waarom Europese bestuurders meestal enthousiaster worden van het Europese project dan Europese burgers. Verdere eenwording vraagt om een ontstaansverhaal, dat een gevoel van gemeenschappelijkheid oproept. Te vaak wordt nu maar teruggegrepen op de twee wereldoorlogen. Zonder EU is de vrede niet gewaarborgd. Vernietiging en ellende als fundering, dat vervult niemand met trots - hooguit degenen die zo fijn aan het bouwen zijn aan dat Europese project.

De negentiende-eeuwse Italiaanse politicus D'Azeglio zou zeggen: We hebben Europa gemaakt. Nu moeten we nog Europeanen maken.

Dat vraagt om een aansprekende mythe, een Europees 'In den beginne...' En om, eerlijk is eerlijk, een wat minder prominente plaats voor al die afzonderlijke nationale mythes die zich hardnekkig tussen de oren van de Europeanen hebben genesteld.

Paul van der Steen (1969) is journalist en historicus. Hij recenseert non-fictie voor Trouw en schreef het boek 'Schampschot. Een klein Nederlands dorp in de Groote Oorlog'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden