Zonder ondeugden staat gans het raderwerk stil

Hendrick ter Brugghen: Vrouw met een aapje, symbool voor onkuisheid en wellust. (Trouw)

Zelfs vrome christenen profiteren van de ondeugden in het leven, betoogde de Britse Hollander Bernard Mandeville in de achttiende eeuw. Zijn ’Fabel van de bijen’ laat de funeste gevolgen zien van fatsoenlijk gedrag.

We zouden allemaal fatsoenlijke mensen moeten zijn maar godzijdank zijn we dat niet, en daar danken we onze welvaart aan. Daar komt, in één zin, Mandeville’s fabel van de bijen uit 1723 op neer.

Om het in een voorbeeld uit te werken: de dief die een rijke vrek berooft, bewijst de samenleving een dienst want hij brengt geld in omloop dat anders nutteloos in een kist blijft liggen; met dat gestolen geld gaat die dief naar de hoeren, die met het geld dat zij opstrijken hun garderobe uitbreiden en daarmee weer de textielhandel stimuleren. Vervolgens profiteren politie, rechters en cipiers van het werk dat de dief hen verschaft. En dat er hoeren zijn is trouwens ook een noodzakelijk kwaad want anders zouden eerbare vrouwen niet veilig over straat kunnen gaan als er weer eens flink aantal zeelui aan wal komen, die afgezien van het zilte nat maandenlang droog hebben gestaan.

Geen wonder dat Mandeville’s boodschap slecht viel in de vrome en christelijke samenleving van zijn tijd. Die boodschap had hij verpakt in een fabel waarin mopperende bijen zich beklagen over het kwaad in hun maatschappij waarna Jupiter ingrijpt, de zonde uitbant, bijen enkel nog deugdzaam zijn en hun samenleving economisch instort. Wel deugd maar geen drank en dus de dood in de pot voor de herbergier. Geen trots en luxe meer, maar dan ook geen handel en kunstnijverheid meer.

Eerdere edities van de fabel van de bijen hadden maar weinig aandacht getrokken, merkt Harro Maas op in zijn voortreffelijke inleiding, maar toen ’De Fabel’ in 1723 door een rechtbank werd veroordeeld werd het een schandaal en begon het succes. De fabel zelf telt in deze editie maar tien bladzijden; het merendeel bestaat uit Mandeville’s ’Opmerkingen’ die hij toevoegde om zichzelf te verklaren en te verdedigen. Het geheel is vertaald door Arne Jansen die er ook nog eens een notenapparaat van zeventig bladzijden aan toevoegde; geen overbodige luxe want Mandeville verwijst nogal eens in bedekte termen naar tegenstanders en tijdgenoten en de noten verhelderen ook allerlei termen en toestanden uit die tijd.

Er is wel een eerdere vertaling uit 1985 van de fabel en de ’Opmerkingen’, maar alhoewel die eerdere vertaling op rijm was en de huidige niet, steekt die eerdere uitgave met enkel Mandeville’s tekst en zonder noemenswaardige inleiding of notenapparaat wel wat mager af bij de huidige editie, die ook nog eens aangevuld werd met enkele satirische pamfletten en ’Een brief aan Dion’, met wie Mandeville de Britse bisschop en filosoof Berkeley bedoelde die hem eerder had aangevallen.

Deze fraaie uitgave van de fabel is het derde deel van het verzameld werk van Bernard Mandeville (1670-1733) die in Rotterdam werd geboren, in Leiden promoveerde en zich in Londen vestigde als arts. Deze ambitieuze editie is eigenlijk een eerbetoon aan een profeet die in eigen land niet werd gehoord: pas aan het einde van de negentiende eeuw werd de fabel voor het eerst in het Nederlands vertaald.

Er is wel beweerd dat Adam Smith’s ’The wealth of nations’ niet zou zijn geschreven als de Rotterdamse dokter niet de weg had vrijgemaakt voor een zedelijke rechtvaardiging van welbegrepen eigenbelang waar we met zijn allen beter van worden. Misschien gaat dat wat ver maar van beïnvloeding is zeker sprake. Ook Immanuel Kant, die schreef dat de vooruitgang wordt gedreven door minder nobele aandriften als hebzucht, eerzucht en heerszucht, verwijst ergens naar Mandeville. Het is wel duidelijk dat men bij ons het belang van deze van oorsprong Nederlandse denker lange tijd niet heeft ingezien.

Mandeville is Brit geworden maar Hollander gebleven. Dat blijkt uit de uitvoerige verwijzingen naar de Nederlanden in zijn ’Opmerkingen’, maar misschien nog meer uit zijn empirische en nuchter-realistische instelling. Harro Maas betoogt in zijn inleiding dat Mandeville aansluit bij de empirische wending van de wetenschappen in die tijd. Voortgedreven door handelsbelangen brachten Hollandse schepen uit Oost en uit West kennis over flora en fauna mee terug, bijvoorbeeld in de vorm van kruidenboeken, die onderzoekers stimuleerden om de natuur niet vanuit eerste algemene principes te bestuderen, maar vanuit de waarneembare bijzonderheden.

Een zelfde wending zie je bij Mandeville, die ons duidelijk maakt dat je de samenleving niet vanuit vrome en christelijke principes moet bestuderen, maar vanuit de misschien wat minder verheffende maar wel realistischer praktijk. Mandeville trekt volgens Maas de ’materialistische conclusie’ dat mensen door hun passies worden gedreven. En dat is volgens Mandeville maar beter ook want alle kardinale deugden bij elkaar leveren zonder hartstochten nog geen ’redelijke jas of pappot’ op, schrijft hij in zijn ’Opmerkingen’.

Mandeville zelf trekt daarbij een onschuldig gezicht: „Wat voor schade breng ik de mens toe, als ik hem meer met zichzelf bekend maak dan hij daarvoor was?”, merkt hij ergens op. Dat zelfinzicht heeft iets van een ontmaskering, zegt ook Maas, en daar zijn degenen die ontmaskerd worden meestal niet mee ingenomen. De vrome kerkganger die op zondag in stemmig zwart brokaat met kanten kraag naar de dominee zit te luisteren, kreeg van Mandeville te horen dat hij boter op zijn hoofd heeft omdat hij stilzwijgend profiteert van allerlei ondeugden die hij als goed christen natuurlijk verontwaardigd van de hand wijst.

Mandeville schrijft dat hij zijn fabel enkel tot vermaak had geschreven. Dat was dan toch vooral zijn vermaak: Engeland was not amused met deze provocatie. De inleider en vertaler noemen in het voorbijgaan even die andere Provocateur die een kleine tweehonderd jaar later Europa op stelten zou zetten met zijn ’herwaardering van alle waarden’; Nietzsche dus. Het zou interessant zijn geweest als daar in de inleiding of in de voetnoten (die soms zeer uitvoerig zijn) iets meer over was gezegd.

Ach, zo heeft ieder zijn eigen wensen; bewijs temeer dat Mandeville nog springlevend is. Zijn ’Fabel van de bijen’ heeft als ondertitel ’Particuliere ondeugden, publieke weldaden’, of in de vertaling uit 1985 ’Particuliere zonden, algemeen profijt’, en Mandeville schrijft dat hij deze ondertitel gebruikte om aandacht te trekken. Welnu, dat is gelukt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden