Essay

Zonder ijdelheid zijn we nergens

Beeld thinkstock

IJdelheid staat in een kwade reuk. Maar wat zou er van ons resten als we de zeepbel doorprikken?

Toen ik onlangs voor een boekpromotie een paar dagen in Zagreb was sprak ik af met Ivana. Ze heeft kinderen van dezelfde leeftijd als ik, ze is ook filosoof en ze schrijft. Misschien kent u haar wel, Ivana Bodrozic. Ze schreef de bestseller 'Hotel Zagorje'. Maakt u zich geen zorgen, ik heb dat boek natuurlijk ook niet in het Kroatisch gelezen, maar er bestaat een Duitse vertaling onder de titel 'Hotel Irgendwo'.

Hoe dan ook, ik zat met Ivana in de kroeg en we hadden het over muziek. Ze vroeg zich af hoe ze zo van muziek kon houden en tegelijkertijd toch zo amuzikaal kon zijn. Want dat was ze, zei ze.

Als kind al had ze met haar veel te harde stem geen toon en geen maat kunnen houden. En nu was ze er onlangs achtergekomen dat haar dochter van acht dit gebrek aan talent ook had. Alleen haar dochter zag het zelf nog niet. Ze had op school in een koortje meegezongen en de dirigent had voortdurend met grote ogen haar kant opgekeken, hevig knikkend met zijn hoofd. Ivana lachte toen ze me dit vertelde. Haar dochter had het knikkende hoofd van de dirigent als een compliment opgevat, maar Ivana wist wat deze blik betekende. Zo radeloos hadden ze ook naar haar gekeken vroeger.

Gezichtsverlies
Ik durfde Ivana niet te vragen hoe ze er van zichzelf achter was gekomen dat ze geen muzikaal talent had, al leek ze me niet erg getraumatiseerd. Ze sprak er zo makkelijk over.

Toch had ik met de dochter te doen. Ik moest denken aan al die keren dat ik zelf als kind met veel gezichtsverlies mijn zelfbeeld had moeten bijstellen. Bijvoorbeeld als ik mezelf op foto's terugzag. Anders dan mijn broer besteedde ik veel aandacht aan mijn uiterlijk, keek veel en graag in de spiegel en ik droeg zelfs op de warmste zomerdagen nog steeds liever een lange broek met dichte schoenen, omdat ik dat beter vond staan dan sandalen onder een korte broek. Als mijn vader foto's van ons maakte, hoopte ik dat ik er op zou staan als de jongens die ik in reclamefolders en tijdschriften aantrof. Maar als ik een paar weken later de afdrukken zag, dan was dat toch meestal behoorlijk teleurstellend. Daar stond ik dan: een jongetje met een bleek gezicht en vlassig haar, die wat aanstellerig voor zich uit stond te staren.

Of neem die keer in de brugklas dat ik voor een muziekavond de show had willen stelen met een zelf gecomponeerd melodietje voor de piano. Behalve dat ik van de zenuwen mijn linkerhand niet meekreeg, moest ik ook aanhoren hoeveel getalenteerder de andere kinderen waren.

In onze ogen zijn het kleine krasjes, maar op de ziel van een kind zijn ze niet te verbergen. Je hele persoon lijkt erdoor aan het wankelen gebracht. En dan heb ik het nog niet gehad over de liefde en de blauwtjes die ik heb gelopen.

"We noemen God een illusie en denken aan een optische illusie. Het lijkt of hij bestaat, net als Sinterklaas, maar we kunnen bewijzen dat het de buurman is - kijk maar naar zijn schoenen." Beeld thinkstock

Met vallen en opstaan ontdekken we in de loop van ons leven hoe ijdelheid ons voortdurend voor de gek houdt en naar het hoofd stijgt, totdat we zoveel blauwe plekken hebben dat we ons ware gezicht ten slotte toch echt eens eerlijk in de ogen moeten kijken. Althans dat houden we ons voor, want aan ijdelheid komt natuurlijk helemaal geen eind. Dat is misschien maar goed ook. In ieder geval lukt het ons nooit om ijdelheid eronder te krijgen. We worden niet eerlijker, maar bedrevener in het verbergen van onze ijdelheid.

Neem nu de eerste alinea van dit essay. Met een half ernstig verhaal over een dochter zonder zangtalent leid ik u als een goochelaar af van alle zelffelicitaties die ik behendig tussen neus en lippen door doe. Een boekpromotie in Zagreb, dat betekent dus dat mijn werk vertaald is in het buitenland. In de kroeg met Ivana Bodrozic, wil zeggen dat ik bevriend ben met internationale bestsellerauteurs. En zonder te liegen laat ik u ook nog denken dat ik haar werk heb gelezen, in het Duits nog wel. Maar ik heb alleen maar beweerd dat ik geen Kroatisch lees. Een afleidingsmanoeuvre waardoor u vervolgens zelf invulde dat ik dan de Duitse vertaling wel zou hebben gelezen. Maar dat heb ik niet.

Behendige hartstocht
Deze kunstgrepen hanteren we allemaal. Niet alleen op Facebook, waar het natuurlijk één grote dikvoormekaarshow is, maar overal in het dagelijks leven. Niemand ontkomt aan de ijdele neiging tot zelfpresentatie. U kunt dat nu wel willen weerspreken, maar dan doet u dat om niet verkeerd te worden neergezet. En wat is daar precies niet ijdel aan?

Eigenliefde, schreef de zeventiende-eeuwse François de la Rochefoucauld, "is de liefde tot onszelf en tot alle dingen omwille van onszelf." Een meedogenloze en behendige hartstocht, volgens La Rochefoucauld: "Ze draait met alle winden mee, haar metamorfoses overtreffen die van Ovidius. De diepten van haar afgronden zijn onpeilbaar, hun duister ondoordringbaar. Daar is ze onvindbaar voor de scherpste blik. Daar broedt ze, vaak onzichtbaar voor zichzelf, haar stiekeme intriges uit. Maar deze diepe duisternis die haar verbergt voor zichzelf, verhindert niet dat ze een volstrekt heldere kijk heeft op alles buiten haar, en daarin lijkt ze op onze ogen die alles kunnen waarnemen behalve zichzelf."

Misschien is het helemaal niet zo erg als we denken, deze eigenliefde. Uit angst voor gezichtsverlies zijn we immers soms in staat om boven onszelf uit te stijgen. Mijn dochter vertelde pas toen ze haar zwemdiploma's al geruime tijd had hoe ze haar eerste duik van het startblok had beleefd. "Weet je pap, ik durfde dat helemaal niet. Maar ik durfde de badjuf ook niet teleur te stellen. Ik dook en toen ik onder water mijn ogen opendeed, was ik heel blij. Omdat ik het nou ook kon." Zo zie je maar, ijdelheid kan het winnen van watervrees. En zo kan ijdelheid ons dus juist ook dwingen om normaal te doen, om ons aan te passen aan de sociale norm.

"Maar hoe voorkomen we dat ijdelheid ons te gronde richt, zoals bij Narcissus die naar zijn spiegeling in het water staarde en nooit meer van zijn plaats kwam?" Beeld thinkstock

Maar ijdelheid vervult een nog veel belangrijkere functie. Van ijdelheid zeggen we dat het de neiging is ons beter voor te doen dan we in werkelijkheid zijn. Laten we dan, puur als gedachtenexperiment, ons nu eens voordoen zoals we werkelijk zijn. Dan moeten we wél eerst weten wie we zijn. En daar ligt een groot probleem.

La Rochefoucauld stipte het zo-even al aan, toen hij zei dat onze ogen alles kunnen waarnemen behalve zichzelf. We zitten nu eenmaal vast aan ons letterlijke standpunt in de wereld en in de tijd. Om onszelf zogezegd hier en nu aan te treffen moeten we iets logisch tegenstrijdigs doen: we moeten loskomen van dit standpunt om ons op deze plaats en dit moment voor ons te zien.

Zeepbel
Ogen kunnen zichzelf niet zien, we voelen ons gevoel niet, noch horen we ons gehoor, ruiken we onze reuk of proeven we onze smaak.

In onze zelfkennis zit altijd een blinde vlek, een gat. Daardoor worden we nooit een geheel. Zelfs het eerlijkste zelfonderzoek brengt niet aan het licht wie je bent.

En hier schiet vanitas ons te hulp. Want ijdelheid is de illusionist die dat onbekende zelf van ons toch nog een identiteit verschaft. In de schilderkunst wordt ijdelheid wel afgebeeld als een zeepbel - onze identiteit hangt in het luchtledige. En eigenliefde houdt deze illusie in stand. Want wie van zichzelf houdt, die bestaat. Ik ben ijdel, dus ik ben.

Maar illusies hebben net als ijdelheid geen goede naam. We willen niet voor de gek worden gehouden, we willen de waarheid. Ook Diederik Stapel, zelfs Stapel, de hoogleraar sociale wetenschappen die veel onderzoeksdata had verzonnen om zich als een uitmuntend wetenschapper voor te doen, zelfs hij wijst met een beschuldigende vinger naar de illusie.

Niet te extreem
"Ik was een goochelaar", schrijft hij in zijn autobiografie 'Ontsporing'. "Ik creeërde mijn eigen werkelijkheid en iedereen dacht dat het echt was. Goochelen = vaardigheid x afleiding. Ik wist heel goed waar ik het over had en kon op die manier voor iedereen een rookgordijn optrekken. De onderzoeken die ik deed waren nooit te extreem, te bizar of te opwindend."

Stapel heeft afscheid genomen van het goochelen. Voor de wetenschap is dat maar goed ook. Het is wel jammer dat hij hiermee de illusie weer eens een slechte reputatie bezorgt.

Vergeet niet dat 'illusie' teruggaat op het Latijnse ludere, dat niets anders dan 'spelen' betekent. We zien illusie niet als een spel, maar vooral als misvatting.

Neem televisiepresentator Wilfried de Jong tijdens een lang tv-interview met Hans Klok. De illusionist verklapt een van zijn trucs. Hij laat De Jong een kaart tussen duim, middel- en ringvinger klemmen en legt uit hoe je deze vervolgens in één vloeiende beweging achter de rug van je hand draait. Een basistruc waar veel andere trucs op voortborduren; als slotact tovert Klok een hele stapel kaarten uit zijn mond. Al krijgt De Jong de uitleg erbij, en staat hij er met zijn neus bovenop, dan nog ervaart hij met open mond de betoverende kracht van de illusie.

God en voodoo
Tot zover niets bijzonders. Dit is het type illusie waaraan we meestal denken wanneer we het woord gebruiken, een optische illusie. Het lijkt zo, maar we kunnen bewijzen dat het niet zo is. Toch krijgt het vraaggesprek een verrassende wending als de interviewer vraagt: "Wat is dan het verschil tussen goochelen en toveren?"

Klok bedenkt zich geen moment. "Toveren is echt natuurlijk." De Jong fronst en vraagt door.

De goochelaar blijkt te geloven in God en in voodoo.

Geloof je dat echt? De Jong probeert z'n lachen in te houden. "Maar dat is ook vreemd eigenlijk: jij houdt ons met de allermooiste illusies voor de gek en zelf trap je in de eerste de beste illusie, namelijk dat God bestaat."

Zo zien we hoe ook woorden ons kunnen begoochelen. We noemen God een illusie en denken aan een optische illusie. Het lijkt of hij bestaat, net als Sinterklaas, maar we kunnen bewijzen dat het de buurman is - kijk maar naar zijn schoenen. Maar God is natuurlijk een andere illusie, niet te bewijzen en niet te weerleggen. God is zogezegd geen optische, maar een ontologische illusie. Een bestaansvorm, die net als de vrije wil niet bewezen noch weerlegd kan worden.

Het hele bestaan is een ijdel gebeuren. Een zeepbel. En als je die doorprikt, zie je niet hoe het echt zit, maar blijft er niets meer over.

Omwille van een eigen bestaan, omwille van onszelf, hebben we een illusie nodig en ijdelheid is het spel dat deze illusie in stand houdt.

Eigen vijand
Maar waarom dan is ijdelheid zo lang in de ban gedaan? De voordelen van ijdelheid zijn groot, maar haar nadelen zijn levensgevaarlijk. Nog eens La Rochefoucauld: "IJdelheid sluit zich zelfs aan bij het leger van de vijand, trekt ermee op, haat zichzelf verbazingwekkend genoeg net als zij, zweert met hen samen om zichzelf ten val te brengen, en werkt zelfs mee aan haar eigen ondergang. Het enige wat haar iets kan schelen is of ze bestaat, en zo lang ze bestaat, is ze bereid haar eigen vijand te zijn."

Daar moeten we dus voor uitkijken. En de vraag is of Stapel deze valkuil wel heeft doorzien, als hij schrijft dat hij lang heeft nagedacht hoe hij de auteur van zijn autobiografie zou noemen. "D. Stapel, D.A. Stapel, Diederik Stapel, Diederik A. Stapel of Diederik Alexander Stapel? Ik heb gekozen voor Diederik Stapel", zegt hij ten slotte, "omdat dat een breuk is met mijn wetenschappelijk identiteit. Mijn wetenschappelijke artikelen publiceerde ik altijd onder de naam Diederik A. Stapel. Diederik A. Stapel was een liegende, frauderende wetenschapper. Die heeft dit boek niet geschreven. Dit boek is geschreven door de ex-wetenschapper, ex-professor en ex-doctor Diederik Stapel. Dat is iemand anders."

Diederik Stapel is niet Diederik A. Stapel. Wat zei La Rochefoucauld ook alweer? "Het enige wat [ijdelheid] iets kan schelen is of ze bestaat, en zo lang ze bestaat, is ze bereid haar eigen vijand te zijn."

Ik zeg dit niet om de nieuwe Diederik Stapel die hij zegt te zijn bij voorbaat te veroordelen. Ik zeg dit om te laten zien dat iedereen de ijdele illusie van een complete - en soms compleet nieuwe - identiteit nodig heeft om er überhaupt te zijn.

Het is zelfs zo dat zo'n illusie het gemakkelijker kan maken om andere gebreken van jezelf toe te geven. Zoals ook de succesvolle Kroatische schrijfster Ivana Bodrozic gemakkelijker over haar gebrek aan muzikaal talent durft te praten, omdat het haar vanitas niet in gevaar bent. IJdelheid biedt dus zelfs de mogelijkheid tot zelfkritiek.

Ogen van de ander
Maar hoe voorkomen we dat ijdelheid ons te gronde richt, zoals bij Narcissus die naar zijn spiegeling in het water staarde en nooit meer van zijn plaats kwam?

Misschien moeten we de mythe van Narcissus zo begrijpen: met hem liep het mis, omdat hij zichzelf slechts door zijn eigen ogen wilde leren kennen en niet door die van de ander. Kortom, we moeten ons ijdele zelf niet voor onszelf houden, we hebben ook de ander nodig om dit zelf in stand te houden.

Een voorbeeld: de kunstenaar. Hoe wordt de kunstenaar een kunstenaar? Is hij al aanwezig in de persoon die de kunst nog moet produceren, of ontstaat hij pas met het verschijnen van het kunstobject? Het druist in tegen onze intuïtie, maar het laatste is het geval. Een kunstenaar bestaat niet zonder de techniek en het materiaal dat nodig is voor het object, noch zonder een publiek dat het object als kunst waardeert. In tegenstelling tot de gemeenplaats dat er eerst een innerlijk idee is en daarna pas het uiterlijke werk, wordt de kunstenaar pas geboren als het kunstwerk er al is - net als de vader of moeder er pas is ná de geboorte van het kind. Een mens spoort niet zolang er geen publiek is dat hem begrijpt.

Zo kun je je afvragen of de journalist die in november door deze krant werd ontslagen nadat 'ernstige twijfel over de juistheid en zelfs het bestaan van opgevoerde bronnen' was gerezen, eigenlijk ooit wel een goede journalist is geweest. Ook al heb je een gouden pen en een scherpe intuïtie, zonder verifieerbare bronnen heb je geen verhaal. En zonder verhaal ben je geen journalist, laat staan een goede.

Publiek serieus nemen
Wie meent dat zijn eigen unieke persoonlijkheid verborgen ligt in zijn eigen geest, en het de wereld kwalijk neemt dat deze eigenzinnigheid niet wordt opgemerkt, is niet zichzelf en zal zichzelf met deze zelfgenoegzaamheid nooit vinden. Alleen de narcist die zich overgeeft aan de wereld, heeft kans te worden wie hij is.

Ook ik moet mijn publiek dus serieus nemen. Laat ik me dan ten slotte verontschuldigen voor mijn ijdele gedoe aan het begin van mijn verhaal. Dat was echt niet om me beter voor te doen, het was gewoon een voorbeeld. Aan de andere kant, u mag blij zijn dat ik tenminste een beetje ijdel ben. Ik doe dat niet alleen om mezelf te behagen, ik doe het vooral voor u. U heeft liever ook dat hier iemand schrijft met enig succes, dat maakt uw positie als lezer immers comfortabeler. In succes wil men graag delen. Ook dat zien we op Facebook. De meeste likes krijg je op de successen die je deelt, een gewonnen prijs, een optreden op televisie, de zoveelste herdruk.

Maar goed, genoeg over mij. Nu wil ik weleens weten wat u van mijn essay vond.

Deze tekst is een bewerking van de 'hoofdzondenpreek' die Coen Simon in de Grote Kerk te Alkmaar hield. Op 25 januari om 16 uur preekt Joost Zwagerman daar over 'lust'.

Coen Simon (1972) is filosoof. Hij publiceert regelmatig in Trouw. Met 'En toen wisten we alles', won hij de Socrates Wisselbeker voor het beste filosofische boek van 2011.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden