Zonder hogere prijs voor CO2 is 'Parijs' gebakken lucht

De Wujing Coal-Electricity Power Station in Shanghai Beeld AFP
De Wujing Coal-Electricity Power Station in ShanghaiBeeld AFP

Landen, bedrijven, organisaties: iedereen roept nu dat het klimaatakkoord van Parijs nog recht overeind staat. Dan moet uitstoot van broeikasgas wel veel duurder worden.

Een hoge prijs op CO2 is nodig om klimaatcatastrofes te voorkomen. Zonder een gepeperd prijskaartje aan uitstoot, zullen de in Parijs afgesproken doelen niet gehaald worden. Een paar dagen voordat president Donald Trump de stekker uit het in Parijs gesloten klimaatverdrag trok, kwamen economen met deze boodschap.

China en de Europese Unie beloofden direct, nu de VS afhaken, extra inspanningen om de opwarming te beperken tot ruim onder de 2 graden aan het eind van deze eeuw. Dan zullen ze heel rap aan de bak moeten. Want binnen een paar jaar zou een ton kooldioxide 40 tot 80 dollar moeten kosten, in 2030 50 tot 100 dollar. De huidige 5 euro (5,60 dollar) die een ton CO2 nu in het Europese emissiehandelssysteem kost, steekt daar nogal schraal tegen af. Bovendien: 85 procent van de wereldwijde uitstoot is nog helemaal gratis en bij driekwart van de emissies die wel geld kosten, ligt het tarief onder de 10 dollar per ton.

De economen die op snelheid aandringen zijn niet de eersten de besten. Onder leiding van Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz en de Brit Lord Nicholas Stern hebben gezaghebbende economen uit de hele wereld aan de CO2-prijs gerekend. Het rapport dat ze vorige week publiceerden is gemaakt onder de vlag van de Carbon Pricing Leadership Coalition. Die is na 'Parijs' gelanceerd om landen, bedrijven en organisaties hun kennis over het beprijzen van CO2 te laten delen. Nederland doet ook mee: staatssecretaris Sharon Dijksma spant zich in voor hardere afspraken en DSM-topman Feike Sijbesma is een van de boegbeelden. De Wereldbank en het IMF steunen het onderzoek.

Het principe achter een CO2-prijs is simpel. Maak ongewenste activiteit, in dit geval uitstoot van broeikasgas, duurder en het zal minder gebeuren. Het is een efficiënte manier om investeringen, onderzoek en consumentengedrag te sturen, weg van fossiele brandstoffen, naar alternatieven en minder gebruik.

Nu koolstofintensieve activiteiten nog weinig gevolgen hebben voor de portemonnee, is het klimaatbeleid te vergelijken met de processie van Echternach: twee stappen vooruit, een stap achteruit. Een huiseigenaar kan bijvoorbeeld besluiten de woning te isoleren en zonnepanelen op het dak te leggen. Verstook je minder gas en betaal je minder aan energie. Maar waar wordt het bespaarde geld aan uitgegeven? Aan een voordelig weekje Griekenland per vliegtuig wellicht. De prikkels zijn nog niet scherp genoeg om dit soort zogeheten 'rebound-effecten' te voorkomen. Dat geldt voor burgers maar ook voor investeerders, overheden en bedrijven. Uitstoot is gewoonweg te goedkoop, de noodzaak om nieuwe technologieën te ontwikkelen nog te klein.

Regionale maatregelen

Discussie over het duurder maken van CO2 eindigt vaak met de constatering dat iedereen, alle landen, bedrijven, mee moet doen om concurrentievervalsing te voorkomen. Maar emissies duurder maken hoeft niet met één prijskaartje voor de hele wereld, stellen de economen. Dat is onmogelijk om af te spreken, maar ook niet nodig. Landen en regio's kunnen zelf systemen bedenken en invoeren en dat gebeurt ook al. Zo heeft Europa nu geen belasting op kooldioxide maar het zogeheten ETS, een emissiehandelssysteem. Daar worden rechten op uitstoot verhandeld waarbij het totale aantal rechten steeds daalt. Op zichzelf een economisch efficiënt systeem, ware het niet dat er veel te veel rechten zijn uitgegeven en de prijs mede daardoor te laag is om wezenlijke koerswijzigingen af te dwingen.

Elders in de wereld zijn er regio's met eigen maatregelen. De Canadese provincie British Columbia heeft al sinds 2008 een CO2-taks van 30 dollar per ton. Die heeft de uitstoot met 5 tot 15 procent doen zakken, de opbrengsten zijn via belastingvoordelen weer teruggegeven aan de burgers. Twee andere provincies volgen nu. Alberta kent sinds 1 januari een koolstofheffing van 20 dollar per ton CO2-uitstoot. Ontario heeft op hetzelfde moment een handelssysteem opgezet, waar rechten nu op 18 euro per ton staan. Het Verenigd Koninkrijk heeft 18 pond (ruim 20 euro) per ton bovenop de Europese emissiehandelsprijs gezet om de uitstoot omlaag te brengen. Het heeft gewerkt, in ieder geval voor kolencentrales: de emissies daaruit daalden mede door die heffing, vorig jaar zelfs met ruim 50 procent. Het land maakte in mei voor het eerst een 'kolenvrije' dag mee. Frankrijk kondigde vorig jaar aan op die manier ook zelf een bodemprijs in het emissiehandelssysteem te leggen, van 30 euro, maar dat is er nog niet door.

Bedrijven zien een hogere CO2-prijs al als een onontkoombaar gegeven voor de nabije toekomst. Meer dan vijfhonderd ondernemingen rekenen er daarom al mee in een schaduwboekhouding. Zo kunnen ze beoordelen of investeringen wel rendabel zijn voor de langere termijn. Niet alleen grote bedrijven die in het Westen geworteld zijn, doen dat. Een grote Indiase producent van landbouwvoertuigen, Mahindra, besloot vorig jaar als eerste in India intern uit te gaan van 10 dollar per ton CO2-uitstoot. Zo wil het bedrijf de eigen voetafdruk met een kwart verminderen in drie jaar. Ook het Nederlandse chemiebedrijf DSM onderwerpt sinds vorig jaar alle grote investeringsprojecten aan een koolstoftest.

Koolstofbonus

Stiglitz en Stern wijzen erop dat bedrijven daarnaast onder toenemende druk staan van financiers om hun CO2-huishouding inzichtelijk te maken. Ook geldschieters willen weten, als er een hogere prijs op uitstoot komt, wat dat voor gevolgen heeft voor hun beleggingsportefeuille. Ze willen, aangemoedigd door centrale bankiers, de 'klimaatbestendigheid' daarvan kunnen vaststellen.

Uitstoot beprijzen is noodzakelijk, maar niet genoeg om de klimaatdoelen, gesteld in Parijs te halen, zeggen Stiglitz en Stern er wel bij. Om te beginnen moeten de subsidies op fossiele brandstoffen, door het IMF in 2015 geschat op 650 miljard dollar wereldwijd, volgens het rapport drastisch omlaag. Want die werken nu in feite als een koolstofbonus. Ook is het nodig oog te hebben voor negatieve emissies, oftewel beleid dat CO2 uit de lucht haalt, zoals de aanplant van bossen en aanvullend beleid om investeringen en wetenschappelijk onderzoek te steunen.

Veel gehoord bezwaar tegen het zwaar belasten van broeikasgassen, is dat de minst bedeelden, of dat nu landen of mensen zijn, relatief de zwaarste rekening krijgen. Ook daar hebben Stiglitz en Stern een antwoord op. Laat lokale omstandigheden vooral meewegen, is hun advies. Zo is het onredelijk om in opkomende landen, met een lager prijspeil, net zo'n hoge koolstofheffing in te voeren als in de rijke landen. Die zou veel te hard aankomen. Op de lange termijn moeten die verschillende CO2-belastingen wel naar elkaar toe groeien. Binnen landen of regio's zijn de laagste inkomens te compenseren met de opbrengsten van de heffing als zij relatief de zwaarste rekening krijgen. Dat kan bij voorbeeld via lagere lasten op arbeid, suggereren Stiglitz en Stern.

Zonder zo'n sterke economische prikkel als een hoge en gestaag stijgende CO2-prijs is 'Parijs' dus gebakken lucht, kort door de bocht gezegd. Dat kunnen economen zeggen, zij zitten niet aan de knoppen. De politieke haalbaarheid ervan is, op z'n zachtst gezegd, twijfelachtig, in Parijs is het niet gelukt er harde afspraken over te maken. Toch gloort hier een uitweg. Een belasting op uitstoot of een emissiehandelssysteem zijn 'marktoplossingen' bij uitstek. Er is minder 'overheid' voor nodig dan als er, bijvoorbeeld, subsidies uitgedeeld moeten worden voor hernieuwbare energie. Dat spreekt conservatieve en liberale kiezers en politici aan die op zichzelf wel voor klimaatbeleid zijn maar gruwen van een grote overheid.

Zo bedacht een groepje Amerikaanse Republikeinen onlangs een plan voor een koolstofbelasting in de stad Washington. Juist in het Trump-tijdperk moeten Republikeinen die wel voorstander zijn van klimaatbeleid op zoek naar alternatieven, menen zij. Hun plan was het energieverbruik in de gebouwen in Washington, goed voor driekwart van de stadse uitstoot, te belasten en de 200 miljoen dollar die dat op zou leveren terug te geven aan de burgers. Het is nog niet gepubliceerd, maar persbureau Bloomberg kreeg twee maanden geleden een kopie in handen. Een CO2-belasting in staten of steden zal vaker op de agenda komen zo opperen die Republikeinen. De federale Staat is daar niet bij nodig.

Een koolstofheffing aan de grens zou ook als drukmiddel richting de regering-Trump kunnen fungeren, suggereerde Joseph Stiglitz vorige week als reactie op de Amerikaanse terugtrekking. Andere landen kunnen aan de import van Amerikaanse kolen, die ook hier worden verstookt, of van andere vervuilende producten een extra prijskaartje hangen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden