Zonder geloof gaan we heus niet verloren Het recht op een zinloos bestaan

Op 19 december vorig jaar verscheen ’Geloven in het publieke domein’, rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). De overheid moet zich bemoeien met zingeving, zo luidde de centrale aanbeveling. Het vuistdikke rapport maakte heftige reacties los onder voor- en tegenstanders. Wekenlang beheerste het debat de opiniepagina’s van de kranten.

De overheid moet zich bemoeien met de manier waarop burgers zin geven aan hun leven. Dat is de strekking van een aantal bijdragen in ’Geloven in het publieke domein’, rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Hoe verkopen de onderzoekers de noodzaak van levensbeschouwelijke inmenging door de staat? Door mank gaande historische vergelijkingen, paniekzaaierij en het intrappen van open deuren.

Hoewel de these dat Nederland steeds verder seculariseert al jaren onder vuur ligt, wordt dit feit in het rapport als nieuws gepresenteerd. Triomfantelijk schrijven de onderzoekers dat Nederlanders die niet kerkelijk gebonden zijn, wel degelijk een levensbeschouwing hebben. Daarbij verwijzen zij naar de bevindingen van onderzoeksbureau Motivaction, dat vier bevolkingsgroepen met ieder een andere leefstijl of zingevingsstijl onderscheidt. Er is ook een groep van achttien procent die geen enkele affiniteit vertoont met spirituele of humanistische waarden: de ’niet-religieuze niet-humanisten’. Zij koesteren hun zelfbeschikking, zijn hedonistisch, wantrouwend, hebben weinig op met gemeenschapszin, empathie, het milieu en tolerantie. Ze zijn de ’teleurgestelden’ van de samenleving.

Over deze nihilisten bestaat grote zorg bij de WRR. „Binnen deze categorie en in de interactie tussen mensen uit deze categorie en anderen kunnen situaties ontstaan waarin gedrag (niet) meer geregeld wordt of wordt geregeld door niet-aanvaarde maatschappelijke normen. (...) Men kan vermoeden dat deze categorie gemakkelijk beïnvloedbaar is en dan gevoelig zal zijn voor extreme visies.” Volgens onderzoekers Gerrit Kronjee en Martijn Lampert leert de historie, dat ’conjuncturele omstandigheden’ een politieke weerslag kunnen hebben. Zij verwijzen naar de Duitse middenklasse in de jaren dertig die door de economische malaise Hitler steunde. De onderzoekers willen ons doen geloven dat als je deze mensen hun baan afneemt en daarmee hun sociale binding, niets hun ervan weerhoudt een fascistische revolutie uit te roepen. Onvermeld blijft dat de groep ’teleurgestelden’ nauwelijks te vergelijken is met de Duitse middenstand in het interbellum. Duitsland kwam als verliezer uit de Eerste Wereldoorlog, de economische omstandigheden waren inderdaad beroerd, maar het land was ernstig politiek verscheurd.

De bewering van de onderzoekers dat de nihilisten in het dagelijks leven ’een kort lontje’ hebben en neigen tot ’eigenrichting’, is slechts gebaseerd op een onderzoek naar attitude, niet op onderzoek naar gedrag. Het onderzoek van Motivaction bestond uit het voorleggen van een lijst met vragen waarvan er twee open waren. De open vraag naar de zin van het leven, liet de groep niet-religieuze niet-humanisten opmerkelijk vaak oningevuld. Maar wanneer iemand het antwoord op zo’n vraag niet wil of kan geven omdat hij bijvoorbeeld niet weet wat de zin van het leven is – wat in de wereldliteratuur, de kunsten en de filosofie een volkomen gerespecteerd standpunt is – dan maakt dit hem niet potentieel gevaarlijk of extreem nihilistisch. De onderscheiden groep nihilisten blijkt wel degelijk grondwaarheden te erkennen. Zelfbeschikking bijvoorbeeld, nota bene een expliciet humanistische waarde.

Levensbeschouwing biedt bescherming tegen populisme en fascisme – dat is wat de onderzoekers met behulp van paniekerige historische vergelijkingen en karikaturale typeringen suggereren. Voor de heilzame werking van levensbeschouwing leveren ze geen bewijs. Daarmee lijken hun beweringen op de oude slogan: ’Melk is goed voor elk!’ Een onjuiste stelling, maar er gaat beslist een overtuigende kracht vanuit.

En al zou levensbeschouwing heilzaam zijn, de onderzoekers verliezen iets essentieels uit het oog: dat het niet wettelijk verboden is om je politiek afzijdig te houden, de overheid te wantrouwen of te twijfelen aan de waarde van de democratie. Zolang mensen zich aan de wet houden, mogen ze het leven zinloos vinden. Ook al vinden anderen dit vanuit hun levensbeschouwelijke waarden en burgerzin nog zo verwerpelijk. De vrijheid van gedachten, een belangrijke democratische verworvenheid, lijken de WRR-auteurs zodanig te betreuren dat zij voorstellen om die in te perken. Volgens hen moet de overheid het nihilistische deel van de samenleving beschaven en pacificeren door zich te mengen in de manier waarop burgers zin geven aan hun bestaan zodat ’risico’s vermeden worden’.

Maar hoever mag de overheid gaan in het beïnvloeden van de denkbeelden van een paar miljoen mensen die zich aan de regels van het rechtssysteem houden? En wat stellen de onderzoekers zich voor bij het levensbeschouwelijk ingrijpen door de instantie waarbij het openbaar gezag berust?

Theoloog Erik Borgman beantwoordt die laatste vraag heel concreet. Hij is evenals Kronjee en Lampert overtuigd van de heilzame effecten van religie op de samenleving en pleit voor een ’omgekeerde doorbraak’. Daarbij beroept hij zich op de Duitse filosoof en socioloog Jürgen Habermas die stelt dat ook religieuze opinies recht hebben om gehoord te worden in de publieke ruimte. Weinig mensen zullen dat bestrijden.

Alleen volgt uit dit alles niet automatisch, zoals Borgman suggereert, dat er „aanzienlijk meer intellectuele aandacht, politieke steun en bestuurlijke en financiële facilitering” moet komen om „de verhouding tussen religieuze tradities en de westerse samenleving” te onderzoeken. Let wel, het gaat Borgman om méér dan een redelijk pleidooi voor meer geld voor wetenschappelijk onderzoek. Borgman vindt dat de overheid de bijdragen aan het publieke debat vanuit religieuze of levensbeschouwelijk achtergrond méér dan andere bijdragen moet stimuleren. Dit terwijl hij nergens bewijst dat die opinies waardevoller zijn dan andere. Daar zit nu precies het probleem. Iedere burger mag binnen een democratie gehoord worden. Er is geen reden om de mening van een specifieke stroming door de staat te laten financieren. Het bijzonder onderwijs wordt al gesubsidieerd. Het is onwenselijk om ook nog de ’omgekeerde doorbraak’ van Borgman door de overheid te laten faciliteren.

Humanistisch filosoof Harry Kunneman poneert in het rapport de opmerkelijke stelling dat de overheid uitsluitend de nihilistische zingevingsstijl ondersteunt. De overheid „vormt existentiële en morele vragen om tot technisch-professionele problemen en reduceert de technisch onverwerkbare rest tot privékeuzes”. Kunneman wijst op de consequente nadruk die in de zorgsector wordt gelegd op individuele keuzevrijheid „inclusief de bijbehorende nadruk op transparantie en op meetbare resultaten van de betrokken professionals”.

Nu zou je denken dat niemand bezwaar heeft tegen transparantie, tegen het voldoen aan verwachtingen van klanten, het meten van resultaten en het afleggen van verantwoordelijkheid. Kunneman heeft dat wel. Volgens hem levert de overheid op deze manier een actieve bijdrage aan „de erosie van de culturele humuslaag voor morele betrokkenheid en onderlinge solidariteit”. Dat zou waar zijn als professionaliteit, transparantie en gerichtheid op meetbare resultaten, gelijk zouden staan aan nihilistisch hedonisme. Maar dat is evidente nonsens. Hetzelfde geldt voor Kunnemans karikaturale beeld van semipublieke organisaties waarin geen ruimte zou zijn voor menselijke waardigheid. Nergens bewijst hij dat. Kennelijk is de vraag naar een behoorlijke wetenschappelijke onderbouwing van dit soort beweringen voor hem even verdacht als de vraag naar meetbare resultaten in de zorg.

Kunneman wil ’normatieve professionaliteit’, naar het model van de geestelijke verzorging; dat moet tegenwicht bieden aan „de dominantie van bedrijfsmatig georiënteerde managementmodellen”. Concreet betekent dit: overheid kom over de brug. Creëer, faciliteer en bevorder vrijplaatsen waar professionals naar hartelust die normatieve professionaliteit kunnen verkennen onder de noemer ’dienend management’. Opmerkelijk is dat Kunneman zelf verbonden is aan een levensbeschouwelijke universiteit die normatieve professionals en geestelijk verzorgers opleidt.

Kunneman schrijft letterlijk met normatieve professionaliteit ’de ziel van professioneel handelen’ te willen redden. Borgman wil even herderlijk de ziel van de democratische samenleving redden. Maar moet de overheid dergelijke reddersfantasieën faciliteren?

Als er iets uit het rapport duidelijk wordt, dan is het dat de meerderheid van de Nederlandse bevolking uitstekend in staat is om zelf een zingevend kader samen te stellen uit de bronnen die onze cultuur biedt – van georganiseerde kerkdienst tot concert van Marco Borsato.

Met het verdwijnen van de machtspositie van de diverse levenschouwingen in Nederland is ook de legitimatie voor overheidssubsidie aan specifieke zingevingsstijlen verdwenen. Er is meer dan ooit reden om levensbeschouwing en staat te scheiden en zingeving tot het privédomein te beperken. Wie vanuit zijn specifieke levensbeschouwing een bijdrage wil leveren aan het publieke debat is welkom. Maar subsidies hoeft de overheid daarvoor niet ter beschikking te stellen. Zeker niet op voorspraak van belanghebbenden die vanuit een overlevingsstrategie moord en brand schreeuwen over de dilemma’s die de moderne tijd nu eenmaal met zich mee brengt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden