Zonder geld beteken ik niets

In Nederland heeft Arnon Grunberg geen concurrenten. Niemand anders weet de visie dat het laagje beschaving maar heel dun is, zo pakkend te verwoorden. Dat lukt hem ook weer in de roman ’Tirza’.

Vijfendertig jaar is Arnon Grunberg inmiddels. Sinds zijn verbluffende debuut in 1994, ’Blauwe maandagen’ heeft hij ruim vijftien boeken geschreven, verhalen, romans, columns, essays, wat gedichten, plus twee romans onder het pseudoniem Marek van der Jagt. De belangrijkste literaire prijzen heeft hij geïncasseerd, hij heeft een televisieprogramma verzorgd, kortom, Arnon Grunberg is van wonderkind allang een gevestigd schrijver en cultureel fenomeen geworden, met een voorbeeldwerking naar andere jonge schrijvers toe.

Opmerkelijk is trouwens dat je zijn directe invloed vooral in Vlaanderen terugziet, en dan nog wel bij vrouwen, zoals Annelies Verbeke en Saskia de Coster, die gedreven, fantasievolle vertelkunst combineren met een krachtig wereldbeeld. Grunbergs mannelijke collega’s houden meer beleefde afstand. Ze pikken óf Grunbergs sterk geseksualiseerde condition humaine op en bewerken het voor eigen gebruik, zoals Christiaan Weyts in zijn fraaie debuut ’Art. 285b’, óf ze schrijven in Grunbergs meer luchtige trant over kneuzen, aan wie het leven lijkt te ontglippen: Stijn van der Loo, Arthur Umbgrove. Echte concurrentie voor de pakkend uitgevoerde levensvisie van Grunberg zie ik vooralsnog niet opdagen.

Grunbergs kernkracht, in eigenlijk al zijn boeken, is een grondige twijfel aan de beschaafde staat van de moderne mens, die in feite wordt gedreven door liefde, pijn en woede. Het is denk ik ook de actuele vraag van de huidige maatschappij. Zijn onze afspraken en instellingen bestand tegen de menselijke oerinstincten? Gevoegd bij zijn andere handelsmerk, zijn soms onthutsende dan weer hilarische stijl, maakt zijn kijk op mensen Grunberg tot de optimale schrijver van onze tijd, zoals in Frankrijk zijn geestverwant Houellebecq dat is.

Nu eens bedt hij zijn visie in in een realistische ’Gesellschaftsroman’, dan weer slaat hij de meer fantasievolle, mythische toon aan, die hij vroeger leek te reserveren voor zijn Marek van der Jagt-alter ego. Zijn voorlaatste roman ’De asielzoeker’ (2003) had onmiskenbaar een maatschappijkritische strekking, ’De joodse messias’ uit 2004 daarentegen had weer meer weg van een groteske allegorie, culminerend in een scène waarin de Israëlische premier en Arafat zitten te sjacheren over het aantal doden dat ze elkaar gunnen. Zo kent Grunbergs schrijverschap twee kanten, borend realisme en grillige fantasie, die elkaar met enige regelmaat, soms óm het boek, dan weer binnen een boek, afwisselen.

Zijn nieuwe roman ’Tirza’ dient zich aan als een ultrarealistisch product dat je, met al die authentieke namen uit Amsterdam Oud-Zuid, zelfs precies kunt lokaliseren.

Hoofdpersoon Jörgen Hofmeester is een vader van het ouderwetse soort. Trots op zijn dochters Tirza en Ibi, maar bevreesd voor de grote veranderingen in het leven. Tirza zou ’hoog-hoogbegaafd’ zijn, zijn oogappel Ibi is enigszins uit de gratie geraakt omdat ze met een allochtoon een Bed en Breakfast in Frankrijk runt in plaats van iets moeilijks te studeren.

Zelf is Jörgen intussen maar matig geslaagd. Op de avond van het eindexamenfeestje voor Tirza, als de trotse vader zijn cursus ’Zelf sushi en sashimi maken’ uitprobeert, keert zijn weggelopen echtgenote, na een jarenlange buitenechtelijke affaire, terug en drukt hem met z’n neus op z’n tekortkomingen. Hun huwelijk was een vergissing, ze wilden elkaar helemaal niet, maar nu, na haar escapade, zijn ze te oud om er nog wat van te maken en moeten ze maar illusieloos bij elkaar blijven.

Jörgen blijkt intussen door zijn werkgever, een literaire uitgeverij, allang op non-actief te zijn gesteld. Om zijn omgeving niks van die vernedering te laten merken, rijdt hij elke dag naar Schiphol, waar hij doelloos rondhangt met het laatste manuscript van een auteur in zijn tas.

Jörgens met veel krenterigheid bijeengeschraapte kapitaal, waarmee hij zijn dochters een onbezorgde toekomst wilde geven, blijkt na 11 september in hedge-funds te zijn verdampt. Als Tirza vervolgens met een Marokkaans vriendje thuiskomt ziet hij in hem Mohammed Atta, de hoofddader van de 9/11-aanslagen, en daarmee de oorzaak van zijn financiële teloorgang. Tirza zelf is trouwens, hoogbegaafd of niet, zo anorectisch als ik weet niet hoe en op zoek naar een heel ander leven dan haar ambitieuze vader heeft uitgestippeld. Ook zij zet zo haar vader in z’n hemd.

’Tirza’ is een roman zoals we er intussen meer van Grunberg kennen, over losers die in de gaten krijgen dat de wereld meedogenlozer is dan ze hadden verwacht, en dat succes, intelligentie en liefde overstemd worden door de krachten van het instinct. Maar het is ook een roman waarin de intellectuele maar falende hoofdpersoon zijn eigen kwaal onder ogen ziet, zonder hem te kunnen helen. In een notitieboekje schrijft hij: ,,Eén woord: controle. Tweemaal onderstreept. Hij keek naar zijn eigen handschrift, naar het woord zelf, alsof in dat woord, in de twee onderstrepingen, de verklaring zat voor alles. Voor zijn leven, de ziekte van zijn dochter, de ziekte van de blanke middenklasse, de ziekte die hij was en die hij niet meer wilde zijn.”

Met de gedachte dat controle-dwang het belangrijkste motief van de hedendaagse beschaafde mens vormt, raken we geloof ik de kern van Grunbergs nieuwe boek. De vrolijke anarchist van ’Blauwe maandagen’ heeft zich via zijn romans en essays allengs ontpopt als een rasechte cultuurpessimist die de vinger op de zere plek van de westerse beschaving legt, haar hysterische hunkering naar orde. Herhaalde malen wordt ook het credo van Tolstoi uit zijn laatste jaren instemmend geciteerd, over kunst als ’Eitle Kurzweil müßiger Menschen’, ijdel tijdverdrijf van nutteloze mensen.

Wat overigens het soelaas voor onze scheefgegroeide, overgeorganiseerde wereld is, is niet zo een-twee-drie duidelijk. In vorige boeken zoals ’Gstaad 95-98’ en ’De asielzoeker’ kreeg je nog wel eens het gevoel dat Grunberg een soort oerstaat vol seksuele vrijheid en ongebreidelde driften propageerde, bijvoorbeeld wanneer zijn onmaatschappelijke hoofdpersonen elkaar ongeremd besnuffelen en bespringen. Ook in ’Tirza’ laat hoofdpersoon Jörgen zich verleiden tot een seksueel avontuurtje met een vriendin van zijn dochter, maar hier is het meer de troosteloze mislukking die belicht wordt, de absurditeit van een man in zijn midlifecrisis. De scène heeft overigens veel weg van soortgelijke scènes in Houellebecqs roman ’Elementaire deeltjes’ en de film ’American Beauty’. Ik krijg steeds meer de indruk dat Grunberg de hedendaagse burgerman weinig hoop laat.

Zoals gezegd, Tirza ziet er lange tijd uit als een realistische roman over een loser en zijn langzamerhand weggeslagen illusies. In de van hem bekende priemende stijl zet Grunberg zijn antiheld neer, nadat deze zijn Ibi betrapt heeft op seks met een huurder van hem:

,, ’Maar dat is haar vriend niet,’ riep Hofmeester. ’Dat is de huurder. Begrijpen jullie dat dan niet? Begrijpen jullie dan niets? En ze is nog geen vrouw. Ze is niet volwassen. Ze is een kind, een kind. Het is mijn fout. Ik had haar nooit naar boven moeten sturen voor de huur.’ Hij keek zijn eigen familie aan, zoekend naar iets van verstandhouding, maar hij zag niets wat daarop leek. Hij sprak een andere taal. Hij kwam uit een ander land. Hij was een ander mens dan de rest van zijn familie, een Fremdkörper in dit gezin. Een overblijfsel, maar van wat? Van de bevruchting. Van het feit dat hij zijn vrouw tot twee keer toe had bevrucht. Daarvan was hij het restant, zoals een navelstreng. En maar één ding maakte aan die overbodigheid een einde: het geld.’’

Maar ten slotte kan Grunberg het toch weer niet laten andere registers uit te trekken.

Tirza vertrekt met vriendje naar Namibië, of althans dat is de bedoeling, en laat vervolgens niks van zich horen. Op zoek naar zijn vertrokken dochter pikt ongeruste Jörgen in Windhoek een negenjarig gezelschapsmeisje op, niet voor de seks, en zwerft met haar van hotel naar hotel. Bijna lijkt het of deze ongelijke verbintenis hem het opperste geluk brengt.

Tirza vindt hij intussen niet, geen wonder, hijzelf heeft haar en haar vriendje aan de vooravond van hun vertrek vermoord: het kind dat hij niet kwijt wilde raken. Maar hij lijkt het zichzelf niet goed meer te herinneren of heeft het verdrongen.

Zoals wel vaker bij Grunberg het geval is, ontstijgt naar het einde toe de geschiedenis haar realistische gronden, en krijgt ze droomachtige, hallucinante trekjes.

Hoe mooi en zuigend beschreven ook, ik beschouw het toch als een relatieve zwakte van de schrijver, dat hij zijn slothoofdstukken vaak zo theatraal inkleedt. Hij is een alleskunner en hij weet het maar hij heeft ook wat weg van een pianist die aan het eind van een Beethoven-sonate een coda van Liszt breit.

Maar goed, het laat ook zien dat Grunberg zich niet aan de geijkte regels houdt en zijn eigen gang gaat, zoals hij overigens ook het’Eitle Kurzweil’, zelf geopperd, aan z’n laars lapt. Romans mogen dan onzinnige bezigheden zijn, hij bedient zich er toch maar van om zijn product, het failliet van onze cultuur, aan de man te brengen. Indringend en onontkoombaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden