Zonder financiële steun dreigt toch weer terugkeer naar een treurige advocatenpraktijk

WASHINGTON - De boekhouders van de verkiezingscomités in de VS, de Democratische zowel als de Republikeinse, hebben de afgelopen dagen overuren gemaakt. Tonnen aan bijdragen hebben ze teruggeboekt naar de rekeningen van de gulle gevers, meestal niet-Amerikanen. 'Buitenlands' geld is ineens besmet of in elk geval verdacht. En de saaie campagne voor het Witte Huis heeft een pikant kantje gekregen dat ook na 5 november, de verkiezingsdag, een rol in de Amerikaanse politiek zal spelen.

Met de voor hem karakteristieke sarcastische humor stelde Bob Dole, de Republikeinse kandidaat voor het presidentschap, maandag vast dat de rollen nu eens zijn omgedraaid. De Verenigde Staten geven doorgaans buitenlandse hulp, nu krijgen ze financiële steun uit het buitenland, constateerde hij. Om er wrang aan toe te voegen: Jammer dat het rechtstreeks naar de Democratische partij gaat.

Naar buiten toe neemt de Democratische leiding een houding aan van 'niks aan de hand' en president Bill Clinton verwaardigt zich zelfs geen discussie over de zaak. Maar de haast waarmee men zich in de Democratische geledingen probeert te ontdoen van iedereen die maar betrokken is bij de affaires spreekt boekdelen.

Al tientallen jaren zeggen de twee politieke partijen, die in de VS de dienst uitmaken, de campagne-financiering te willen hervormen. Sinds mensenheugenis proberen duizenden belangenorganisaties invloed in Washington te krijgen. Of liever: te kopen. Daarvoor hebben even zovele lobbyisten domicilie in de Amerikaanse hoofdstad gekozen, vaak op enkele honderden meters van het Witte Huis.

In het niet eens zo verre verleden hanteerde de lobbyist wat we maar even de Yab Yum-aanpak zullen noemen: een golfweekend in een vijfsterrenhotel, overvloedig eten en drinken met als slaapmutsje een dure call girl. Film, foto en geluidsband zorgden er voor dat de verwende partij als was in de handen van de belangengroep was.

Tegenwoordig gaat het wat subtieler: men steunt de (her)verkiezingscampagne van de politicus. Dat gaat via de zogeheten Pac's, de Politieke Actiecomités. Tal van politici zitten voor hun miljoenen verslindende campagnes zo met handen en voeten aan die belangengroeperingen vast dat ze zonder hun financiële steun weer een treurige advocatenpraktijk in een nog treuriger plattelandsstadje zouden voeren.

In beide politieke kampen viert die traditie hoogtij. De Republikeinen halen hun geld over het algemeen bij de ondernemers, de bankwereld, de wapenlobby of de rechtse relibeweging van de Christian Coalition. De Democraten vinden hun vrienden met geld onder meer bij de vakbeweging, de milieubeweging en de advocatuur en dan met name de trial lawyers, de juristen die zaken van gewone burgers tegen het bedrijfsleven behartigen. Een van de troetelkinderen van de Pac's is bijvoorbeeld Dick Gephardt, leider van de Democraten in het Huis van Afgevaardigden en de nieuwe Speaker als zijn partij het Huis van Afgevaardigden herovert.

Sinds het midden van de jaren zeventig is getracht de scherpste kantjes van de campagne-financiering weg te slijpen, bijvoorbeeld door privé-bijdragen aan een maximum van duizend dollar en die van bedrijven op hooguit vijfduizend dollar te binden. Maar er zijn genoeg sluipweggetjes overgebleven om dik geld in de politiek te blijven pompen. Beloften van het Congres om hervormingen aan te brengen moeten voorlopig maar met zakken vol zout worden genomen, de meerderheid van de politici wil het simpelweg niet omdat het niet van pas komt.

De regelgeving rond de bijdragen van 'buitenlandse' geldschieters is nog halfslachtiger. Ook weer niet zo verwonderlijk als men zich realiseert dat de Amerikaanse politieke partijen zich het geld uit het buitenland graag laten aanleunen. Vooral het bedrijfsleven uit het Verre Oosten weert zich, want politieke invloed loopt in de Japanse, Koreaanse, Thaise of Indonesische cultuur nu eenmaal vaak via de kassa.

De regel in de VS is dat buitenlandse regeringen, politieke partijen, bedrijven, organisaties en burgers geen bijdrage kunnen leveren aan welke verkiezingscampagne in de VS dan ook. Maar een buitenlander met een groene kaart, een permanente verblijfsvergunning, mag duizend dollar geven, net als een Amerikaanse burger. Een Amerikaanse dochteronderneming van een buitenlands bedrijf of een Amerikaanse onderneming die eigendom is van buitenlanders mag vijfduizend dollar storten in de kas van een Pac. Er zijn trucs in overvloed om, bijvoorbeeld via werknemersbijdragen, als bedrijf tonnen aan steun te geven.

De grote vraag is nu of de Indonesische bankiersfamilie Riady, die al sinds de jaren zeventig banden heeft met Clinton, via een stroman, de Democratische partijmedewerker John Huang, minstens 3,5 ton in de herverkiezingskas van de president heeft gestort. En of de overheid - al dan niet na zachte aandrang van de president - Indonesië handelsvoorrechten heeft verleend. De betrekkingen met Jakarta liggen gevoelig zo vlak na de toekenning van de Nobelvredesprijs aan twee Oost-Timorezen, wat ook bij de Amerikanen de aandacht heeft gevestigd op het onderdrukkende optreden van het Soeharto-bewind.

De Democraten hebben Huang, een man met gouden handjes voor de kas, halsoverkop op een zijspoor gezet en in Republikeinse kringen wordt al met gretigheid gerept van 'Indonesië-gate'. Men roept daar om het hardst dat er een onderzoek moet komen. Het probleem is dat Republikeinse politici de afgelopen jaren ook geld van de Riady's hebben aangenomen. Dole kreeg bijvoorbeeld tijdens zijn mislukte presidentscampagne van 1988 duizend dollar van een lid van de familie.

De Riady-kwestie heeft voor een golfbeweging gezorgd, want overal in de VS zijn de media zaken op het spoor gekomen waar op zijn minst een luchtje aanzit. De Democraten hebben bliksemsnel 20 000 dollar teruggestuurd, die de tot negentien jaar cel veroordeelde cocaïnedealer Jorge Cabrera had gestort. Vice-president Al Gore was bij de fundraiser, waar het geld werd binnengehaald.

Hij at ook al een hapje mee in de boeddhistische tempel in Californië waar 140 000 dollar voor de Democraten werd vergaard. Het geld kwam onder meer uit de zakken van monniken en nonnen die geen belasting hoeven betalen als ze zich maar buiten de politiek houden. En ook 250 000 dollar aan stinkend Koreaans geld is op de weg terug.

Maar de Republikeinen zijn eveneens geld kwijt geraakt. Zoals de 15 000 dollar van een Canadees bedrijf zonder dochter in de VS. Of de bijdrage van een onderneming uit Hongkong, wat achteraf via-via gesluisd geld van een officiële Republikeinse financier bleek. De aandacht is gevestigd op het geld dat Newt Gingrich, de Republikeinse Speaker, enkele jaren geleden van een sikhs-organisatie opstreek, ook al een reli-organisatie met belastingvrijdom.

En de Democraten doen hun uiterste best de dubbelhartigheid te bewijzen van de Republikeinen aan de hand van het geval José Fanjui, een inzetende met een Cubaanse nationaliteit en een Spaans paspoort die in Florida al jaren tonnen bij elkaar schraapt voor de partij. Niks aan de hand, roept het Republikeinse hoofdkwartier.

Dole probeert te scoren met het onderwerp. De campagnefinanciering moet drastische worden hervormd, laat hij weten. In het verleden heeft hij zich echter fel verzet tegen elke inperking en ook ditmaal heeft hij niet aangegeven waaruit die hervorming moet bestaan. Daarnaast wil de Republikein dat alleen nog Amerikaanse burgers in het vervolg geld mogen geven. Buitenlanders mogen niet stemmen, dus waarom zouden ze wel mogen bijdragen, meent hij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden