Zonder begin is er niets

Stromatolieten, hier bij Mexico, zijn de oudste fossielen. Ze zijn ontstaan doordat bacteriën ronde plakken vormden waar ze klei in vasthielden. (FOTO REUTERS)

Voor de moeizame verhouding tussen schepping en evolutie bestaat een harmoniemodel: je schaart je achter het evolutiedenken en plakt God daaraan vast. „Wat is de winst van zo’n opvatting?”, vraagt theoloog Ad Prosman zich af. „God mag blijven, maar wel tegen een hoge prijs.”

Het Darwinjaar, nu precies halverwege, gaf aanleiding tot vele discussies. Zo was er in evangelische en reformatorische kring ophef over de verklaring van EO-voorman Andries Knevel over Genesis 1. Nu de rust hierover is weergekeerd blijft de vraag waarom de kwestie van de zes scheppingsdagen zo’n heet hangijzer is. Zouden die zes dagen niet de grendel kunnen zijn op de deur tot een andere manier van denken?

Wie tegenwoordig nog spreekt over zes scheppingsdagen van vierentwintig uur wordt door niemand, behalve de eigen geloofsgenoten, serieus genomen. Maar kan het de bedoeling zijn dat christenen zich bij voorbaat buiten de discussie plaatsen? Er bestaat de behoefte om het letterlijk lezen van Genesis 1 los te laten, omdat dat als simplistisch wordt gezien. Maar ís dat zo? Het aan de kant schuiven van het schema van zes dagen lost bepaalde problemen op, maar roept tegelijkertijd andere op. Een christen die meent de zes dagen te moeten prijsgeven doet dat met pijn in het hart. Zelfs de geharnaste bestrijder van het christelijk geloof, Friedrich Nietzsche, heeft die pijn bijna lijfelijk ervaren.

Wat Nietzsche zei over de moeilijkheden die ontstaan als je achter Darwin aanloopt is des te belangwekkender omdat hij de juistheid van Darwins opvattingen erkende en diens gedachten van evolutie en selectie voor zijn eigen filosofie benutte. Nietzsche, die iets later dan Drawin leefde, maakte de opkomst van het darwinisme van nabij mee aan de universiteit van Basel. Het lezen van The Descent of Man’ was voor hem een grote schok.

De Duitse filosofe Edith Düsing poneert in haar boek ’Nietzsches Denkweg. Theologie-Darwinismus-Nihilismus’ de stelling dat in elk stadium van Nietzsches denken zijn acceptatie van de evolutiehypothese doortrokken blijft van het gevoel van een ’vreselijke verdrijving’ van de mens uit zijn geborgenheid in God. Zij kiest het woord ’verdrijving’, dat aan het paradijs herinnert. Door de evolutiehypothese staat de mens onbeschermd in deze wereld, overgeleverd aan autonome kosmische krachten die zich in een ongecontroleerde richting bewegen. Wat Nietzsche schokte en hem zijn leven lang verontrustte, aldus Düsing, was inderdaad het feit dat de mens van het dier afstamt, maar méér nog het feit dat de natuur autonoom is en als zodanig zinloos en wreed. In ’Morgenrood’ geeft Nietzsche treffend weer hoe hij tegen de afstamming van het dier aankijkt: „Vroeger probeerde men het gevoel van heerlijkheid van de mens te bereiken door op zijn goddelijke afkomst te wijzen: dit is inmiddels een verboden weg geworden, want aan de ingang ervan staat de aap, en ander gruwelijk gedierte, en laat vol begrip zijn tanden zien als om te zeggen: niet verder in deze richting!”

Het heeft Nietzsche veel moeite gekost om het hoofd te buigen voor Darwin. Naast de afstamming van de mens is het de wrede natuur die Nietzsche schokkend vindt. De natuur verspilt talloze levende wezens, een blind spel van krachten. Zoals Edith Düsing Nietzsches visie weergeeft: er is geen theocratie, maar een fysiocratie. Niet God regeert, maar de natuur. Korter kan ik de omslag die in het Europese denken heeft plaatsgevonden niet weergeven.

Eeuwenlang is de natuur opgevat als schepping. Er was een wonderlijke ordening, waarvan artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis getuigt: de wereld is als een prachtig boek, waarin alle schepselen als letters zijn. Samen schrijven die letters de grote Naam van de Schepper. Maar wie de Schepper weghaalt houdt geen orde over, dan wordt alles chaos.

De stoïcijnen konden nog zeggen: leef volgens de natuur. Voor hen was de natuur geordend, een redelijk houvast. Spinoza kon nog zeggen: God of de natuur. Ze waren inwisselbaar. Nietzsche zegt: God of chaos. Die zijn ook inwisselbaar. De natuur regeert, dus de chaos, dus het toeval. Daarover was Nietzsche ontsteld. Hij heeft er alles aan gedaan om het toeval onder controle te krijgen.

De werkelijkheid is niet een onschuldig worden. Het worden is een strijd die ten koste gaat van talloze vormen van leven. De werkelijkheid is eerder een abattoir dan een volkstuintje, hoewel daar ook een stille strijd woedt. Worden is pijn lijden. „De pijn, de tegenspraak is het waarachtige zijn”, schrijft Nietzsche voorjaar 1871. Die pijn is overal aanwezig. Nietzsche, zelf een groot muziekliefhebber, geeft als voorbeeld dat een akkoord lijdt bij een verkeerd aangeslagen toon.

Voor Nietzsche is het worden het eigenlijke zijn. Dat veroorzaakt bij hem geen vooruitgangsoptimisme, hij ziet steeds meer neergang. De mens rolt steeds harder naar beneden, naar het niets. Toch, ondanks deze pessimistische visie, accepteert hij Darwins visie op evolutie en selectie, en probeert hij, vooral in zijn latere werk, zijn pessimistische kijk op het leven te overwinnen.

Aan de ene kant ziet Nietzsche neergang, degeneratie en aan de andere kant wil hij de mens als de voorname mens zien. Het zijn twee nauwelijks te verzoenen lijnen. Deze tegenstelling wordt verscherpt door het feit dat Nietzsche de voornaamheid van de mens toeschrijft aan het geloof. Desondanks stelt hij het christelijk geloof verantwoordelijk voor de verkleining en de verzwakking van de mens.

Een mogelijke verklaring voor deze tegenstrijdigheid is dat Nietzsche veel meer waardering had voor het Oude Testament dan voor het Nieuwe. Het Oude Testament weet van de schepping van de mens naar Gods beeld en gelijkenis. Dat is de voornaamheid van de mens die Nietzsche met veel pijn in het hart prijsgeeft, en ten diepste niet prijs wil geven. Het Nieuwe Testament wordt te veel beheerst door de gedachte van genade en liefde waardoor, in Nietzsches ogen, de mens als een patiënt gezien wordt in plaats van als een voornaam mens.

De voornaamheid van de mens moet weer teruggewonnen worden. Dat is minder eenvoudig dan het lijkt. Want, zo stelt Nietzsche, hoe complexer de mens in zijn ontwikkeling, des te kwetsbaarder hij wordt.

Het grote verschil met Darwin is dat Nietzsche geen positieve ontwikkeling ziet van de soort mens, zoals de evolutietheorie doet. Hij ziet alleen een mogelijkheid voor het optreden van bijzondere exemplaren van de mensheid. Het overgrote deel zal het niet redden in de meedogenloze strijd van de natuurlijke selectie waarbij alleen de best aangepaste exemplaren overblijven. Deze overtuiging brengt hem in zijn latere leven tot de ongeremde en grimmige uitspraken dat de massa en de ellendigen en de ongelukkigen hem weinig aangaan, maar dat zijn belangstelling des te meer uitgaat naar de geslaagde exemplaren.

Uitlatingen als deze komen beslist niet voor rekening van de zieke Nietzsche die op het punt staat psychisch in te storten. Hij schrijft dit vijf jaar eerder. Het behoort tot zijn grondovertuiging dat uitingen van medelijden en barmhartigheid bewijzen van zwakheid zijn, die verbetering van de mens tegenhouden. Vandaar dat hij het medelijden, de barmhartigheid, zo kenmerkend voor het christelijk geloof, compromisloos wil bestrijden.

De Darwin-shock opende Nietzsche de ogen voor het feit dat het darwinisme niet alleen ingrijpende gevolgen heeft voor de wetenschap, maar voor alle sectoren van het leven. Evolutie wil niet méér zeggen dan dat alles komt en vergaat, dat alles in beweging is en dat alles zich ontwikkelt. Maar er is geen doel. Alles ontwikkelt zich volgens de wetten van de natuur en tegelijk is alles toeval. We hebben te maken met de woeste stroom van het worden (Heraclitus). De natuur wordt niet meer geleid, niet meer in toom gehouden.

Voor Nietzsche werd het steeds duidelijker dat als God de natuur niet leidt, de mens dit zal moeten doen. De mens moet voorkomen dat het blinde toeval zal regeren. Om die reden ontwikkelde hij zijn gedachten over de Ãœbermensch.

Anders dan voor Nietzsche bestaat voor de christen de pijn van het worden uit het feit dat het de opheffing is van de geschiedenis. Het worden slaat de bodem daaronder vandaan. Want het begin van het worden is niet meer te achterhalen en er is evenmin een doel, omdat er geen midden is van waaruit oorsprong en doel bepaald kunnen worden. Dat gevoel van ontworteling is het ergste dat een mens kan overkomen en dat wordt niet goedgemaakt door bijna stiekem toch nog een plaatsje voor God te willen inruimen.

Maar voor welke God? Voor de God van de schepping is geen plaats meer. Plaats is er alleen nog voor de God van de evolutie en dat is de God van het worden. Hier ontstaat een harde botsing, een clash.

Het is naïef om het probleem van de schepping te reduceren tot de afschaffing van een schepping in zes dagen van vierentwintig uur. De indruk ontstaat dat wanneer in plaats van over dagen en over duizenden jaren, over miljoenen jaren gesproken mag worden er geen probleem meer is. Dat is versluierend. Onder en achter de miljoenen of miljarden jaren zit een andere vorm van denken, die haaks staat op het christelijk geloof. Evolutiedenken is ten diepste een heidense vorm van denken.

Wie vanuit de natuur denkt en de natuur tot subject maakt van elke ontwikkeling plaatst de Schepper buiten spel. Christenen winnen er niets bij als zij de zesduizend jaar oprekken tot vele miljoenen jaren.

Wat is de betekenis van zes miljoen of van zestig miljoen jaar als het gaat over de schepping? De betekenis is het betekenisloos maken van de tijd. Het oprekken van eeuwen en millennia tot duizelingwekkende tijdperken heeft als gevolg dat er geen begin meer is. Het begin wordt geschrapt als niet ter zake doende. De werkelijke betekenis van zesduizend jaar is niet de zesduizend jaar, maar het begin. Dít begin: en God zei. Het belang van de zes dagen is niet het getal zes (dat is de zwakte van het creationisme). Het gaat niet om het getal zes, of welk getal ook, het gaat om het begin.

Evolutionisten hebben er waarschijnlijk geen probleem mee dat christenen vasthouden aan een of andere interpretatie van Genesis 1, zodat God gecombineerd kan worden met het evolutiedenken. Zij zullen er wel een probleem mee hebben als christenen vasthouden aan de Schepper, omdat de Schepper staat voor het begin. God betekent begin en einde. Wie God en evolutie met elkaar probeert te verbinden is bezig om begin en niet-begin met elkaar te verbinden.

Voor de verhouding tussen schepping en evolutie bestaat ook een harmonisch model: waarom zouden ze niet in één huis kunnen samenwonen? Of dat een gelukkig huwelijk wordt, is de vraag. Het theïstisch evolutionisme lijkt veel te voelen voor een samenlevingsmodel. Je schaart je achter het evolutiedenken en plakt God daaraan vast. Wat is de winst van zo’n opvatting? God mag blijven, maar wel tegen een hoge prijs. De prijs is afstand doen van het scheppingsbegrip. God mag alleen nog dienst doen als slippendrager van de evolutietheorie. God die geen Schepper meer mag zijn is een zielige God.

Naar mijn overtuiging heeft de Bijbel ook vandaag nog iets te zeggen over hoe het nu echt zit met deze aarde en het heelal: door duidelijk te maken dat er een begin is en een eind. Door hieraan vast te houden kunnen christenen de wetenschap een heel goede dienst bewijzen. Het christelijk geloof heeft het nodige mogen bijdragen aan de ontwikkeling van de moderne wetenschap, door de schepping vrij te geven voor onderzoek. Juist die vrijheid moet gehandhaafd blijven en niet ongedaan gemaakt worden door een bevoogdende kerk of een bevoogdende theologie. Maar evenmin door een vorm van wetenschap die doorschiet en die, zoals het darwinisme, deze werkelijkheid verabsoluteert. Dat is het harde punt dat hier in het geding is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden