Zolang nog een druppel liefde de haat kleurt

Vijftig jaar nadat Adolf Hitler tot rijkskanselier werd benoemd (in 1933), belichtte Hans Keilson, psychiater en schrijver, het antisemitisme van Hiltler en de anderen. Onder de titel 'De macht van vooroordeel en propaganda' verscheen zijn lezing in Trouw (22/1/1983). Hieronder fragmenten uit de tekst.

Weet u hoeveel Joden in 1933, bij het begin van het nationaal-socialistische bewind, binnen de grenzen van het toenmalige Duitse Rijk woonden? Elke keer weer verbaast het me hoe weinig mensen het antwoord op deze vraag kennen. Het waren er vijfhonderdduizend.

Een jonge collega in Amsterdam die ik het enkele weken geleden vroeg en die het op vier miljoen hield - de schattingen lopen in het algemeen uiteen van anderhalf tot acht miljoen - zei onomwonden: "Zo zie je hoe verstoord de verhouding van een zenuwarts tot de werkelijkheid is." Maar het misverstand is niet tot psychiaters beperkt.

Het gevaar dat ik bij dit verhaal loop, moeten we maar direct onder ogen zien: dat schuilt in de verfraaiing, de versluiering van collectief gepleegde misdaden.

Mijn opdracht is na te denken over vooroordelen en propaganda, die beide ten doel hadden de haat aan te wakkeren. Mijn bevoegdheid berust op twee, naar mijn mening niet al te stevige gronden. De ene is die van de arts, de psychiater en de psychoanalyticus die als Jood meer dan een halve eeuw Europese geschiedenis bewust heeft meegemaakt.

De tweede grond is alleen schijnbaar sterker: die van de ooggetuige. Het gevaar dat hier op de loer ligt, mag niet worden onderschat. Geen mens kan met zekerheid zeggen waar de grenzen liggen waarna men nog slechts de eigen vooroordelen propageert. Dat wil zeggen, men kan hier geen onpartijdigheid verwachten. Dat is echter ook niet het nastreven waard.

Wat blijkt uit de foutieve schattingen van het begin? Ze gaan uit van het resultaat, de zes miljoen vermoorden in Europa, en leiden daaruit het aantal Joden af dat oorspronkelijk in Duitsland leefde. Daarbij onderschatten ze de macht van het vooroordeel zowel in positieve als in negatieve zin. Het positieve komt tot uitdrukking in stereotiepe beelden over de eigen groep, over de raszuivere, arische, blauwogige en blonde supermens, edel, dapper, sterk, heldhaftig en voorzien van andere mooie eigenschappen die hem naar willekeur zijn toe te dichten. Daar tegenover staat dan de macht van het negatieve vooroordeel, dat met behulp van al even stereotiepe beelden leidt tot vervreemding, afstand en afscheiding van andere groepen, meestal minderheden.

Deze beelden leiden tot discriminiatie en zijn de brandstof van het antisemitisme. "De antisemieten kennen de Joden niet", schreef Charles Péguy.

De eerste slachtoffers van het nationaalsocialisme waren zijn politieke tegenstanders - dat moet misschien wel vaker worden gezegd. Zij werden tot demonen gemaakt als rechtvaardiging van hun latere liquidatie. Alles wat de nazi's niet in hun kraam te pas kwam, verklaarden ze tot Joods of Joods besmet en in elk geval 'on-Duits', en dus verworpen.

Volg mij op een excursie naar de herfst van 1925. Eerder dat jaar had ik vanaf het balkon van mijn ouderlijk huis, recht tegenover het raadhuis aan het marktplein in een stadje in de Mark Brandenburg, Goebbels horen spreken tot drie-, vierhonderd geüniformeerde lieden van de SA, gepakt en gezakt voor een veldmars en in vrachtwagens aangevoerd uit Berlijn. Van datzelfde balkon had ik als kleine jongen mijn vader nagezwaaid toen hij in 1914 moest opkomen.

In die herfst van 1925, ik was veruit de jongste van mijn klas op het toenmalige Humanistische Gymnasium, drong onze nieuwe leraar Duits er op aan dat elke leerling een gedicht uitkoos om het voor te dragen en toe te lichten. Ik koos, met zijn instemming, 'Die Weber' van Heine.

Nadat ik op de afgesproken dag het gedicht voor de klas had voorgedragen en weer op mijn plaats was gaan zitten, opende de leraar het gesprek. Hij stuitte echter op een muur van stilzwijgen van m'n klasgenoten. Ik zag dat hij zenuwachtig werd, maar ik had geen idee waarom. Op zijn herhaalde verzoek om toch wat te zeggen ging er uiteindelijk een jongen staan, Günther Neuenfeld, de zoon van een winkelier in koloniale waren aan het begin van de Stationsstraat. Ik wist dat hij met wat ouderen scholieren, ook uit hogere klassen, meedeed aan de nachtelijke oefeningen van de Wehrwolf, de jeugdgroep van de Stahlhelm, de Brigade Erhard of zoiets, helemaal precies weet ik het niet meer.

De klas, zei hij, wilde niet discussiëren over dit gedicht, het was onDuits en bevuilde het eigen nest. Daarop sprak de klas als bij afspraak twee jaar lang niet meer met me. Ik lag er uit.

Bij deze hele geschiedenis is het woord Jood niet eenmaal gevallen. En ik zou me kunnen voorstellen dat sommigen betwijfelen of hier wel uitdrukkelijk van antisemitisme sprake is. Maar die twee jaren waren een hel voor me.

We kunnen slechts gissen naar de drijfveren van mijn klasgenoten. Dat Heinrich Heine, de gedoopte Jood, voor hen nog steeds een problematische figuur was, hoeft ons niet te verwonderen.

Laat ik de zin - zijn gedicht zou onDuits zijn en het eigen nest bevuilen - eens nader bekijken. Allereerst valt op dat het begrip 'Duits' in stelling wordt gebracht. Kennelijk gaat het om 'heilige gevoelens' die in het eigen nest bevuild worden. En kennelijk bevuilen niet die wel degelijk bestaande sociale problemen het nest, maar het vaststellen daarvan, het ter sprake brengen van de scherpe tegenstellingen in het dagelijks leven van Heine's Duitsland. Wie dit doet en dan ook nog in de Duitse taal, gedraagt zich on-Duits en hoort er niet meer bij.

Duidelijk was bij mijn klasgenoten het mechanisme waar te nemen dat aan het werk is bij het vooroordeel en dat een beslissende bijdrage levert aan het functioneren van het antisemitisme: het scheppen van een zondebok.

Altijd, en helemaal in het christelijke Avondland, hebben de Joden deze rol moeten spelen. Of het nu ligt aan uiterlijke kenmerken of aan de bijzondere religieuze gemeenschap, in de diaspora zijn ze binnen handbereik. Hun verstrooiing bracht en brengt met zich mee dat zij na de vernietiging van hun staatkundig bestaan als volk tot voor kort niet in staat waren zich tegen aanvallen te verweren. Zoals alle machtelozen trekken zij agressie aan. En tot slot is ook de vijandelijke onderstroom uit het verleden van betekenis.

De aanwezigheid van kleine of grote groepen Joden heeft van de Middeleeuwen tot op de dag van vandaag heftige en uiterst vijandige reacties opgeroepen. Die staan in geen verhouding tot het getalsmatige aandeel van de Joden in de bevolking als geheel. Om dat te verhullen heeft men hun invloed op het openbare leven tot demonische proporties opgeblazen.

De reacties op mijn vraag naar het aantal Joden in Duitsland kunnen slechts verstaan worden als de uitdrukking van een specifieke verhouding tussen Joden en niet-Joden, zoals die zich in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld onder het teken van de kruisiging en de afwijzing van Christus door de Joden.

De ontwikkeling van het christendom uit het jodendom maakt de onderlinge verhouding psychologisch gezien zo ingewikkeld als doorgaans het geval is als te grote affiniteit de uitgangssituatie kenmerkt.

De kerk neemt een tweeslachtige houding tegenover Joden aan - dat is meer dan vijandigheid, zonder meer. Dat heeft voor veel onzekerheid gezorgd in de verhouding tussen joden en christenen. Naast de veroordeling en vervloeking der Joden werd ook opgeroepen tot tolerantie en liefdadigheid jegens hen.

De christelijke wereld heeft in de dertiende eeuw getracht haar gevoelens over de Joden tot uitdrukking te brengen in de figuur van Ahasverus, een legendarisch personage dat Jezus op zijn weg naar Golgotha een rustplaats ontzegt. De straf die op deze weigering volgt, is de vlucht van land naar land, zonder rust, overal een balling, een vreemdeling, die leven kan noch sterven, een geest, een demon, een waarschuwing.

Hiermee wordt het joodse bestaan in de verstrooiing uitgelegd op een wijze waarin de trits schuld, straf en dood een hoeksteen van het menselijk leven is.

Er dringt zich nog een gedachte op. Wie in levende lijve geseculariseerde antisemieten heeft aangehoord en hun wandaden heeft ervaren, kon ontdekken dat er individuen en groepen zijn die kennelijk door de meest primaire vragen van hun eigen bestaan zó in verwarring raakten, dat zij geen raad meer wisten met zichzelf en daarom een tegenstander moesten scheppen aan wiens beeld - dat zij zelf hadden ontworpen - zij zich onophoudelijk konden spiegelen.

Alles wat men in zichzelf verzwijgt en afweert, ziet men door projectie in de ander. Wat men in zichzelf machteloos bestrijdt, moet men in de ander vernietigen.

Maar in deze strijd openbaart men tezelfdertijd zijn onverbrekelijke banden met de tegenstander. De menselijke situatie, ontoereikend in haar isolement, in gevaar gebracht door de innerlijke vijandschap, heeft de ander in zijn isolement nodig om zichzelf te ervaren, zijn grenzen en mogelijkheden te leren kennen. Dit gebeurt zo intens, dat men haast van betovering kan spreken. Men raakt in de ban van de zelfgeschapen tegenpartij.

Zolang men zich bewust is van dit projectiemechanisme en zolang nog een druppel liefde de haat kleurt, blijft de menselijke situatie gered. De woorden van de Nederlandse dichter-theoloog Revius uit de zeventiende eeuw getuigen ervan: 't En zijn de Joden niet, Heer Jesu die u Kruisten'. In zijn gewetensonderzoek is de agressie naar binnen gericht.

Wanneer men echter de projectie absoluut stelt en daarmee de werkelijkheid vertekent, wanneer men zijn eigen bestaan afhankelijk maakt van de vernietiging en de ondergang van de ander, begint het laatste bedrijf van de tragedie.

Bewerking Lodewijk Dros

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden