Zolang hij rookte was er hoop

Roken hoorde bij de vader van Karin Melis als regen bij Nederland. Tot hij ziek werd, op dieet ging, de drank liet staan en de sigaretten opgaf. „Het was vreselijk om aan te zien. Al die gezonde voornemens hadden een verpletterend effect op zijn vitaliteit. Alle levenslust leek uit hem te zijn weggestroomd.”

Linksboven had mijn vader een kuiltje in zijn voorhoofd. En als hij een sigaret tussen z’n vingers hield, schoof hij het filterloze uiteinde heen en weer in dat kuiltje. Als kind was ik erdoor gebiologeerd. En ik vroeg me af of dat heen en weer gewrijf dat kuiltje had veroorzaakt of dat het kuiltje er altijd al geweest was. Tot op de dag van vandaag weet ik het niet.

Wat mijn vader ook deed, hij rookte. Volgens mij bestaat er geen foto waarop de man geen sigaret in hoofd of hand had. Hij rookte als hij onze wanden en plafonds van schrootjes voorzag, de ogen toegeknepen voor de opkrullende rook. Hij rookte als de bouwtekeningen voor hem op de grond lagen (mijn vader was bouwkundig ingenieur). Hij rookte altijd. Hij had de ondoorgrondelijke gewoonte om elke kerk die op zijn weg kwam binnen te lopen. En ik moest altijd mee. Stond hij daar in de donkerte van zo’n gebouw, schoot hij de eerste de beste geestelijke aan om besmuikt te vragen of hij daar mocht roken. Voor zover ik me kan herinneren ging het gesprek nooit verder dan dit verzoek om nicotinegebruik.

Wij, de kinderen, vonden het altijd geweldig stinken. Het summum was wel als we in de auto zaten, zeker op die eindeloze tochten naar een of andere vakantiebestemming. Met de raampjes potdicht nam mijn vader manmoedig de bergpassen, ondertussen stevig rokend. Er is onwaarschijnlijk veel gespuugd daar achter in de auto. Maar het kwam bij niemand op dat het wellicht een goed idee zou zijn om eventjes niet te roken. Roken hoorde bij mijn vader als regen bij Nederland. Je wist niet beter.

De man werd uiteraard ouder en daarmee kwamen er allerlei mij onbekende kwalen. Eens in de zoveel tijd kondigde hij – rokend – aan dat hij nog maar een half jaar te leven had. Niemand leek te weten wat er precies aan scheelde, maar het pathos van mijn vader was overtuigend. En toen werd het opeens toch menens. Plotseling ging hij op dieet, van sterke drank schakelde hij over op wijn en jawel, hij gaf de sigaretten op. Het was vreselijk om aan te zien. Al die gezonde voornemens hadden een verpletterend effect op zijn vitaliteit. Alle levenslust leek uit hem te zijn weggestroomd.

Op een goede maandagmorgen, rond een uur of negen – het was vlak nadat het gezondheidsregime was ingesteld – belde hij. „Karin”, zei hij, „ik wist niet dat het leven zo leeg kon zijn. Ik kom de dagen niet meer door.” „Steek een sigaret op!”, wilde ik hem toeschreeuwen. Wie weet heb ik dat ook gedaan. Je kunt toch niet sterven van gezondheid?

Niet lang daarna is hij overleden. En tot de dag van vandaag ben ik ervan overtuigd dat ik mijn vader verloren heb aan het gezondheidsfascisme. Had hij nog gerookt, hij had nog geleefd. Mijn dokter denkt daar anders over.

Ik zie mezelf nog staan, voorovergebogen over de kist waar mijn vader geheel onherkenbaar helemaal mijn vader lag te wezen. De andere kinderen hadden zich teruggetrokken, mijn zus en mij achterlatend. Zij moest nog het een en het ander aan hem kwijt. Dat duurde nogal lang, vond ik. Ik zei: „Hé Monique, wat denk je, mogen we hier roken?”

We hebben gehuild van het lachen.

Mijn vader was een echte man. En echte mannen roken nu eenmaal. Dat hoort. Zo ben ik opgevoed. Net als Joop ter Heul die in de boeken van Cissy van Marxveldt altijd gelukzalig haar neus tegen de revers van haar vaders jasje wreef. Het rook zo vertrouwd naar aftershave en sigarettenrook.

Er zijn eigenlijk maar twee varianten voor mannen, wat betreft sigarettenverbruik: shag of sigaretten zonder filter. Mijn vader kon geen sjekkies draaien. Dan werden het enorme toeters die halverwege het rookproces spontaan uit elkaar vielen. Maar ik ken mannen – het is een sensueel feest te zien hoe die sjekkies rollen. Mooi, dun, nauwgezet en liefdevol. Het geheel afmakend met het vocht van het puntje van de tong. Ikzelf kan er niets van. Lik zonder uitzondering aan de verkeerde kant van het vloeitje. Hopeloze geschiedenis. Niet om aan te zien.

Het heeft naar verhouding even geduurd voordat ik de smaak van het roken te pakken kreeg. Lange tijd heb ik niet gerookt. Op de middelbare school kon ik jaloers kijken naar mijn klasgenoten die in het zicht van een naderend examen het naburige koffietentje blauw zetten. Dat was nog eens nervositeit. Ook in romans was ik een en al bewondering voor personages die de asbak overvol rookten vanwege niet te verwerken leed. Zelf kwam ik niet verder dan een bedroefd gezicht – wat weinig effect had op mijn omgeving. Nee, dan de urgente kreet: „Ik moet roken!”

Ik hoorde er niet bij. Maar het kwam niet in me op om ermee te beginnen. Ik rookte niet. Uit gewoonte.

Natuurlijk, roken is een ordinaire gewoonte. Ordinair, in de zin van gewoontjes. Ik zie wel eens mensen op straat die de boodschappen in de achterbak stouwen en daarbij roken. Dat is geen gezicht. Het feit dat mijn vader altijd rookte had te maken met een persoonlijkheidskenmerk. Het hoorde bij hem. Dat is van geheel andere aard dan mensen die roken maar dat persoonlijkheidskenmerk niet bezitten.

Zo is mijn zusje Bianca een keer gestopt met roken. Net als mijn vader ging zij naar een acupuncturist. Toen mijn vader de behandeling had ondergaan, ging hij naar zijn auto, nam plaats achter het stuur en nam de proef op de som. Hij stak een sigaret op. Sans malheur. Acupuncturist werd afgekeurd. Mijn zus evenwel kwam na de speldenprikken genezen bij me aanzetten. Ik heb mijn zorgen met haar gedeeld en ik wist haar binnen anderhalf uur te overtuigen dat roken haar simpelweg stond. Geen sigaret, geen gezicht. Een paar tussenpozen daargelaten, rookt ze nog steeds.

En ik ook. Het moet zo na mijn eindexamen geweest zijn dat ik het genot ervan ontdekte. Mijn moeder houdt van antiek. Thuis stond een porseleinen sigarettenpotje versierd met een roosje op een antiek tafeltje. Daarin bevonden zich sigaretten van het merk Belinda: lelieblank met een met bloemetjes versierd mondstuk – filter mag je het dan niet noemen. Mijn moeder rookte weleens een sigaretje, zo heette dat dan, voor de gezelligheid. Zonder te inhaleren. Terwijl mijn vader net zo diep kon ademhalen als dat hij de rook naar binnen zoog. Zoveel blauw kwam er uit niemands mond. Net zoals hij heb ik nooit geleerd hoe je niet kunt inhaleren. Ik ben mijn vaders dochter.

Na de zoveelste existentiële roman vond ik het de hoogste tijd dat ik er ook aan ging geloven. Mijn zusjes en broer rookten immers allang en ik, als een na oudste, liep eigenlijk hopeloos achter. Op een dag, vroeg in de avond pakte ik een Belinda-sigaretje en een doosje lucifers. Gewapend met een glas melk zette ik me achter mijn bureautje en ik stak mijn allereerste sigaret op. Dat moet het moment zijn geweest dat de filosoof in mij geboren werd. Roken en denken. Het bleek een ideale combinatie. Je gedachten konden dwalen waarheen ze maar wilden en toch deed je wat. Activiteit en passiviteit. Het hek was van de dam. Ik deed mijn entree in de wereld. Ik hoorde erbij.

Je moet wel esthetisch verantwoord roken, vind ik. De wijze waarop je rookt moet iets toevoegen aan je persoonlijkheid. In elke klassieke film zie je hoe belangrijk roken is, dat daar acteertalent voor nodig is. Het is een boodschap die je de wereld instuurt. Zoals Greta Garbo, de arm bevallig over de leuning van de bank, het ellenlange sigarettenpijpje tussen de slanke vingers. Haar ogen zijn omfloerst door sigarettenrook en daardoorheen, door die rook, kijkt ze peinzend, de situatie geheel meester, naar haar aanbidder. Kijk, hier wordt gecommuniceerd zonder dat er een woord is gevallen. Een sigaret in de hand komt aan. Een paperclip of een propje papier zou alleen maar afleiden.

Nu ben ik Greta Garbo niet, maar een sigarettenpijpje heeft stijl. En als je maar genoeg in de beslotenheid van je kamer oefent, dan kun je binnen niet al te lange tijd als een volleerd en gestileerd roker aan de wereld verschijnen. Een sigarettendoosje is daarbij ook belangrijk: het voegt een gebaar toe aan het ritueel. Een vriendin van mij bracht uitkomst. Zij had nog van die rode Benson & Hedges-blikjes waarin zij centen bewaarde. Een daarvan heb ik achterover gedrukt en sinds jaar en dag vul ik als de dag begint mijn doosje met sigaretten. Mijn vrienden kennen me niet anders. Wie zou ik zonder pijpje en doosje zijn?

Als een gesprek spannend wordt of in een eindeloze verlenging gaat – wat is natafelen zonder roken? – dan open ik het rode doosje, pak een sigaret en steek die in mijn pijpje. Ik moet nog een keer mijn hand leggen op zo’n extra lang formaat. Liefst van porselein. Zo win ik bedenktijd bij het beantwoorden van vragen waar ik geen antwoord op heb. Luisteren en roken gaan ook prima samen. Lekker genieten van je sigaret en tegelijk horen wat die ander nu weer heeft meegemaakt.

Schrijven en roken? Een voorwaarde. Ik kan niet eens schrijven zonder roken. Laat staan denken. Mensen die zeggen dat het allemaal tussen mijn oren zit, vergissen zich deerlijk. Als ik mijn behoefte niet bevredig dan wordt het niets op papier.

Freud verdedigde zijn verslaving aan sigaren simpelweg met de woorden: „Soms is een sigaar gewoon een sigaar.” Nu zat hij daar wel een beetje te liegen, denk ik. Want rokers zijn natuurlijk enigszins blijven steken in het orale stadium. Het is regressief gedrag om zo afhankelijk te zijn van een sigaret in de mond die, volgens de psychopathologie, een surrogaat voor de moeder zou zijn. Ik geloof het meteen. Maar praten dan, eveneens een activiteit van de mond die de nabijheid van de ander wil oproepen? Of schrijven dat naar de aanwezigheid van de lezer verlangt? Dat zijn volgens mij evenzeer varianten van het orale stadium.

Zelf ben ik er nogal zorgeloos over. So what? Ben je een beter mens als je het orale stadium overwonnen hebt? Zo heerlijk zelfstandig en bevrijd in een onverslaafd bestaan? Zo heerlijk moreel superieur dat je de ander de les mag lezen? Gij zult niet roken – hoezo? Sinds wanneer is verlangen uit den boze? Sinds wanneer mag je niet met stijl communiceren, de ander verleiden tot een nog grotere nabijheid?

En dan heb ik nog niet eens over de tabaksteelt die jammerlijk ten gronde gaat. Dat zou flauw zijn. Mijn vader rookte echt niet om anderen van arbeid te voorzien. Hoewel, als ik het hem nog zou kunnen voorleggen, dan zou hij uitermate tevreden zijn over deze rechtvaardigheidsgrond. Natúúrlijk zou hij anderen niet van hun inkomsten willen beroven.

Mijn vader rookte omdat hij de ander naar zich toe wilde trekken en niet wist hoe. Zijn roken was uitstel én poging tegelijkertijd. Zolang hij rookte was er hoop. Het kuiltje in zijn voorhoofd was daar een levend bewijs van: het was een fysieke afwezigheid die gevuld moest worden. Totdat hij met roken stopte.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden