null

EssayVrijheid van onderwijs

Zolang artikel 23 geldt, wordt onderwijs geen grote gelijkmaker

Hoe leg je als minister aan vrijgevochten scholen en betrokken ouders brede maatschappelijke doelstellingen op?, vraagt Laura van Baars zich af. Reken maar dat uit het bijzonder onderwijs verzet komt tegen een driejarige brugklas.

Als Arie Slob straks terugkijkt op zijn ministerschap van basis- en voortgezet onderwijs, zal hij zich weleens afvragen: wanneer begon men mij nu eigenlijk kwalijk te nemen dat ik geen visie had?

Slob presenteerde zich bij zijn aantreden als een minister die ‘met elkaar’ wilde gaan kijken hoe hij de werkdruk zou kunnen verlagen en het lerarenvak aantrekkelijker zou kunnen maken. Als hij het lerarentekort zou oplossen, zou zijn ministerschap geslaagd zijn, moet hij in 2017 gedacht hebben.

Dat Slob ‘met het veld’ aan de slag wilde gaan, zal scholen toen als muziek in de oren hebben geklonken. Slob liet merken de boodschap begrepen te hebben van de parlementaire onderzoekscommissie Dijsselbloem uit 2008, die nog altijd nagalmt op het Binnenhof. Draagvlak onder leraren, leerlingen, schoolleiders en ouders, adviseerde ‘Dijsselbloem’, is een van de belangrijkste voorwaarden om veranderingen in het onderwijs succesvol voor elkaar te krijgen. Slob groeide niet voor niets uit tot een minister die erom bekend stond graag overal kopjes koffie te drinken.

Maar de problemen op zijn ministerie begonnen zich op te stapelen. De coronapandemie en de wekenlange schoolsluitingen leidden tot een ongekende crisis in het onderwijs, waarbij de ogen in ‘het veld’ steeds indringender op het ministerie gericht werden. Moeten we dicht? Moeten we open? Wat doen we met onderwijsachterstanden als leerlingen hier voor het leven door getekend worden?

Meer dan op Ingrid van Engelshoven, die de leiding over het ministerie voert en verantwoordelijk is voor het hoger onderwijs, kwam haar secondant voor basis- en voortgezet onderwijs, Arie Slob, vol in het licht te staan.

Hun antwoord kwam uiteindelijk in getallen: 8,5 miljard euro om de onderwijsachterstanden op te lossen. Slob zal uiteindelijk niet herinnerd worden om het bestrijden van het lerarentekort, maar om het grote geld. Waar scholen een jaar geleden hun ogen bij zo’n bedrag niet hadden kunnen geloven, laten zij zich er nu echter niet meer door begoochelen. Want welk verhaal heeft de minister nu precies bij dit geld? Waaruit bestaat zijn leiderschap?

Arie Slob, demissionair minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, praat met leerlingen van het IJburg College. Beeld ANP
Arie Slob, demissionair minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, praat met leerlingen van het IJburg College.Beeld ANP

Enkele weken geleden verdedigde Slob zijn Nationaal Programma Onderwijs in de Tweede Kamer. PVV-Kamerlid Harm Beertema, met ruim 30 jaar ervaring in het onderwijs, waarschuwde de minister nu niet weer met ‘Dijsselbloem’ te komen aanzetten. En hij kreeg bijval van verschillende andere Kamerleden: dat mantra dat de politiek zich afzijdig moet houden en het onderwijsveld zelf ‘aan zet’ moet laten, wordt zo langzamerhand veel te vrijblijvend. De politiek moet wel degelijk daadkrachtig zijn op het gebied van onderwijs. Volgens Beertema krijgen scholen anders veel te veel ruimte om het onderwijsgeld aan eigen hobby’s te besteden.

Maar het is de vraag hoe ver je in het Nederlandse onderwijs met krachtig leiderschap kunt komen. Ruim 70 procent van de kinderen gaat naar een ‘bijzondere’ school, eentje die zich kan beroepen op het vrij unieke grondwetsartikel 23, dat ruim honderd jaar geleden protestantse en katholieke scholen een recht gaf om bekostigd te worden vanuit de Staat. Intussen is de vrijheid van onderwijs uitgegroeid tot een artikel dat veel meer behelst dan ruimte voor geloofsovertuigingen.

Ruimte voor nieuwe scholen

Voor de moderne ouder is het belangrijk dat dankzij artikel 23 ook islamitische, montessori-, jenaplan-, dalton- of vrijescholen voor iedereen slechts tegen een vrijwillig schoolgeld te bezoeken zijn. Scholen die met iPads werken, natuur- en techniekonderwijs hoog in het vaandel hebben, democratisch onderwijs geven, kinderen van alle leeftijden en niveaus samenvoegen, tweetalig zijn, die leren volgens de wijsheden van Hannah Arendt of Stephen Covey: noem het zo gek, en de Staat is onder voorwaarden bereid het te financieren. Een vorig jaar aangenomen wet ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’ moet het stichten van moderne, vernieuwende en geprofileerde scholen alleen nog maar makkelijker maken.

De vrijheid van onderwijs geeft veel ruimte voor de cultuur, religie, aanleg en tradities van kinderen en hun ouders. Het is niet zo dat openbare scholen die niet bieden, maar waar bijzondere scholen hun waarden zelf mogen opstellen, komen die in het openbaar onderwijs neer op de door de overheid opgelegde opdracht van gelijkwaardigheid, vrijheid en ontmoeting. Hóe openbare scholen invulling aan die waarden geven, gelet op welke leraren er voor de klas staan en welke bagage leerlingen en ouders meebrengen, staat hen vrij. Ook in het openbaar onderwijs heeft de kleine gemeenschap van de school het laatste woord.

Bijzonder of openbaar: de ‘buurtschool’ is in het basisonderwijs synoniem geworden voor een school die weet wat de omgeving wenst en nodig heeft. Voor schoolleiders en leraren zit de waarde van hun werk er voor een deel in dat ze de ruimte hebben om lesmethodes en onderwijsprogramma’s te kiezen waarvan ze denken dat die bij hun leerlingen passen. Dat Nederlandse kinderen al jaren een koppositie innemen als ’s werelds gelukkigste in de ranglijst van Unicef, is volgens velen mede te danken aan die vruchtbare cultuur op scholen.

Maar er is ook een keerzijde. Volgens critici als Beertema kunnen onderwijsidealen van schooldirecteuren en eigen interpretaties van onderwijswaarden uitmonden in hobbyisme. Een school die graag kleine klassen­­ wil inrichten, staat dat vrij. Maar bijvoorbeeld op de zeer zwak functionerende bijzondere School voor Persoonlijk Onderwijs waar Trouw deze maand over berichtte, werd de zorg aan kinderen met leerproblemen dan weer veronachtzaamd.

null Beeld Hollandse Hoogte / William Hoogteyling
Beeld Hollandse Hoogte / William Hoogteyling

De Onderwijsinspectie grijpt nu in, maar achteraf­­ was het misschien beter geweest als vóór de school gesticht was en honderden leerlingen die doorlopen hadden­, zou zijn vastgesteld of het onderwijs bewezen effectief­­ was. Iederwijs- of iPadscholen bleken de afgelopen jaren eveneens kostbare missers. De onderwijsvrijheid laat ruimte­­ voor experimenten van schoolleiders en ouders, ook die met een verkeerde afloop.

Hoe leg je aan deze vrijgevochten scholen en betrokken ouders politieke missies op met brede maatschappelijke doelstellingen? Wat moet Slob, of zijn opvolger, met de door corona prangend geworden maatschappelijke vraag om kinderen via het onderwijs meer gelijke kansen te geven?

Driejarige brede brugklas

Er zijn signalen dat een driejarige, brede brugklas zou helpen om met name meisjes op 15-jarige leeftijd op een hoger onderwijsniveau te laten landen. Zeker leerlingen uit niet-Nederlands sprekende gezinnen hebben baat bij een latere selectie. Omwille daarvan zou je alle 1500 middelbare scholen kunnen verplichten om een driejarige brede brugklas in te richten met vmbo, havo en vwo bij elkaar. Zou het werken?

Politieke opdrachten zijn tricky business. ‘Dijsselbloem’ analyseerde waarom de omvorming van de mavo in vmbo en de invoering van het studiehuis en passend onderwijs, niet best uitpakten. De leraren waren er vaak niet voor te porren, en dan waren ook nog de budgetten te zuinig en moest het allemaal te snel worden ingevoerd. Bovendien was er eigenlijk te weinig wetenschappelijk onderzoek naar gedaan of maatschappelijke doelen als een betere aansluiting op de arbeidsmarkt en inclusie van zorgleerlingen echt bereikt zouden worden.

Onderwijsvernieuwingen doorvoeren bleek zo complex, dat ministers ze sinds ‘Dijsselbloem’ steeds uit de weg zijn gegaan. Het gevolg was dat ze hun verantwoordelijkheid voor het onderwijsstelsel niet meer durfden te nemen. Het risico op mislukking was te groot. Kopjes koffie drinken met zo veel mogelijk scholen en leraren is óók belangrijk, maar als er sterke maatschappelijke aanwijzingen zijn dat het stelsel moet veranderen, zoals een groeiende tweedeling in de bevolking tussen kansarmen en kansrijken, kun je daar als politicus niet omheen.

De Tweede Kamer, die de door corona scherp in beeld gebrachte kansenongelijkheid wel onder ogen moest gaan zien, nam daarom geen genoegen meer met een verwijzing naar ‘Dijsselbloem’ tijdens het onderwijsdebat in juni. Er moet nu eindelijk actie worden ondernomen.

Het wettelijk invoeren van een driejarige brugklas zou in de aanpak van kansenongelijkheid een krachtig politiek signaal zijn. Zowel openbare als bijzondere scholen zullen daar invulling aan moeten gaan geven, al zal het bij de waarden van een gemeentelijke scholengemeenschap beter passen dan bij een daltonlyceum of een christelijk gymnasium. Reken maar dat het bijzonder onderwijs in verzet zal komen, en niet zonder reden: niets wijst erop dat ouders op deze brugklassen zitten te wachten. In plaats van breder, zijn scholengemeenschappen onder druk van ouders en leerlingen de laatste decennia juist alleen maar smaller geworden. Categorale scholen zijn populair, er zijn behalve gymnasia en vmbo’s zelfs zelfstandige havo’s. De vrijescholen maken een enorme groei door. Brugklassen van vmbo, havo en vwo zijn alleen met een lampje te vinden. Voor de kleinste, bijzondere basisscholen in de duurste Nederlandse wijken bestaan de langste wachtlijsten.

Veiligheid en vertrouwen

In een land waar schoolkeuze en schoolstichting zo vrij is, wordt ook ineens glashelder wat ouders op scholen het belangrijkste vinden. Daarbij gaat het vaak niet om doelen als gelijkheid en ontmoeting, vaak niet eens om het allerbeste onderwijs, maar eerder om ‘veiligheid’ en ‘vertrouwen’.

Een zeer fijnmazig krachtenveld heeft zich in Nederland dankzij artikel 23 uitgekristalliseerd. Grote stelselwijzigingen passen daar maar moeilijk bij. Als driejarige brugklassen in het openbaar en bijzonder onderwijs de norm worden, zullen veel ouders ongetwijfeld gaan kiezen voor privé-onderwijs. Die trend is al ingezet, waarschuwde de Onderwijsinspectie dit jaar. In de afgelopen 25 jaar stegen de uitgaven van ouders aan privé-onderwijs van 16 miljoen euro per jaar naar bijna 300 miljoen euro per jaar.

Een grote gelijkmaker kan je het Nederlandse onderwijs niet noemen. Geconfronteerd met zware maatschappelijke problemen als kansenongelijkheid of polarisatie tussen bevolkingsgroepen, problemen die met onderwijs waarschijnlijk voor een deel zouden kunnen worden opgelost, staat de politiek nu grotendeels machteloos. Het zou kunnen helpen als de publieke waarden gelijkheid, vrijheid en ontmoeting niet alleen in het openbaar onderwijs, maar aan alle Nederlandse scholen verplicht worden gesteld. Maar dan moet artikel 23 worden afgeschaft. En welke minister durft dat aan?

Laura van Baars (1980) studeerde rechten en Engelse letterkunde in Amsterdam. Sinds 2007 is ze redacteur van Trouw, op dit moment als redacteur onderwijs.

Lees ook:

Kansenongelijkheid begint al op de basisschool, en dat gaat voornamelijk om de plek waar die school staat

Onderwijs is niet de grote gelijkmaker voor kinderen uit arme en rijkere wijken. Dat schrijft de Ser in een rapport. De belangrijkste oorzaak: het lerarentekort.

‘30 miljoen coronasubsidie via de school naar private bijlesbedrijven’

Uit een enquête blijkt dat zo’n 30 miljoen coronasubsidie bedoeld voor huiswerkbegeleiding en examentraining besteed is aan private bedrijven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden