Essay

Zoek niet alleen de verschillen

Beeld Idris van Heffen

Het zwart-witdebat dat elders al decennia woedt, heeft nu Nederland bereikt. Mineke Schipper volgt dat debat al jaren. Ze betreurt het gehak en pleit voor beschaving.

History is the present, zegt James Baldwin in de indrukwekkende documentaire ‘I Am Not Your Negro’. De geschiedenis is het heden, maar hoe leren we in dit heden beschaafd samenleven? Dat is moeilijk omdat de mens nu eenmaal geneigd is beschaving en identiteit af te bakenen in termen van eigen en vreemd (en liefst ook van superieur en inferieur). Taal, cultuur, godsdienst, kleur, seksuele geaardheid en andere vanzelfsprekendheden maken dat sommigen bij ons mogen horen en anderen niet.

Om zich te ontdoen van een geschiedenis van onderdrukking benadrukten Afrikanen of mensen van Afrikaanse afkomst sinds het begin van de twintigste eeuw hun eigen geschiedenis en eigen identiteit. Dat streven mondde uit in zwarte bewegingen als Panafrikanisme of Zwart Bewustzijn. In de Verenigde Staten, het Caribische gebied en Zuid-Afrika speelt het debat over zwarte identiteit al vele tientallen jaren.

Zwarte tegenstemmen waren er ook, bijvoorbeeld van degenen die de vaak hiërarchische man-vrouwverhoudingen in deze bewegingen betreurden. Er ontstond twijfel over de vraag of exclusieve nadruk op de zwarte gemeenschap voor het veronderstelde welzijn van het ras niet ten koste ging van iemands persoonlijke ontwikkeling. Wie zich opsluit in een rigide identiteit, perkt zichzelf onvermijdelijk in. ‘Probeer niet de mens vast te pinnen, want het is zijn bestemming om vrij te zijn’, schreef Frantz Fanon dan ook in ‘Peau noire, masques blancs’ (1952): “Laat mij mensen ontdekken en zien waar ze maar zijn.”

Nog geen ideale samenleving

Net als Fanon verwierp de Caribische romanschrijfster Maryse Condé (na een vergeefse Afrikaanse zoektocht naar haar zwarte identiteit) het idee dat gekleurde mensen onherroepelijk anders zijn dan witte, ze wees steeds weer op de gevaren van een zwarte identiteit als effectief antwoord op wit racisme: “Ik weiger te behoren tot een bepaalde tak van de menselijke soort die veel heeft van dit en weinig van dat… Onze bevrijding kan alleen verwezenlijkt worden door elke raciaal bepaalde positie te weigeren.”

In Suriname had Anil Ramdas nooit nagedacht over identiteit, maar hier in Nederland wist hij algauw dat zijn Surinaamse identiteit gedoemd was te mislukken. Surinaamse Nederlanders deelde hij in twee groepen in: mensen met zelfvertrouwen en een persoonlijke kijk op de wereld (die geen Surinaamse identiteit nodig hadden) en mensen die zich aan een anti-Nederlandse identiteit vastklampten als aan een laatste reddingsboei. Net als James Baldwin in Amerika, wees hij het idee dat elke witte Nederlander per definitie racistisch is, van de hand. Maar de overheid moest wel zorgen dat alle mensen hetzelfde recht kregen op de Nederlandse cultuur, verworvenheden, taal, voorzieningen en respect. Zolang die ideale samenleving nog niet bestaat, blijft huidskleur onvermijdelijk een rol spelen in protesten tegen ongelijke kansen.

Net begonnen

In de VS woedt al enkele decennia een debat over de onzichtbare witte norm, die gelijke kansen in de weg staat en witten vanzelfsprekend bevoorrecht, terwijl ze zich daar vaak niet eens van bewust zijn.

In Nederland is dit - noodzakelijke - debat over whiteness nog maar net begonnen, maar de polariserende en emotionele toon levert meer verongelijktheid op dan wederzijds begrip. Bereidheid tot luisteren en beleefd reageren zijn onderdeel van beschaving.

Schot in de roos

Over beschaving en identiteit begon ik zelf pas na te denken toen ik in 1964 ging lesgeven aan de Congolese Université Libre. Tot 1972 woonde ik in Afrika, na een studie filosofie en Frans, waarin het woord Afrika nooit was gevallen. Mijn Congolese studenten lazen nieuwsgierig de verplichte Franse literatuur, van Baudelaire tot Camus en Sartre. Afrikaanse literatuur was nog geen onderdeel van het lesprogramma, maar ik begon Afrikaanse auteurs te lezen. Deze voor iedereen toen nog nieuwe literatuur bleek bij studenten een schot in de roos. Het plezier van de herkenning borrelde spontaan op en hun behoefte om over identiteit en beschaving te discussiëren was groot.

In Afrikaanse romans kwamen tot ver in de jaren zestig Europeanen vaak voor, en Afrikaanse personages die droomden over Europa als het paradijs op aarde. Als ik studenten vertelde dat in Europa arme witte vrouwen de huizen van andere witte mensen schoonmaken en witte mannen vuilnis ophalen om hun brood te verdienen, lachten ze vol ongeloof, want hun beeld van westerse werkelijkheid was dat witte mensen niet-witten voor zich laten werken.

Hun openhartigheid leerde mij opnieuw naar Europa kijken en bracht mij op het idee onderzoek te doen naar beelden van Europeanen in Afrikaanse romans: wat zeggen ‘zij’ over ‘ons’? De beelden die Europeanen koesteren over Afrikanen, leken in bepaalde opzichten frappant op de beelden over Europeanen in Afrika. Alleen waren het hier de witte mensen die lui zijn, plunderen, stelen, seksueel onbetrouwbaar en onbeschoft zijn. Geleidelijk kreeg ik in Afrika een inzicht mee dat mijn leven is blijven bepalen: wie in mensen en culturen naar verschillen zoekt, vindt alleen verschillen; overeenkomsten zie je pas als je ervoor openstaat.

Kritische tegengeluiden

Terug in Nederland bleek dat veel mensen hier moeite hadden met kritische tegengeluiden. Dat merkte ik voor het eerst toen ik over wederzijdse beeldvorming sprak voor een groep bierbrouwers van een bekend merk, halverwege de jaren zeventig. Voor hun vertrek naar Afrika kregen ze een hele dag culturele bagage mee in het Tropeninstituut. Om mijn betoog te illustreren citeerde ik uit Afrikaanse romans.

Die kritische passages bleken onverdraaglijk voor deze toekomstige brouwerijdirecteuren. In plaats van bevestigd te worden in hun comfortabele rol van subject, dwongen haarscherpe observaties van Afrikaanse romanschrijvers hen onverhoeds in de rol van object. “Die literatuur slaat helemaal nergens op”, riep iemand zichtbaar geïrriteerd, en anderen betuigden luidruchtig hun instemming. Zo dachten Afrikanen helemaal niet over hen, betoogden sommigen die al in Afrika geweest waren en daar hadden kennisgemaakt met toekomstig personeel.…

Maar, opperde ik, “zou u bij eerste kennismaking uw verborgen gedachten onmiddellijk aan een nieuwe baas toevertrouwen? U werd toch directeur van de brouwerij waar zij werkten?”

Slecht geweten

Hedendaagse literatuur leert lezers met nieuwe ogen kijken naar onze snel veranderende wereldsamenleving. Schrijvers halen de oude vertrouwde rollen overhoop: voormalige zwijgers laten zich horen; wie object was, wordt subject, en omgekeerd. Wie niet gewend is aan de rol van object, houdt graag vast aan subjectieve illusies. En macht gaat gepaard met de angst voor verlies van macht. “Als je een man was geweest, hadden ze je waarschijnlijk de deur uit getrapt”, zei de verbaasde dagvoorzitter na afloop.

In de twintigste eeuw gingen veel Europeanen gebukt onder een slecht geweten over alles wat hun voorouders de wereld hadden aangedaan: kolonisatie en slavenhandel en ongebreideld imperialisme. Het aantrekkelijkste antwoord op schuldgevoel over deze geschiedenis leek het cultuurrelativisme, dat een tijdlang veel invloed had: alle culturen zijn uniek en alleen iemand die deel uitmaakt van een cultuur kan er iets zinnigs over zeggen. Die insteek veroordeelt wel iedereen tot levenslange opsluiting met veronderstelde soortgenoten.

Perplex

Beschaving is een gigantische markthal, een ruilbeurs, een rendez-vous van onderhandelen, delen en uitwisselen. Dat beschaving alleen westerse beschaving zou zijn, waar anderen van af moeten blijven of zich hoogstens bij kunnen aansluiten, is een bekrompen visie die ontkent dat voorouders van overal aan de beschavingserfenis van de mensheid hebben bijgedragen. Een voorbeeld van die ontkenning kwam ik tegen in de persoon van de schrijver V.S. Naipaul, met wie ik in 1982 een persoonlijke aanvaring had. Naipaul was te gast bij de Nederlandse PEN en vlak voor de receptie smeekte de gestreste PEN-voorzitter mij - ik was in die tijd secretaris buitenland - opeens of ik alsjeblieft in zijn plaats een speech kon houden, want zijn ‘buitenlands’ was zo slecht.

Om de gast te verwelkomen improviseerde ik over ‘A Bend in the River’, zijn mooie roman die in Kisangani speelt waar ik zelf gewoond had. Net als hij had ik ook de reis door het beruchte Evenaarswoud tussen Congo en Oeganda gemaakt. Na mijn toespraak raakten we in geanimeerd gesprek. Hij vroeg me welke van zijn romanpersonages ik daar gekend had en we praatten een tijdje door over schrijven en Afrika. Totdat hij op vertrouwelijke toon zei: “You know, those blacks should strip themselves naked and go back to the bush.”

Ik was perplex. Wilde hij ‘westers’ overkomen door zich minachtend over Afrikanen uit te laten? En ging hij ervan uit dat ik het daarmee eens was? “Mensen kunnen uitstekend zelf uitmaken wat ze aan- of uittrekken”, zei ik zo beleefd mogelijk, “maar één ding is zeker. Mijn vrienden daar zouden zulke uitspraken van uw kant absoluut niet op prijs stellen.”

Hij staarde me verbluft aan: “You mean, those dressed up in suit and tie?” Vlak voor mij stond hij zelf, dressed up in suit and tie. “Het spijt me”, zei ik, “ik kan deze conversatie niet waarderen.”

Extra verwarrend

Ik ging weg, maar Naipauls uitspraken zaten me zo dwars dat ik besloot hem de volgende dag met zijn eigen woorden te confronteren bij het openbare interview in een theater. Daar citeerde ik zijn uitspraken van de vorige dag en verzocht hem er nu publiekelijk commentaar op te geven. Na een ongemakkelijke stilte verklaarde hij dat de discussie niet van het vereiste niveau was. Hij nam zijn diplomatentasje onder de arm en ging terug naar het vliegveld.

Vrijwel alle kranten vielen over mij heen, zijn racisme was totaal geen issue. Toen hij in 1991 terugkwam naar Nederland, was de voornaamste preoccupatie van de pers of de beroemde schrijver niet opnieuw zou weglopen. NRC herkauwde ‘het Naipaul-incident’ als de schuld van de Nederlandse PEN die hem had doorgezaagd “over zulke onbenulligheden dat hij niet alleen de zaal, maar direct ook het land verliet”.

Binnen de hedendaagse Nederlandse discussie zou zo’n incident extra verwarrend zijn, doordat deze racistische uitspraken kwamen van iemand die qua uiterlijk en herkomst automatisch zou worden ingedeeld bij ‘de mensen van kleur’ over wie Anousha Nzume het in haar boek heeft. Beschavingsontdekkingsreizigers kunnen twijfelen aan hun eigen gelijk en laten zich stimuleren door nieuwe vragen en ideeën. Kosmopolitische stemmen herschikken het mondiale culturele landschap door voortdurend verder te kijken, zoals Teju Cole, die in een indrukwekkende lezing in Amsterdam (2016) een dosis onverbloemd racisme van een andere Nobelprijswinnaar aan de kaak stelde.

Beschaving

In een samenleving met veel zelfvertrouwen, stevige grondvesten en een solide rechtssysteem kan twijfel zich vrij ontwikkelen. Dat is in Europa gebeurd, maar jarenlange structurele twijfel voedt nu een aanzwellende roep om geslotenheid en geborgenheid en een storm van haatzaaiende vijandbeelden tegen universele beschaving. Het goede nieuws is dat in de beschavingsstrijd tegen onverdraagzaamheid bondgenoten van elke kleur, geloof, cultuur of kledingstijl elkaar vinden. Barbarij kun je alleen bestrijden door te zoeken naar wat we delen.

Beschaving houdt het vermogen in tot zelfkritiek, maar een Erasmiaans spreekwoord herinnert ons eraan hoe moeilijk dat is: “Wy zien eens anders minste vleck, en niet ons eyghen groot ghebreck.” Oog hebben voor elkaar is het begin van universele beschaving. Een paar duizend jaar voor Erasmus werd in Mesopotamië, het huidige Irak, al een andere nuttige beschavingswijsheid in een kleitablet gegrift: “We zijn allemaal uit dezelfde klei gekneed.” Het besef elkaars medemens te zijn zet de deur naar beschaafd samenleven alvast op een ruime kier.

Mineke Schipper

Mineke Schipper (1938) is schrijver en em. hoogleraar Interculturele Literatuurwetenschap, Universiteit Leiden

‘Ga er nou maar van uit dat ik gelijk heb’: het racismedebat in Nederland

• Seada Nourhussen, Trouwredacteur, schreef in Letter&Geest ‘Witten, maak ’s plaats’: “Wij zijn de hele tijd timide geweest in de buurt van witte mensen, die we niet voor het hoofd wilden stoten. Dankzij de zwarte opinie- leiders in dit debat zijn we de beleefdheid voorbij.”

• Arzu Aslan, Turks-Nederlandse, in NRC over bepaalde medestanders: “Ik ruik ze, witte mannen van rond de vijftig jaar, vaak linksig, met als handelsmerk antiracisme en anti-islamofobie - er is een heel clubje van op Twitter. Dat paternalisme! Ik heb tien keer liever een diehard racist.”

Ze bestempelt een pleidooi van Peter R. de Vries en Tanja Jess voor een ander uiterlijk van Zwarte Piet als ‘gevaarlijk’: “De juiste posities moeten worden bekeken door de juiste mensen. Je kunt pas werkelijk spreken van emancipatie als Zwarte Piet verandert omdat een zwarte zegt dat hij moet veranderen; anders is het een gunst van een witte.”

• Sunny Bergman, over zwarte activistes: “Een van hen vond dat ik ‘Zwart als roet’ (documentaire over racisme, red.) niet had moeten maken omdat ik wit ben. Ze vond dat ik een helper whitey ben.”

• Karin Junger, maakster van de film ‘Ik alleen in de klas’ (over racisme): “Ik kreeg van antiracismedominee Sunny Bergman de vraag of ik deze film wel mocht maken. Zij vond van niet. Het zit namelijk zo: ik ben wit. Het is een kortzichtige, bekrompen vorm van censuur om ervan uit te gaan dat mensen alleen films (of boeken, toneelstukken, beelden...) zouden mogen maken over mensen die behoren tot dezelfde groep.”

• Anousha Nzume keert zich in haar boek ‘Hallo witte mensen’ tegen het ‘institutioneel racisme’. Tegenover een Volkskrantjournalist die haar interviewt: “Het is de zoveelste keer dat een wit iemand met mij praat en het de hele tijd over zijn eigen gevoelens heeft. Het is steeds weer: ‘maar ík vind’. Waarom kun je dat niet loslaten en ervan uitgaan: degene tegenover mij heeft gewoon gelijk?

Ik heb ook een interview gedaan met een journaliste van kleur, en echt: dan praat je op een heel ander niveau.”

• Elma Drayer, Volkskrant, over ‘Hallo witte mensen’: “Het oordeel staat van tevoren vast. Wie wit is, kan per definitie niet deugen. Het boek is een product uit het giffabriekje dat identiteitspolitiek heet.”

• Seada Nourhussen: “In plaats van dankbaarheid dat een zwarte vrouw de moeite neemt om een racismegids samen te stellen voor witte mensen - ik zou er geen geduld voor hebben - was er collectieve verontwaardiging: hoe dúrft die vrouw ons iets uit te leggen!”

• Sylvain Ephimenco over Nzume, die het ‘problematisch’ vond dat Volkskrantjournalist Robert Vuijsje ‘mensen van kleur’ interviewt: “Als ik tegen het feit protesteer dat onze eigen zwarte Seada Nourhussen voor Trouw interviews met blanke mensen afneemt, wat ben ik dan? Juist, een gore racist. Is Nzume een racist? Zeker. Ik heb me afgevraagd waarom een zwarte schrijfster zonder de gevolgen te ondervinden zich zo discriminerend mag uitlaten.

Het antwoord is: zwart privilege!”

• Sylvain Ephimenco “Het kwam soms voor dat ik me als enige blanke in een overbevolkt krachthonk bevond. In die ‘zee van zwartheid’ heb ik me altijd als een vis in het water gevoeld omdat die zee door mijn kleurenblindheid onverminderd transparant bleef.”

• Leonie Breebaart feliciteert Ephimenco met zijn kleurenblindheid, maar: “Je thuis voelen in een club die jou op grond van je huidskleur beschouwt als slim, lijkt me toch stukken makkelijker dan je thuis voelen bij een club die jou op grond van je bruine kleur beschouwt als potentieel crimineel, en bovendien als minder slim.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden