Zoek jezelf niet in je brein

Het motto van de Maand van de Filosofie is 'over de grens'. Wat komen we te weten over wie we zijn, als we in hersenen kijken?

Annemarie van Stee (1983) is filosoof en cognitief neurowetenschapper. Zij promoveert eind dit jaar op een proefschrift over 'existentieel zelfbegrip en neurowetenschap'.

Komt een stelletje bij de cognitief neurowetenschapper. We zijn nu al een tijdje aan het daten, vertellen ze, maar we weten niet goed of we genoeg bij elkaar passen. Kunt u onze hersens scannen, zodat we weten of het wat worden kan?

Komen twee lang getrouwde mensen bij de cognitief neurowetenschapper. Onze relatie zit in het slop, vertellen ze. Kunt u onze hersens scannen, zodat we beter begrijpen waarom?

Dat kan nooit, denkt u misschien. Zoiets persoonlijks en mysterieus als liefde kun je toch niet met scanners onderzoeken?

Wellicht denkt u: oei, eng. Dan weten die neurowetenschappers dus beter dan ik of ik welof niet van iemand hou.

U kunt natuurlijk ook enthousiast zijn: handig om op basis van hersenscans potentiële dates te selecteren.

Al deze reacties zijn begrijpelijk gezien de berichtgeving over neurowetenschap de laatste jaren. Maar het zijn allemaal misvattingen. Ons gestaag groeiende inzicht in het brein levert heel weinig extra inzicht in onszelf op - ook niet over liefde.

Toch kun je liefde wel degelijk cognitief neurowetenschappelijk onderzoeken. Sterker nog, dat gebeurt al. Het gaat als volgt. Proefpersonen die zeggen dat ze tot over hun oren verliefd zijn, brengen foto's mee van hun partner. Ze kijken naar die foto's terwijl ze in de MRI-scanner liggen die hun hersenactiviteit meet.

Omdat het brein nooit stilstaat en omdat bij iedere taak meerdere processen komen kijken - in dit geval niet alleen liefde maar ook het kijken naar foto's - is er een controletaak. De proefpersonen kijken dan naar foto's van vrienden en kennissen. De hersenactiviteit die daarbij betrokken is, trekt de onderzoeker af van de activiteit tijdens het kijken naar foto's van de geliefde. Zo blijft alleen die hersenactiviteit over die te maken heeft met liefde. Die is te zien in allerlei gebieden, vooral in het midden van het brein, onder andere in het ventrale tegmentale gebied en de nucleus caudatus.

Neurowetenschappelijk onderzoek, of het nou naar liefde is, of naar concentratie of naar geheugen, focust zo altijd op een klein onderdeel van een proces. Dat moet, om goed wetenschappelijk onderzoek te kunnen zijn.

Dit onderzoek gaat niet over liefde in het algemeen. De onderzoekers vragen hier niet naar gedrag, maar alleen naar ervaringen van liefde. En het gaat over de romantische liefde, niet over liefde voor kinderen of ouders en zeker niet over liefde voor vrienden. De romantische liefde dus, maar dan alleen de variant die 'hevig verliefd' heet en niet de kalmere liefde voor je echtgenoot.

Hoe verder een onderzoeksgebied ontwikkeld is, hoe meer een proces is opgedeeld in kleinere onderdelen. Deze krijgen technische definities die ver afstaan van de termen waarin wij onszelf begrijpen. Zo doen neurowetenschappers allang geen onderzoek meer naar 'herinneren', maar naar 'inprenting in het episodische geheugen' of 'recollectie vanuit het semantische geheugen'.

Het liefdesvoorbeeld laat ook zien dat de resultaten die ze boeken gaan over de hersenen. Cognitieve neurowetenschappers onderzoeken de relatie tussen gedrag en hersenactiviteit. Maar uiteindelijk zijn ze onderdeel van de neurowetenschappen en daarmee hersenonderzoekers. Dat zie je aan hun experimenten: onderzoekers manipuleren wat hun proefpersonen doen of ervaren en meten wat daarbij in het brein gebeurt. Ze laten proefpersonen verliefdheid ervaren en leren dat de nucleus caudatus dan actief is. Ze leren dus iets over het brein. (Om de verliefdheid zelf experimenteel te onderzoeken moeten we iets kunnen meten over verliefd gedrag of ervaringen van verliefdheid. Maar dat is voer voor psychologen.)

Neurowetenschappelijke onderzoeksartikelen zetten de lezer hier makkelijk op het verkeerde been. Aan het einde van die artikelen opperen de auteurs vaak ideeën over waarom bepaalde gebieden in het brein activiteit vertonen. Sommige activiteit treedt niet alleen op bij liefde, maar ook bij cocaïnegebruik, dus opperen ze dat liefde verslavend is. Of dat het een kick geeft om liefde te ervaren.

Zulke ideeën zijn geen resultaten uit het onderzoek. Ze redeneren in de omgekeerde richting: van de hersenactiviteit naar ideeën over liefde. Het zijn interpretaties van de resultaten die de onderzoekers overtuigend vinden, maar andere interpretaties zijn ook mogelijk. Want waarom zou het niet andersom zijn: dat cokegebruik liefdevolle ervaringen opwekt? Er zijn bovendien nog minstens twintig andere processen waarbij dezelfde hersenactiviteit gemeten wordt, variërend van leerprocessen tot onplezierige gebeurtenissen. Vergelijkingen daarmee leveren weer heel andere visies op liefde op.

Collega-neurowetenschappers weten wel dat het interpretaties zijn in plaats van resultaten, maar een argeloze lezer ziet dit vaak niet. Bovendien worden sommige interpretaties zo vaak herhaald dat ook neurowetenschappers zelf ze voor feiten verslijten. Zo bestaat er een netwerk van gebieden in het midden van het brein dat door iedereen 'beloningsnetwerk' wordt genoemd. Dat begrip is geen onderzoeksresultaat (het netwerk is bij sommige onplezierige gebeurtenissen ook actief), maar een duiding. Ideeën als 'we vonden activatie in dit netwerk, dus liefde wordt als belonend ervaren' dienen we dus met een flinke korrel zout te nemen.

Het is niet raar als u de afgelopen jaren de indruk heeft gekregen dat cognitieve neurowetenschap bijdraagt aan zelfinzicht. Nadenken over liefde is spannender dan nadenken over de nucleus caudatus. Daarom hebben de makers van persberichten over neurowetenschap vaak de neiging smeuiige interpretaties te presenteren als onderzoeksresultaten. 'Verliefdheid is verslavend voor ons brein' klinkt nou eenmaal lekkerder dan 'Verliefdheid gaat gepaard met activatie van de nucleus caudatus'.

Daarnaast worden veel interessante resultaten uit psychologisch onderzoek gepresenteerd alsof ze uit hersenonderzoek blijken. Verder is er neurononsens in omloop, zoals 'we gebruiken maar 10 procent van ons brein'. Of: de indeling van mensen in 'creatieve rechtsbreinigen versus analytische linksbreinigen'. Dit voorbeeld verhaspelt breinfeiten tot metafoor - we hebben wel twee hersenhelften, maar niet twee persoonlijkheidstypes die daarmee overeenkomen.

Cognitief neurowetenschappers kunnen zich behoorlijk ergeren aan de popularisering van hun werk. Om nog maar te zwijgen van de manier waarop allerlei producten aan de man worden gebracht met verwijzing naar 'het brein'. Wat hun ook een ongemakkelijk gevoel bezorgt, is dat ze geldschieters het nut van hun onderzoek moeten uitleggen. Hun onderzoek is meestal fundamenteel en dus niet direct nuttig. Intrigerend is het wel - ontdekkingsreizen zijn spannend, of ze nou onbekende continenten of onbegrepen organen behelzen.

Ons perspectief op het brein is onderweg al behoorlijk veranderd. Zo richtte het onderzoek zich vijftien jaar geleden nog op regio's in het brein, maar inmiddels denken neurowetenschappers dat netwerken ten grondslag liggen aan ons doen en laten. Dat zijn nieuwe inzichten in ons brein. Maar die laten zich niet zomaar doortrekken naar inzicht in onszelf.

Wat cognitieve neurowetenschap wel kan doen, is ons herinneren aan de biologische basis van onze menselijke natuur. Het herinnert ons aan het simpele feit dat bij alles wat we doen en ervaren hersenactiviteit betrokken is. Neurowetenschap onderstreept daarmee ook het belang van de automatismen die in ons lijf, inclusief ons brein, zijn gaan zitten.

Dit zijn geen revolutionaire inzichten. Iedereen die een familielid aan Alzheimer heeft zien lijden of zelf weleens een paar glazen alcohol te veel heeft gedronken, wist al dat het brein -ertoe doet. En het meeste wat we weten over automatismen, weten we uit psychologisch onderzoek, niet uit hersenonderzoek.

Toch doet het ertoe: ideeën over onszelf die onze biologische basis ontkennen, zijn niet houdbaar. Zo kunnen we niet denken dat onze vrije wil helemaal los staat van hersenactiviteit, of altijd bewust verloopt in plaats van automatisch. Dat betekent niet dat we geen vrije keuzes kunnen maken. Als we het idee serieus nemen dat we óók ons brein zijn en óók onze automatismen, zijn wij het die kiezen en handelen, ook als we dat automatisch doen. Zolang we achter onze keuzes en handelingen staan, zijn ze vrij.

Het kan gebeuren dat we dingen doen of ervaren die ons totaal vreemd voorkomen. De grote hoop is dat cognitieve neurowetenschap uiteindelijk inzicht biedt in dit soort gevallen: bij hersenletsel en hersenziektes. Maar wanneer we naar ons brein moeten verwijzen om uit te leggen waarom we doen wat we doen, zijn we juist niet bezig met zelfinzicht. Wij zijn onszelf op die momenten vreemd. Ik ben het niet die zo raar doet, het is de ziekte. Het is de falende nucleus caudatus die verhindert dat ik kan doen wat ik gewend ben; het is het haperende dopamine-netwerk dat me verhindert te zijn wie ik eigenlijk ben.

Wanneer we gezond zijn, is de hang naar zelfinzicht niet een zoektocht naar het brein. Er zijn meer redenen waarom je hierbij aan cognitief neurowetenschappelijk onderzoek weinig hebt. Wanneer we naar zelfbegrip zoeken, zoeken we naar inzicht in onszelf in onze unieke situatie. Experimenteel onderzoek biedt doorgaans alleen inzicht in hoe mensen gemiddeld zijn. Verder gaat zelfbegrip over onszelf zoals we zijn geworden vanuit ons verleden, en over wie we later zouden willen worden. Dan helpt een hersenexperiment niet: dat is een momentopname van het brein in een afgebakend nu. Heel belangrijk is ook dat een beter begrip van wie wij (zouden willen) zijn perspectief biedt op hoe we het beste met onszelf en ons leven kunnen omgaan. Maar geen experiment kan je vertellen wat goed leven is.

Komen twee mensen bij de cognitief neurowetenschapper... Het moge duidelijk zijn: aan deze wetenschapper hebben ze niet veel. Maar dat weerhoudt allerlei mensen er niet van om te doen alsof het wel zo is.

Zo zijn er boeken en websites over liefde, inclusief de datingsite chemistry.com, gebaseerd op het idee dat er vier persoonlijkheidsstijlen zijn die samenhangen met vier hormonale systemen in het brein: dopamine, serotonine, testosteron en estrogeen. Herkent u 'm? Hier worden neurowetenschappelijke feiten verhaspeld tot metafoor en toegepast op persoonlijkheid.

In het Vimeo-filmpje 'The Love Competition' proberen mensen zo hard mogelijk liefde te ervaren terwijl ze in een MRI-scanner liggen. Degene met het sterkste signaal in 'liefdesregio's' wint. Dat is natuurlijk de omgekeerde wereld, want welke neurale activiteit specifiek met liefde te maken heeft, is nog helemaal niet duidelijk. En de man die uiteindelijk wint kan net zo goed een dunnere schedel hebben of stiller hebben gelegen in de scanner dan de anderen, waardoor er minder ruis was en relatief meer signaal.

Dit is allemaal best vermakelijk, maar cognitieve neurowetenschap is het niet. Die wetenschap verschaft ons inzicht in ons brein. Maar je krijgt er geen zelfinzicht van.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden