ZOEK HET ZELF MAAR UIT, MEID

  1. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

Ik probeer de chaos in mijn leven te ordenen door me volledig op het werk te storten. Aan de ene kant is er de gereformeerde gedachte: 'Je werkt in het Koninkrijk Gods, je moet niet - als je doodgaat - het gevoel hebben dat je het allemaal in de lap hebt laten hangen'. En aan de andere kant is er ook het besef dat ik me niet moet overgeven aan sombere gedachten en dat doe ik het best door met opgestreken vaan aan het werk te gaan. Als ik stil zit, ga ik te veel denken. Dat is toch wel een ellende bij ons mensen: dat je altijd maar denkt. Het per se tijd willen vullen is, sinds onze oudste zoon zeven jaar geleden is overleden, wel erger geworden. Op mijn goede momenten zeg ik: 'Onze lieve Heer heeft het zo beschikt dat ze me allemaal nodig hadden toen hij ziek was'. Want wie had ooit gedacht dat ik met mijn 68ste nog Statenlid zou worden? Hóóg op de lijst. Ik dacht echt dat het een geschenk was: ik mocht even mijn hersens ergens anders voor gebruiken. Zo is het, als ik het mooi wil praten. Maar je kunt ook zeggen: 'Zo listig zit een mens wel in elkaar, dat hij alles doet om overeind te blijven, om maar te voorkomen dat er ruimte ontstaat om door te denken'. Het heeft heel erg lang geduurd, maar ik denk dat ik zijn dood nu redelijk heb verwerkt. Al zal een moeder nooit zeggen: 'Het is over'. Ik weet nog dat iedereen in die tijd aan mij vroeg: 'Ben je nu niet boos op God?' Maar ik herinner me vooral dat ik dacht: zo is het dus als een ramp je overkomt. En dat heeft iedereen op de wereld. Ik heb nooit gedacht: waarom moet óns dit overkomen? Of gezegd: 'God doet mij dit aan'. Daar staat tegenover dat ik wel eens stiekem heb gedacht dat we de kracht om onze zoon te kunnen verplegen, om met z'n moeilijke buien om te kunnen gaan, wél van God hebben gekregen.''

2. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Ik keek naar de geruchtmakende uitzending van 'Zo is het toevallig ook nog eens een keer' en had in eerste instantie geen idee waar ze het over hadden. Het televisiescherm als afgodsbeeld? Toen ze overgingen tot het bidden van het Onze Vader, was ik wel geschokt. Ik was toch opgevoed met het idee dat dit gebed zo'n beetje het allerheiligste was. Later heb ik begrepen hoe de programmamakers doelden op de aanbidding van het beeld, maar ik vond nog steeds dat ze het gebed op die manier niet hadden mogen gebruiken. Jaren later is er haast geen taboe meer dat nog niet op televisie doorbroken is. Het is nu niet meer te stoppen of terug te draaien. Als iets te erg dreigt te worden, smijten we er een ethische discussie tegenaan en gaat het uiteindelijk onder het mom van 'Het moet toch kunnen?' toch door. Het enige wat je kunt doen, is elkaar wijzen op de effecten die bepaalde programma's kunnen hebben, maar je kunt de duvel nooit meer terug in 't doosje stoppen. Ik ben niet zo gauw meer geschokt, maar ik denk ook dat ik heel veel gewoon niet zie. Ik zal niet schakelen naar een zender waar zo'n seksprogramma of een geweldsfilm op wordt vertoond. Daar heb ik helemaal geen behoefte aan.”

3. Gij zult de naam van de Here, uw god, niet ijdel gebruiken

“Oftewel: God niet gebruiken om jouw slechte plannen een vroom tintje te geven. Daar hebben wij ons, als christenen, nogal eens aan bezondigd. Elke ethische maatregel, de onderdrukking van vrouwen, noem maar op: 'God heeft het zelf gezegd. Lees maar na, eerst heeft hij Adam geschapen, daarna Eva'. Het ambt dichthouden in de katholieke kerk: 'God wil het'. In discussies met gelovigen werd ik gezien als een afvallige: ik stond niet meer op de grondslag. Gods koningschap moest alom worden erkend en in hun optiek twistte ik met God. Maar geen mens heeft een telefoonlijntje naar boven; even aan God vragen of iets ethisch verantwoord is of niet. Bij heel wat mannen moet het schaamrood naar de kaken stijgen als ze zich bedenken wat ze vrouwen, in naam van God, hebben aangedaan. Het gaat er om dat wij - gelovig of niet gelovig - in alle redelijkheid met elkaar moeten blijven praten. Het leven is, met alle mogelijkheden die we hebben, al moeilijk genoeg om daar God nog eens eventjes voor onze rechtvaardiging bij aan te roepen. Er is voor mijn gevoel één wet: heb God lief en uw naaste als uzelf. Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. In vredesnaam: luister naar de ander, sta elkaar maar wat bij, dan zijn we misschien God voor elkaar.”

4. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de here uw god, dan zult gij geen werk doen

“Een heerlijk, menselijk gebod: sloof niet altijd, neem een dag lekker vrij en zorg ervoor dat je niks aan je hoofd hebt. Vroeger ging ik braaf naar de kerk, nu gaan we als we zin hebben. Ik kan niet meer naar alle kerkdiensten: zodra ik van die geheide, zware terminologie over me heen krijg, haak ik af. We gaan wel eens naar Huub Oosterhuis en ook wel naar de Westerkerk, net zoals het uitkomt. En waar ik ook ben in het buitenland: ik ga fleurig naar alle kerken, ook de katholieke. Al past het roomse geloof absoluut niet bij me. Ik vind het een vreselijke mannengodsdienst. Dat celibaat, ik vind het zó verwrongen. Er komt zoveel ongewenste zonde uit voort, om het zo maar eens te zeggen. En dan die dubbelheid, die dúbbelheid van zo'n paus die naar Zuid-Amerika gaat en zegt: 'Geen geboorteregeling en geen abortus'. Kijk eens naar die arme vrouwen die het ene kind na het andere moeten werpen omdat zo'n oude man dat zegt - vreselijk! Ik heb trouwens so wie so moeite om van een man die op een hoge positie, in zo'n preekstoel, zit alles maar zo aan te nemen. Dat wil niet meer. Ik kan zelf ook heel goed denken en dan zijn er wel andere mensen met wie ik graag in gesprek ga. Tja, dat krijg je ervan als je zelf gaat denken. Het heeft overigens, zoals elke vrijheid, ook z'n nadelen. Vroeger belde je de dominee of het mocht en de dokter of het kon en dan was de beslissing genomen. Nu zegt iedereen: 'Zoek het zelf maar uit, meid'.”

5. Eer uw vader en uw moeder

“In onze opvoeding stond 'Eer je vader en je moeder' voor: je moet gehoorzamen. Pas later werd het een dialoog. Ik was al lang volwassen toen ik zo met mijn ouders kon omgaan, alhoewel ik nog lang bij alles heb gedacht: zou mijn moeder tevreden zijn? Of: wat zou vader blij geweest zijn. Nu is het misschien niet meer de goedkeuring die ik zoek, maar ik zou wel graag nog eens met mijn moeder praten. Zij zou begrijpen wat het is om een kind te verliezen. Zij zou het kunnen voelen, zoals ik het heb gevoeld. Mijn moeder heeft mijn vader zeventien jaar overleefd. Toen zij stierf, was er eerst de opluchting: gelukkig, ze is uit haar lijden verlost. Pas later, als ik naar de telefoon liep om haar te bellen, dacht ik: ach god, dat kan niet meer... Eer uw vader en uw moeder is voor mijn gevoel veel omvattend. Het is boerentaal geweest: 'Opdat het u wel gaat in het land waar u woont'. Wij hebben er later de kinderen bij gesleept en gezegd: dit gebod gaat over het beschavingspeil waarop je met z'n allen zou moeten staan. Je moet om elkaar denken. En je moet proberen elkaar te begrijpen. Ouders en kinderen voorop. Maar het kán niet dat je elkaar goed begrijpt. Dat hoor je toch ook van iedereen? Er is niet voor niets een stroom literatuur over verschenen: 'Helderheid over je moeder', 'Helderheid over je vader' en ga zo maar door. Een gezinsconstructie is toch een buitengewoon moeilijk iets. Er zijn dingen van mijn ouders die ik absoluut niet heb begrepen en tegelijkertijd heb ik ook het leven van onze kinderen niet altijd kunnen bevatten. Natuurlijk, er zijn hechte banden en ik probeer ze vast te houden, maar ik geloof echt dat het onmogelijk is om elkaar ooit helemaal te begrijpen. Uiteindelijk staat ieder mens alleen.”

6. Gij zult niet doodslaan

“De tien geboden zijn leefregels die het volk Israël in de woestijn heeft gekregen. Geleerden zeggen wel eens: 'Die regels zijn daar gegeven, opdat ze voor de hele mensheid gelden. Het is het beeld van de woestijn als doorgangshuis'. God zegt: 'Ik ben uw bevrijder, ik heb u uit het slavenhuis uitgeleid'. Vrij vertaald luidt de boodschap: 'leef nou zo dat je het goed met elkaar hebt. Want anders geeft dat maar ellende'. Nou, dat is heel redelijk, vind ik. Gij zult niet doden, gold in Israël volstrekt niet voor oorlog of de doodstraf. Het is eerder zoiets als: mensen uit je eigen volk breng je zomaar niet om. Het heeft in ieder geval niets met abortus te maken. Als er weer eens zo'n dominee met dichtgeknepen oogjes op de preekstoel zei: 'En we praten over moord, gelovigen!', dan kwam ik daar meteen tegen in opstand. Nee, niks moord, we praten over het machtsgevoel van een man die denkt: mijn hemel, wat gebeurt er met mijn nakomeling? Het heeft helemaal niets te maken met het eerlijk en oprecht willen beschermen van het ongeboren leven. Ik vind dat mannen over dit onderwerp nog héél lang hun mond moeten houden en moeten bedenken hoeveel vrouwen het slachtoffer van het geknoei met abortus zijn. Ze hebben geen benul van het leed dat hierbij omgaat. Wee de vrouw die in een situatie komt waarbij ze tot abortus over moet gaan. Wanneer dergelijke dominees of andere 'belangrijke' heren zich hier in mengen, krijg je een zeer onzuivere discussie. Het zijn vaak ook de mensen die heel oorlogszuchtig zijn: 'Legers zijn nodig, bommen moeten paraat zijn'. Het is dezelfde groep die te pas en te onpas een van de geboden licht en er een eigen invulling aan geeft. Het is pure machtswellust, gekoppeld aan een enorme angst dat er aan die macht wordt geknabbeld.”

7. Gij zult niet echtbreken

“Zondigen tegen het zevende gebod, dat deed je toen ik jong was bij uitstek als je voor het huwelijk samenleefde. En o wee als daar een kind uitkwam. Dan moest je, voor het oog van de gemeente, openbare schuldbelijdenis doen in de kerk. Dat overkwam de dochter van onze dominee. Ik herinner me nog wel dat ik het - en dat zal ik ook van thuis hebben meegekregen - stuitend vond. In de oorlog, toen wij nog niet getrouwd waren, werd ik zelf zwanger. Ik werkte in het ziekenhuis en werd er behandeld als een gevallen vrouw. Ik wilde meteen een tijdje weg, maar ik kon geen ontslag krijgen; dat mocht niet van de Duitse wet. Ik werd op een stoeltje bij de deur gezet en de geneesheer-directeur zei: 'Dat zegt u nu wel, zuster Van Klinken - zo heette ik toen - maar wie zal mij zeggen dat het echt zo is?' Toen heeft mijn vader het voor mij opgenomen en een brief gestuurd: 'U geeft mijn dochter nu onmiddellijk het ontslag waar zij om vraagt'. Ik heb me niet eens zozeer vernederd gevoeld, ik werd alleen maar kwaad. Zo is het dus: moederschap is zoals het in het blad 'Moeder' werd voorgesteld. Moeder was moesje en zij ving alles op. Maar als je dan moeder werd, en de omstandigheden waren niet zoals de wereld verwachtte, dan was je slecht. Het was niet eens de christelijke wereld meer, maar vooral de buitenwereld die dat argument aanpakte om je te vernederen. Daar is mijn feminisme begonnen.”

8. Gij zult niet stelen

“Dit is, in oorsprong, echt een seksistisch gebod geweest. Je mocht niet de vrouw van een ander gebruiken - om het zo nou maar eens te zeggen - want dan werd het gezicht van de man geschonden. En daar werd vervolgens die vrouw voor gestraft. Wij hebben er, door de geschiedenis heen, van gemaakt: je mag niet aan andermans bezit komen. Heel nuchter. Moet je ook niet doen.”

9. Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste

“Ik denk dat de mens bij voortduring niet de waarheid zegt. Dat geldt ook voor mij. Liegen doe je als je jezelf en je handelwijze mooier wilt voorstellen dan het in werkelijkheid was. Maar is dat altijd kwalijk? Wat schiet de wereld ermee op als ik precies zeg wat mijn beweegredenen zijn, zo ik zelf moge weten? Zie je, ik ben toch ook filosofisch. Denk ik. Een ander aspect is dat je een ander niet mag schaden. In de Heidelbergse catechismus staat het ook zo mooi: denk erom, je mag een ander niet schaden met je valse getuigenis. Niet een ander bewust door je jaloezie vernietigen. Ik heb wel eens een ander geschaad, natuurlijk heb ik dat gedaan. Ik las eens ergens: 'Wees maar aardig voor iedereen, want alle mensen maken iets vreselijks door'. Dat heb ik onthouden: je weet niet wat een ander op dat moment doormaakt. Ik heb dat zelf ook aan den lijve ondervonden, mezelf afgevraagd: zien ze dan niet hoe verdrietig ik ben? Als ik nu voor een groep mensen sta, concentreer ik me heel erg op wat er in die zaal gebeurt. Ik probeer op te vangen wat er bij die mensen speelt. Ik hoor ouderen klagen over geld, of over de zorg die te wensen overlaat. Ik probeer te horen waar het werkelijk over gaat. Volgens mij zijn het allemaal uitingen van die alles overkoepelende angst: wat gebeurt er met mij voordat ik mag sterven? Het is niet de angst voor de dood, het is de angst voor de tijd die daaraan voorafgaat. Daarom vind ik het ook zo vervelend als oude mensen belachelijk worden neergezet. Dan denk ik: wat weet je ervan als je jong bent? Ken je de angst waar deze mensen mee leven? Het lukt mij ook niet altijd om alles op te pikken, al krijg ik, naarmate ik ouder word, wel meer inzicht. Da's zo jammer hè? Als je dan eindelijk zover bent dat je denkt een beetje te kunnen zien wat er in dit leven speelt, gaat het met je mee het graf in. Zo gaat dat.”

10. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Ik ben me heel lang onbewust geweest van de dingen die ik goed kon. Ik ben, wat je noemt, een laatbloeier. Ik deed wat er in die tijd van een vrouw werd verwacht: goed voor je kinderen en je man zorgen. Het huis was schoon, ik kon breien en naaien als de beste. Maar ik voelde de muren op me afkomen, ik wou zó graag weer studeren. Het was een openbaring om te ontdekken wat ik nog in petto had, maar om nu te zeggen: 'Kijk eens, mensen, wat ik allemaal heb bereikt' dat gaat me weer te ver. Ik heb toevallig wat dingen gedaan waarmee je in de publiciteit komt. Met al mijn ploeteren en werken had ik mijn zinnen wel op hogere posities kunnen zetten, maar mijn leven heeft vooral in het teken gestaan van onbetaald vrijwilligerswerk. Dat heeft me overigens niet minder begerig gemaakt. Ik heb het allemaal mee willen maken en ik heb er hard voor gewerkt. Ik was als kind al zo: veel doen, veel leren, veel spelen. Mijn vader wilde die begerigheid een beetje indammen en schreef, toen ik tien werd, een gedicht van Vondel in mijn poëziealbum. Mijn vader vond namelijk dat ik een 'hogere geestelijke belangstelling' moest hebben. Wij mochten ook niet met jongens thuiskomen die geen 'hogere geestelijke belangstelling' hadden. Maar goed, een paar regels van dat gedicht ben ik nooit vergeten: 'Sluit voor de begeerte uw graag gezicht/Zij loert, zij loert om in te varen/Sluit de ogen, vensters van het licht'. Ik denk dat begeerte niet slecht hoeft te zijn. Je moet er alleen voor waken dat je je erdoor laat overweldigen. Of dat bij mij is gebeurd, moet een ander maar beoordelen. Ik denk zelf van niet. Ik heb een rijk leven en de dingen die ik wilde bereiken, heb ik bereikt, maar het is nooit met me op de loop gegaan. Eigenlijk ben ik altijd een begerig kind gebleven.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden