Zo zijn onze manieren, zo zijn onze manieren, zo zijn onze manieren, manieren, zo zijn onze manieren.

Op 22 februari bepleitte Ludwig Heyde in Letter & Geest een herinvoering van autoriteit en discipline in de opvoeding. De overdracht van cultuur aan het onwetende kind kan slechts plaatsvinden in een streng hiërarchische verhouding met de wijze ouder of leraar. De pedagoog Biestra over het dilemma kind of cultuur, 'Tussen Keulen en Parijs', stoplichten en nieuwkomers. “Is er in Heyde's pedagogiek eigenlijk wel plaats voor het kind?” Gert Biesta is hoofddocent theoretische pedagogiek aan de Universiteit Utrecht.

Het verticale verschil is niet alleen aan de orde bij de inhoud van de opvoeding; het vormt volgens Heyde tevens de grondslag van het opvoedingsproces. Een van de grondbeginselen van elke opvoeding is namelijk iets 'ongelofelijk eenvoudigs': dat mens-zijn geen uitgangspositie is maar een resultaat. Om dit resultaat te verwerkelijken dient de school zich niet aan te passen bij de leerling, maar moet ze pogen de leerling aan te passen aan de stand van de cultuur. Alleen middels deze 'moeizame confrontatie met het andere in het leerproces' kan de leerling worden 'opgetild' tot 'een hoger niveau van weten kunnen en zijn'.

Heyde bepleit in zijn bijdrage hernieuwde aandacht voor de rol van het culturele verschil in de opvoeding, en herinvoering van discipline en autoriteit. Zijn pleidooi komt voort uit de vaststelling dat in onze tijd de pedagogische betekenis van de cultuur van het verticale verschil in tweeërlei zin onder druk is komen te staan. Het postmodernisme heeft twijfel gezaaid omtrent de mogelijkheid om überhaupt nog verschil te kunnen maken. Het feit dat we van alles afwijzen - kinderporno, racisme, geweld - toont echter, aldus Heyde, dat ook wij postmodernen onze standaards hebben. En dat is maar goed ook want waar de postmoderne vertwijfeling de overhand krijgt, wordt opvoeden onmogelijk. Opvoeden veronderstelt namelijk dat degene die opvoedt 'gelooft in de zaak waar hij voor staat'.

De consumptieve ideologie, het denken over opvoeding en onderwijs in termen van de markt, vormt de belangrijkste bedreiging voor de positie van het verticale verschil in het opvoedingsproces. Op de markt is alles te koop, is de klant koning en moet hij dus zelf maar uitmaken wat hij waardevol vindt en wat niet. Natuurlijk vormen zelf denken en persoonlijk en kritisch in de wereld staan een belangrijk opvoedingsideaal. Maar dat ideaal kan volgens Heyde slechts worden bereikt door 'de moeizame arbeid van de opvoeding', en niet door het kind maar vrij te laten en het onderwijs aan te passen aan degene die moet worden opgevoed.

Op het aloude pedagogische dilemma van kind of cultuur kiest Heyde daarom voor de cultuur. Niet om het kind af te wijzen, maar om het juist van dienst te zijn. Opvoeding is 'bevordering van vrijheid en zelf-zijn', maar het paradoxale is, zo stelt hij, dat opvoeding tot vrijheid niet in vrijheid kan gebeuren. Het kind moet eerst dóór de cultuur voordat het echt zichzelf kan zijn. Voor Heyde staat hierbij veel op het spel. De school als cultuurdrager is niet alleen onmisbaar voor de reproductie van de moderne samenleving. Ze draagt ook bij tot de oriëntatie van die samenleving op het ideaal van het goede leven - opvoeding tot het 'humanum'. Zonder cultuur, zo luidt zijn conclusie, barbariseert de samenleving.

Er pleit veel voor de visie op opvoeding die Heyde voorstaat. Heyde wijst terecht op de problematische aspecten van een opvoeding die zich volledig richt naar het kind. Wanneer we dus moeten kiezen tussen een opvoeding vanuit het kind of een opvoeding vanuit de cultuur, is de keuze snel gemaakt. De vraag is alleen of dit eigenlijk wel de keuze is waar het om gaat. Anders gezegd: de vraag is of kind en cultuur wel zo los van elkaar verkrijgbaar zijn dat we bij een van beide kunnen beginnen .

Heyde spreekt over de school als een cultuurdrager die 'herbergt' wat de mensheid op allerlei wijzen aan 'weten, kunnen en wijsheid' bezit, en die dit alles 'present stelt' in de opvoeding. Over de vraag waar cultuur bestaat en hoe cultuur bestaat, zegt hij minder. Heyde's betoog suggereert dat cultuur tegenover het kind staat en door het kind moet worden verworven. De cultuur is de zure appel van de opvoeding tot vrijheid en zelf-zijn. Opvoeden als confrontatie met het vreemde en het andere, noemt hij dat.

Maar waar vinden we eigenlijk cultuur. Waar vinden we de verworvenheden van vorige generaties? Waar vinden we dat wat de mensheid aan weten, kunnen en wijsheid bezit? Op het eerste gezicht is het antwoord eenvoudig. Cultuur is opgeslagen in boeken, artefacten, technieken, praktijken, instituties. Zo bezien, lijkt cultuur inderdaad buiten en tegenover ons te staan. Zodra we echter de vraag stellen hoe we toegang tot de cultuur kunnen krijgen - en dat is in dit verband de cruciale pedagogische vraag - wordt duidelijk dat het niet onze individuele omgang met culturele artefacten is die dat kan bewerkstelligen.

Wie voor het eerst van zijn leven een verkeerslicht ziet, kan er van alles aan ontdekken. Hij kan genoegen beleven aan het steeds veranderende kleurenspel. Hij kan erin klimmen en merken dat het een goede uitkijkpost is. Maar wat het individu nooit op eigen houtje kan ontdekken, is de rol die het speelt in het sociale verkeer, de betekenis die het heeft in het gezamenlijke menselijke handelen. Die betekenis kan alleen worden verworven door deelname aan de praktijk waarin het artefact een rol speelt.

Zo bezien, is cultuur niet iets dat buiten en tegenover mensen staat en voortbestaat, maar veeleer iets dat alleen tussen mensen voortleeft. Dat geldt niet alleen voor zulke praktijkregulerende artefacten als het verkeerslicht. Het geldt voor alle culturele artefacten, ook wanneer ze zelf alleen als (sociale) praktijk bestaan. Ook tot praktijken hebben we immers slechts toegang door er aan mee te doen.

De gedachte dat cultuur alleen tussen mensen voortbestaat, heeft consequenties. De belangrijkste is wel dat cultuur alleen kan voortbestaan in verandering. Cultuur kan immers alleen worden doorgegeven door nieuwkomers op te nemen in het gezamenlijke speelveld. Maar omdat cultuur niet buiten haar 'spelers' om bestaat, betekent elke nieuwe speler een potentiële verandering van het spel. Dat wil niet zeggen dat cultuur in een voortdurende toestand van instabiliteit verkeert.

Heyde lijkt dit te onderkennen wanneer hij stelt dat de cultuurschat steeds weer moet worden geactualiseerd om doorgegeven te kunnen worden, zodat verandering van traditie 'voorwaarde is voor haar voortbestaan'. Maar bij Heyde is de verandering een gevolg van activiteiten van de opvoeders. Zij dienen de cultuur op zo'n manier aanwezig te stellen dat het kind, de leerling, er door kan worden geraakt. Wat Heyde niet ziet - en dat is het punt dat ik hier wil benadrukken - is dat ook in de opvoeding cultuur slechts present kan zijn tussen opvoeder en kind, in hun gezamenlijke handelen. Ook in de opvoeding kan cultuur daarom alleen bestaan in verandering.

Wanneer we onderkennen dat cultuur alleen tussen mensen voortleeft, wordt duidelijk dat het aloude pedagogische dilemma van kind of cultuur ons voor de verkeerde keuze stelt. Cultuur is in de opvoeding immers niet anders verkrijgbaar dan met het kind. Als dit zo is, dan betekent het dat Heyde's terechte afwijzing van de rond het kind gecentreerde pedagogiek ons niet noodzakelijkerwijs brengt waar hij ons wil brengen. Niet alleen suggereert het dat er naast de pedagogiek vom Kinde aus en de pedagogiek van het verticale verschil nog een derde optie is - het brengt tegelijkertijd in beeld dat Heyde's visie op opvoeding niet het enig denkbare alternatief voor de pedagogiek vom Kinde aus is, maar een heel specifiek alternatief.

De pedagogiek zoals Heyde - maar hij niet alleen - die voorstaat, is de pedagogiek van 'Tussen Keulen en Parijs'. Het is een pedagogiek die stelt dat al wie met ons mee wil gaan - en is dat niet wat de nieuwe generatie wil, of op zijn minst zou moeten willen? - eerst onze manieren moet verwerven. Die moeten er als het ware worden ingehamerd.

Tussen Keulen en Parijs 1igt de weg naar Rome. Al wie met ons mee wil gaan, die moet onze manieren verstaan. Zo zijn onze manieren, zo zijn onze manieren, zo zijn onze manieren, manieren, zo zijn onze manieren.

Alleen wie onze manieren heeft verworven mag met ons mee. Het probleem zit hem in het woordje 'ons'. De pedagogiek die Heyde voorstaat is een pedagogiek die niet alleen begint bij het bestaande maar ook op zijn minst de suggestie wekt uit te zijn op het behoud van het bestaande. Het is niet 'cultuur of barbarij'; het is 'onze cultuur of barbarij'. Het is niet moeilijk te begrijpen dat in zo'n pedagogiek het verticale verschil als grondslag van de opvoeding wordt gezien. Wie begint bij het bestaande, kan het kind immers alleen in negatieve termen definiëren: het kind als degene die nog niet weet, nog niet kan, nog geen echt mens is. Opvoeding is dan bedoeld om deze lacunes weg te werken, om op termijn het verticale verschil op te heffen en daarmee het kind tot een van ons te maken.

Is in deze pedagogiek eigenlijk wel plaats voor het kind? In feite alleen voor zover het kind bereid is om (eerst) een van ons te worden, om (eerst) onze identiteit aan te nemen. Wat de pedagogiek van het verticale verschil daarmee lijkt te vergeten, is dat zodra we proberen onze manieren door te geven aan de volgende generatie, we al niet meer 'onder ons' zijn. Het kind is immers niet een van ons. Het kind is altijd een ander. Een ander die iets nieuws inbrengt - hoe miniem en kwetsbaar dat aanvankelijk ook is.

Wanneer we ons realiseren dat opvoeding altijd de opvoeding van de ander is, wanneer we ons realiseren dat de opvoeding nooit zonder die ander kan plaatsvinden, verandert onze blikrichting. Van het verleden en het bestaande verschuift de aandacht naar de toekomst en het nieuwe. Daarmee is het verticale verschil niet uit de opvoeding verdwenen. We kunnen het nu alleen nauwkeuriger duiden. Het kind is niet zomaar degene die nog niet weet, die nog niet kan en die nog geen echt mens is. Het kind is degene die nog niet weet wat wij weten, die nog niet kan wat wij kunnen, die nog geen mens is zoals wij dat zijn.

Natuurlijk is dat wat wij weten, kunnen en zijn niet zonder waarde. Maar we moeten het afzetten tegen het feit dat het kind een ander is: de nieuwkomer, die de mogelijkheid van een nieuw weten, een nieuw kunnen en een nieuwe maat van menselijkheid, een nieuw 'humanum', in zich draagt.

Daarmee komt er naar mijn mening een veel fundamenteler dilemma in beeld dan de vraag van kind of cultuur. De vraag waar het uiteindelijk om gaat, is of we een opvoeding willen die is gericht op de aanpassing van het kind aan de stand van de cultuur, of dat we een opvoeding willen waarin een plaats wordt vrijgehouden voor het kind, een opvoeding waarin we ons niet primair bekommeren om het behoud van het bestaande, maar juist om de kwetsbaarheid van het nieuwe.

In het eerste geval zullen we de postmoderne vertwijfeling geen kans mogen geven. We zullen moeten geloven in de zaak waarvoor we staan. In het tweede geval zullen we, juist om recht te kunnen doen aan het kind - aan ieder kind -, steeds weer bereid moeten zijn om dat wat we menen zeker te weten, te kunnen en te zijn, los te laten. In de mate waarin we bereid zijn deze consequentie te trekken uit het inzicht dat opvoeding altijd de opvoeding van de ander is, ligt mijns inziens de graadmeter van het morele en het humane gehalte van de samenleving.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden