Zo ventje, zijn papa en mama ook thuis?

Kinderen zijn hinderen, luidt een oude wijsheid. Gelukkig kun je ze te vonde ling leggen of door anderen laten adopteren. In het laatste geval is mis schien een geheel zoologische opvoe ding de moeite van het overwegen waard. Sommige dieren schijnen een verbluffend ouderschap te vertonen, ook als het om andermans kroost gaat. Tot de meest succesvolle voorbeelden van door dieren opgevoede groothe den behoren niemand minder dan Zeus en Tarzan.

Maar in feite zit de hele geschiedenis vol met verhalen over kinderen die door wil de dieren zijn opgevoed alsvorens ze in de mensenmaatschappij terechtkwa men. Vooral de verlichte achttiende eeuw toonde een warme belangstelling voor creaturen met een 'wilde' opvoe ding, zo strijdig met haar eigen opvattin gen en daarom zulk buitengewoon inte ressant lesmateriaal.

Op een septemberdag in 1731 trof men in het Franse plaatsje Songi een totaal verwilderd en vervuild meisje aan dat een hond aanviel, een konijn rauw verslond en vervolgens rustig ging slapen op een boomtak. Men waste het wezen net zo lang tot ze blank geworden was en haal de toen opgelucht adem: het ging hier dus niet om een bovennatuurlijk schepsel maar om een echte 'wilde'.

Filosofen bemoeiden zich graag met der gelijke gevallen om te demonstreren hoe de oorspronkelijke staat van de mens eruit moet hebben gezien. Er ontstond dan ook een soort handeltje in allerhande wilden en andere natuurmensen.

Kranenburg

In Litouwen werd een berenjongen ver toond, in Polen trof men er enige tijd later ook twee aan. In de Pyreneeen wer den twee steenbokjongens gesignaleerd, menselijke wezens die van rotsblok naar rotsblok sprongen. In het Duitse Kranen burg, pal achter Nijmegen, ving men in januari 1713 een wild en naakt meisje, op wie de traditionele wasbeurt geen effect had. Maar na een tijdje viel haar harde, bruine huid af en kreeg ze een nieuwe huid.

In feite had ieder land, op enig moment in de historie, de beschikking over z'n eigen authentieke wilde. Ierland was in het bezit van een schapenknaap, in Salz burg werd een zwijnenmeisje aangetrof fen dat eikels at en recentelijk werd in Amerika nog een jongetje in een kippe hok gevonden dat door eenden opge voed leek, althans in de loop van zijn jonge leven een snavel had ontwikkeld.

Vissenvrouw

Ook Nederland kende een exemplaar. Volgens het zeventiendeeeuwse werk Speculum Mundi van John Swan, spoelde in 1403 een vissenvrouw bij Edam over de dijk aan. Ze was volledig met zeewier en mos overdekt. Na haar landing leefde ze zeventien jaar in Haarlem en leerde er spinnen en andere huishoudelijke werk zaamheden verrichten. Het Nederlands werd ze evenwel nooit machtig, zodat we een geautoriseerde versie van haar verblijf in het water moeten ontberen.

Een van de meest karakteristieke eigen schappen van al deze zoologisch groot gebrachte stumperds was dat ze, in de weergave van de meestal religieus ge kleurde verslaggevers, een opmerkelijke en directe belangstelling voor het evan gelie etaleerden. Zo zou de Litouwse be renjongen op het eerste gehoor van Gods naam zijn handen en ogen in stomme aanbidding ten hemel hebben geheven, terwijl het Songimeisje ten slotte als non eindigde. Ook de Haarlemse vissenvrouw aanbad vurig het kruis en meer dan veer tig lokale kerkdienaars getuigden van haar authenticiteit.

Prooi

Dergelijke wilde kinderen waren vaak een mooie prooi voor de kerk, die, tuk op dramatische bekeringen, alles in het werk stelde om de plaatselijke wilde van zijn dierlijke geloofspapieren te voorzien. Zo ondersteunde de aartsbisschop van Winnipeg het verhaal van Ernest Thomp son Seton, dat een zekere Harry Service door een das zou zijn opgevoed.

Een beroemd geval in onze eeuw, waaro ver talloze psychologen en antropologen zich bogen, was dat van de bij de bavia nen opgegroeide Lukas uit ZuidAfrika. Lukas was het Afrikaanse wel degelijk machtig en hij vertelde dan ook in geuren en kleuren over zijn voormalige apenbe staan. Als zijn gehoor wat wegsufte, toonde hij het litteken van een struisvo gelbeet of at een cactus op, overtuigen de bewijzen van zijn wilde verleden.

Concurrent

In 1937 verscheen een concurrent op de markt, in de vorm van een andere bavia nenjongen, Ndola, maar die bleek bij na der inzien slechts te lijden aan een vorm van verwaarloosde verlamming. Ook voor Lukas ebde de belangstelling echter weg toen bleek dat hij op het moment dat hij tussen de bavianen zou zijn aange troffen, in werkelijkheid een gevangenis straf uitzat in Burghersdorp.

Gelukkig waren er altijd nieuwe gevallen voorhanden die ongelukkige fraudeurs deden vergeten. Zo werd in 1926 in India een jongetje uit een wolvenkolonie be vrijd. 's Nachts huilde hij blaffend, hij at gras, bewoog zich over de grond als een hond op zoek naar wormen en 'vertoon de instincten, nog lager dan die van zijn adoptiefouders'. Het geval haalde de New York Times en zette talloze pennen in beweging. Zo ook die van de schrijver Rudyard Kipling, die in zijn Jungle Book het relaas van het wolfsjong Mowgli, bekend van de padvinderij, had opge voerd. Volgens hem was het allemaal onverbiddelijk waar.

Religieuze training

Ook de kerk bemoeide zich er weer te genaan. Uit een vorig geval had men begrepen dat wolvenouders de religieu ze training van hun pupillen wel eens met een korreltje zout namen en vanuit mo reel oogpunt wellicht niet de juiste op voeders waren. Gelukkig sloot het ventje uit India vlak voor hij stierf zijn ogen en wees naar de hemel, een onmiskenbaar bewijs van devotie op het nippertje.

Liefhebbers van bewijsmateriaal komen in deze materie trouwens slecht aan hun trekken. Er is nooit een kind aangetrof fen, terwijl het werd opgevoed door wol ven of andere mensvriendelijke dieren. De verslaggeving rammelt in de diverse gevallen van alle kanten. Zo vertelde in 1941 een gezaghebbend medicus, dr. Ar nold Gesell, directeur van de YaleKliniek voor Kinderontwikkeling, dat hem een geval bekend was van een Indiase moe derwolf die een hindoebaby had geadop teerd. Het kind had zich volledig aange past, ook lichamelijk: haar rug was soepel geworden, 's nachts lichtten haar ogen op, haar hondentanden groeiden tot ze lang en puntig waren en bij warm weer transpireerde ze niet maar hijgde ze met haar tong uit haar mond.

Of het nog niet genoeg was had de moe derwolf later ook nog een tweede kind geadopteerd. In 1920 werd het beest doogeschoten en ontfermde dominee J. A. L. Singh, uit Midnapore, zich over de beide weesjes, waarvan er een overigens spoedig stierf. Gesell baseerde zijn ver haal goeddeels op het dagboek dat de eerwaarde over zijn adoptiefkroost had geschreven en dat in 1942 in druk ver scheen om lelijke twijfelaars de mond te snoeren.

Geen humor

Vijf betrouwbare figuren, drie hoogleraren, een rechter en een bisschop, worden in het voorwoord als getuigen opgeroepen. Van deze vijf beweerde echter alleen de bisschop dat hij het wolvenmeisje ook werkelijk had ontmoet. De wolvin had hij helaas niet leren kennen maar uit het gedrag van haar 'dochtertje' maakte hij op dat wolven geen gevoel voor humor hebben en slechts geinteresseerd zijn in rauw vlees.

Het dagboek van dominee Singh neemt de twijfels niet weg. Hij beschrijft hoe hij de kinderen vond in een mierenhoop in de buurt van wolven - maar dat bewijst niet dat ze erdoor opgvoed werden, ze kunnen er ook voor gevlucht zijn; het feit dat in die buurt door wetenschappers nooit wolven zijn aangetroffen, maakt zijn verhaal ook niet waarschijnlijker. Het meest ongeloofwaardige is echter de beschrijving van het latere wolvengedrag in de maatschappij. Het lijkt sprekend op de rol van wolven in stripverhalen en andere Trivialliteratur: in troepen voortrennend, op gezette tijden hun gehuil aanheffend, en met een vreemd licht in de ogen. De wens om er wolvenkinderen in te zien lijkt aanzienlijk groter dan de waarschijnlijkheid dat ze het ook echt waren.

Het eerste wetenschappelijk geobserveerd en begeleide experiment moet dus nog plaatsvinden. Wie last heeft van z'n kinderen weet wat hem te doen staat. Rob Schouten

Het bewijs: Belgie heeft nooit bestaan

In 1912 schreef Jules Destree, een Waals socialistisch parlementslid, een brief aan koning Albert met daarin de beroemde zin 'Sire, il n'y a pas de belges'. Sire, er zijn geen Belgen. Een compleet juiste waarneming; laten we de contekst van zijn brief maar vergeten, want dan zitten we meteen midden in de taalstrijd en hebben we het over een culturele kloof. We houden het op die simpele melding: er zijn geen Belgen, nu niet en ze zijn er ook nooit geweest. Onze taak is slechts om dat te bewijzen.

Dat bewijs kan eenvoudig gehaald wor den uit ons meest toegankelijke en aar dig complete bevolkingsregister: het te lefoonboek. En voor alle zekerheid uit het Genealogisch Repertorium, een stan daardwerk op sibbekundig gebied.

Toen Napoleon de registratie van burgers bij naam invoerde, kozen veel mensen voor hun gangbare roepnaam. Die was dikwijls door derden gekozen op basis van een uiterlijke bijzonderheid, toen of verderop in het voorgeslacht. Neem: Zwijnenberg, Mulder, Neijenhuis, De Boer, De Wolf, Troost, Blind, Bergkamp, Van 't Schip, Bos, Van Ede, De Kock, Roest, Bijl, Van Breukelen, Koeman, Van Mol, Van Oosten, Schellevis, Houtman, Van den Berg, Zoetebier, Van Loon, Pas toor, De Leeuw, Berghuis, Olyslager, Vre man, Van Kessel, De Wijs, Van Hoogda lem, Broeders, Hofman en uiteraard Van Wattum (?).

Kwam men van ver en was dat hoorbaar, dan werd men graag naar het land van herkomst genoemd. Die namen van toen bestaande landen zijn nu nog terug te vinden:

Engelander, Engelschman, Engels;

Schotman, Schot;

Van Ierland:

Waleson;

Deen;

Noor;

Van Zweden, Van Zweeden;

Pool, Polak;

Duyts, Duits, Duitscher;

Frank, Franschman, Van Vrankrijk;

Italiaander, Italianer, Van Itallie;

Spanjaard, Spanjer, Van Spanje;

Zwitser;

Oostenrijk, Van Oostenrijk;

Rus, Russchen, Rusland;

(buiten mededinging: Van Leth, De Leth, Littauer en Van Est);

Van Portugal;

Van Luxemburg;

Griek, Van Grieken;

Den Turk, Turk;

Amerika;

Surinamer, Zurnamer;

Oostindie.

Dit is niet eens een uitputtende opsom ming, maar ruim voldoende voor het doel van het onderzoek.

Heist op den Berg

Gelukkig voor Belgie kost het geen moei te om mensen te vinden die De Waal heten of Vlaming. Zoals je ook volop lui hebt met Van Brussel, Van Mechelen, Van Gent, Van Eupen, Van Luik, Van Aalst, Van Lier, Van Brugge, Van Antwerpen, Van Hasselt, Van Tienen, Van Geel, Van Balen, Van Lokeren, Van Damme, Van Bergen (ook wel gewoon Mons), Van Rijs sel, Van Tongeren, Van Namen, Van Doornik en een beetje Van Duinkerken. Hoewel weer geen Van Dinant, De Char leroi of De Bastogne dan wel Van Basten aken. Daar staat tegenover dat ook Jezus Eijk, Heist op den Berg en Zichem Zussen Bolder geen hier nog frequent voorko mende namen leveren. Plaatsnamen vol op, maar, er lag een heel gebied tussen ons en Frankrijk, alleen noemde niemand dat Belgie.

Maar wie sprak van Duitsland, toen? Men vindt wel Pruis, Van Bohemen, Van Beie ren, Van Saksen, Brandenburger en bij grondig speurwerk ook iets met Ams berg of LippeBisterfeld. Maar zoals hier boven reeds geduid, er valt toch wel iets als Duits, Duyts of Duytscher te vinden. Daar was blijkbaar wel iets meer loos dan in ons zuiden.

Wie naar iemand genaamd Van Belgie zoekt, desnoods De Belg of De la Belgi que, zoekt tevergeefs. Het was er niet en het is er later ook niet bij gekomen.

Lely

Dit bewijs kan nog kracht worden bijge zet met behulp van de thans gangbare namen: Van Groningen, Van Leeuwaar de, Van Assen, Zwolle, Van Arnhem, Van Utrecht, Van Amsterdam, Haag, Van Mid delburg, Van den Bosch, Van Maastricht. Al onze provinciehoofdsteden hadden wat dat betreft al voldoende te bieden toen Napoleon zijn administratie op orde begon te brengen. Sterker nog, zelfs onze twaalfde provincie, ver na de Twee de Wereldoorlog voorzien van een heuse hoofdstad, lepelt moeiteloos her en der een Lely op.

Behalve Belgie, sire. Belgie bestaat niet. Q. E. D.

Ruud Verdonck

In memoriam van Nijmegen naar Kleef

Voor de stad Nijmegen is 1991 een uitge sproken treurig jaar geworden. De spoor verbinding met het Duitse stadje Kleef werd namelijk op 2 juni opgeheven. Ui teraard gebeurde dit zonder 'Sang und Klang'. Op een begrafenis moet het so ber en ingetogen toegaan.

Als een nachtkaars ging uit wat op 8 augustus 1865 juist met veel vuur en enthousiasme was begonnen. Eindelijk had ook Nijmegen in dat jaar een spoor verbinding, niet met Arnhem en ook niet met het westen des lands, maar met het Duitse achterland en daardoor met het net van de Pruisische Spoorwegmaat schappij.

De voorgeschiedenis is gauw verteld. In 1860 namen de Nijmegenaren zelf het initiatief om een spoorlijn te bouwen. Op 17 september 1863 werd de Nijmeeg sche Spoorwegmaatschappij opgericht, een N. V. met een aandelenkapitaal van 700 000 gulden, verdeeld over 1 400 aandelen van elk 500 gulden. Met dit kapitaal zou onder meer de aanleg van de spoorlijn tot de grens bij Kranenburg ge financierd worden. Voor het resterende traject tot Kleef zou de Rheinische Eisen bahn Gesellschaft zorgdragen. Aldus ge schiedde. Het station kwam op de plaats te staan waar later het concertgebouw De Vereeniging werd gebouwd. Vanaf het station voerde een lijntje naar de kade van de Waal. Op 8 augustus 1865 reed de feesttrein in vijftig minuten van Nijmegen naar Kleef. Sommige bronnen zeggen, dat deze trein door de locomo tief 'Germania' werd getrokken, anderen spreken over 'Pluto'.

Keuze

Leek de verbinding NijmegenDuitsland aanvankelijk een geduchte concurrent voor ArnhemEmmerik en VenloKalden kirchen te zijn, later moest zij genoegen nemen met een eervolle derde plaats. Inmiddels was het isolement van Nijme gen in westelijke richting opgeheven en bestond er een directe verbinding met Amsterdam en Amersfoort. Tussen 1920 en 1940 was het dagelijks mogelijk om uit twee treinen tussen Nijmegen en Keu len te kiezen. Daarnaast waren er nog de ritjes naar Kleef en weer terug.

Wat NijmegenKleefKrefeldKeulen voorhad op de verbinding met Duitsland via Emmerik was, dat het toentertijd zwarte Ruhrgebied met zijn honderden schoorstenen voor een belangrijk deel omzeild werd. Dat was de reden dat ko ningin Wilhelmina de route via Nijmegen verkoos, wanneer zij naar het zuiden reis de. Ik heb hierboven de historische gege vens globaal samengevat. In alle uitvoe righeid zijn die te lezen in het december nummer 1990 van het blad 'Railkroniek' uit Rosmalen. Tegen beter weten in hoopte de redactie van 'Railkroniek' dat het lijntje behouden bleef.

Enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog was NijmegenKleef deel van het Dtrein net van de Deutsche Bundesbahn. Tijdens de jaren zeventig reden er nog tien per sonentreinen op een dag tussen Nijme gen en Kleef. Daarna kwam de klad erin. De AustriaExpres koos op haar weg naar Graz weliswaar nog de route via Nijme gen, maar in de zomer van 1987 was het feest voorbij en ging Venlo (en later Arn hem) met de winst strijken. Er kwam een dagtrein AmsterdamKeulen voor in de plaats, maar met ingang van 29 mei 1988 verviel ook die en werd Kleef eindstation voor de sneltrein vanuit Keulen.

Optimistisch

In het Duitse weekblad 'Der Spiegel' van 29 april 1991 vertelde Heinz Durr, presi dent van de Deutsche Bundesbahn, dat de beheerraad van de DB juist die week had besloten een traject stil te leggen. Per trein waren op dat bewuste traject niet meer dan zeven passagiers gesigna leerd. Mij dunkt, wanneer de heer Durr het over de lijn NijmegenKleef had, dan is de telling nog aan de optimistische kant. Waar in de negentiende eeuw lan ge exprestreinen twee sporen tot hun beschikking hadden, sukkelde in 1990 een miserabel locomotiefje op het enkele spoor met welgeteld een wagon. Verde re reductie was niet meer mogelijk. Loco motieven met passagiersaccomodatie zijn mij tenminste onbekend. Het doek moest dus wel vallen voor het lijntje door de prachtige bossen achter Nijmegen.

Nabij het Valkhof in Nijmegen bevindt zich een monument dat werd opgericht ter gelegenheid van het twintigjarig be staan van de lijn naar Kleef. Op het fraaie monument is de spreuk te lezen 'Een dracht maakt Macht'. Wat de trein be treft, is het een volstrekt nutteloos mo nument geworden, zoiets als Lenin in Berlijn. Voor de blik op het nabije Duits land kon het nog wel eens profetische waarde krijgen.

Hans Ester

Sibylle

Leverancier en afnemer D. O. Wijnands te Wageningen, zond ons een belang wekkende aanvulling op zijn 'Oh, Sibylle, waarom toch Sybille?' in ons O. O. derde jaargang nr 20.

Hij schafte zich een dezer dagen de CD 'Cant de la Sibil.la' aan, die "nog enige interessante varianten biedt. Let op de '.', waarvan de betekenis mij een raadsel is. Het tekstboekje geeft in de Franse tekst Sibylle, Catalaans Sibil.la, Duits Si bylle, Engels Sibyl, Castiliaans Sibila. Heerlijk toch!"

Voor de liefhebbers, het gaat hier over een schijfje dat in de winkel te bekomen is onder vermelding van Astree E 8705, 1988.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden