Zo sterven de dwaze monniken

Essayist Willem Jan Otten beschouwt in de weken naar Pasen vijf 'onvergeeflijke films'. Vandaag:

Er is sinds 9/11 een slagregen van terroristenfilms en -televisieseries uitgestort over de westerse wereld. Sinds IS is daar een compleet nieuw genre aan toegevoegd: dat van de Zeer Korte Kopjekleinermaakfilms op YouTube. Hoogtepunt hiervan is de opname van 21 Kopten, op een Libisch strand in de rij naar hun executie. Ik ken niemand die niet onder de indruk was van de retorische kracht van het Koptenfilmpje.

Het is duidelijk: Hollywood heeft geen patent op angstaanjaagcinema, en in symbolisch rendement lijken de jihadisten de Amerikanen voorbijgestreefd te zijn. De pornografische beeldschande van Abu Ghraib, van seksueel vernederde soennieten, wordt uitgewist met een gekooide brandende piloot en in oranje verkeershesjes gestoken christenen. Vernedering wordt uitgedreven met horror en, vergissen wij ons niet: angst aanjagen is een kunst; de taal van de haat is een kwestie van symbolen. En om symbolen te laten werken, moet je de toeschouwer begrijpen. Het is, zoals dat in Hollywood heet, handling the public. De jihadistencinema dankt zijn fenomenale succes aan een grondige peiling van het bange westerse hart. Het jihadistendom begrijpt onze symboolpaniek veel beter dan wij die van hen. Een rijtje geketende christenen! 300 km van Rome!

Ook de twaalfvoudige moord op de redactie van Charlie Hebdo was war on symbols in volle werking - juist omdat er van deze actie geen beeld is gemaakt door de strijders zelf. Jihadisten, zoveel is duidelijk, zijn in de greep van een symboolwoede - en de makers van symbolen, de tekenaars, cartoonisten, zijn kennelijk de satans binnen de grote satan. We moeten teruggaan naar onze eigen Gouden Eeuw en de Beeldenstorm om een dergelijk staaltje doelgerichte symbolocide te vinden. Toen ging het om de afgoderij der papen, maar er was sprake van eenzelfde haat tegen alles wat symbool was, dat was de antichrist zelve. De slooppartijen in kerken moeten de allure gehad hebben van een orgie, van een uitdrijving. Iets daarvan was ook te zien op de (wel door IS zelf verspreide) beelden van het kapotslaan van vérvoorchristelijke beelden in het museum van Mosul. Het ging daar beslist niet alleen om wát er kapot werd geslagen, als wel om de verspreiding van het beeld dát er kapot werd geslagen: een symbolisch beeld van symboolvernietiging. Dat is het paradoxale van de war on symbols. Symbolen worden vernietigd met symbolen. Er is geen krachtiger beeld dan een beeldloze moskee vol buigende mannenruggen. Beeldenstormen leveren beelden van beeldenstormen op. Beëlzebub wordt verdreven met de duivel.

Vijf jaar geleden verscheen er een film over een gemeenschap van acht monniken in het Algerijnse Atlasgebergte waarvan alle leden, op één na, zijn vermoord door islamitische fundamentalisten. Helemaal zeker is de toedracht niet - de monniken zijn, na een lange periode van bedreigingen en intimidaties, op een nacht afgevoerd - en ook het Algerijnse bewind had motieven om van de kloosterlingen af te willen: de arts van het klooster lapte gewonden van de islamitische beweging op.

Deze uitroeiing van het Atlasklooster - dat al 56 jaar in Algerije gevestigd was, en verweven met de plaatselijke bevolking - greep plaats in 1996. De film heet 'Des hommes et des dieux'. Het verhaal speelt zich dus af vóór 9/11 - maar het bevat veel elementen van sindsdien. Het kelen als schapen van westerlingen, het berechten als hoeren van leraressen zonder hoofddoekjes, het beroep op de sharia. En: de afhankelijkheid van de kennis van westerlingen, in dit geval: van de arts van het klooster.

Toch waren het beslist ook andere tijden. Er is, althans in de film, onder de islamisten niet speciaal sprake van anti-amerikanisme. En uit een indrukwekkende scène blijkt ook geen doelgerichte christenhaat. De abt van het klooster, Christian, was een aanhanger van de gedachte dat christendom en islam in de grond een mystieke overeenkomst hebben. Hij beoefende met overgave, met grondig theologisch vernuft en vooral met wijsheid en tact, dat wat toen 'interreligieuze dialoog' heette. Een raakpunt tussen beide religies vond hij in de praktijk van de (islamitische) soefi's. Van deze spirituele dialoog was het Atlasklooster, hoe schaars bemand ook, het intellectueel middelpunt - en het is, gedurende de twintig jaar na de slachting, een bedevaartsoord geworden.

Het klooster was dus in genen dele een missiepost, alle 56 jaren van zijn bestaan niet. Leven in navolging van Christus in een niet-christelijke omgeving, dat was het doel: op de wijze van Jezus het leven delen, in armoede, van armen, in vrijwillige ontlediging, van vernederden. Ergens in de film is er sprake van de 'oproep om de zwakheid van anderen te aanvaarden en te dragen'. Vreemde noties in onze neoliberale krachtcultuur, waar ons juist

opgedragen wordt om zélf ons eigen werk te zijn. Zulke zwakheidsterminologie gebruikte ook pater Frans van der Lugt, als hij zijn levenslange leven tussen de inwoners van Homs (Syrië) moest beschrijven. Ook hij is gestorven, een jaar geleden, omdat hij het leven deelde, en zich niet meer los kon denken van de mensen tussen wie hij leefde.

Abt Christian verdiepte zich in de Koran zoals hij zich in de Bijbel verdiepte, overtuigd als hij ervan was dat er achter beide een en dezelfde god verscholen ging, en dat de geduldige gezamenlijke poging om tot die god te naderen, de haat en de angst voor elkaar zou opheffen.

De film begint op een Kerstavond, wanneer Fayattia, leider van de plaatselijke islamisten, met geweld het klooster wil binnendringen om de dokter te dwingen mee te gaan: een van hen is gewond geraakt. We hebben even tevoren gezien waartoe Fayattia en de zijnen in staat zijn - tot het kelen van niet-islamieten. De scène waarin Christian, door het citeren van een koranvers, vervolgens het respect van Fayattia afdwingt, is indrukwekkend. Christian zegt het vers in het Frans: "Onder hen die de islam het vriendelijkst bejegenen zijn mensen die zich christenen noemen; onder hen zijn priesters en monniken..." - Fayattia maakt de zin af, in het Arabisch: "...die nederig zijn."

Christian kan, doordat hij zich verdiept heeft in de andere religie, een beroep doen op wat de ander gelooft. Hij ontbindt zo de agressie. Er is grote moed vereist om te opereren in dit vertrouwen; regisseur Beauvois filmt hier welbeschouwd een soort moed der wanhoop. Het geciteerde koranvers is een zwakke, zachte tekst, de Profeet op zijn vergevingsgezindst. Wonderlijkerwijze vertrouwt Christian op de geloofsijver van zijn belager: als die een goede islamiet is, dan kent hij de tekst uit zijn hoofd. (Je krijgt van Syriëgangers de indruk dat het met hun korankennis en geloofsijver droevig gesteld is - zou Christian deze ontbinding van de haat bij hen voor elkaar gekregen hebben?)

De gewapende mannen verdwijnen, maar niet dan nadat Christian hun verteld heeft dat het Kerstmis is, het feest van de 'Prins van de vrede', Sidna Isa. Fayattia weet wie hij bedoelt: Jezus. Ook dat is een bloedstollend moment - waarom, denk je, begint Christian hier nu over? Laat die gewapende ellendelingen toch zo snel mogelijk afdruipen, nu, daag ze niet uit. Maar Christian lijkt begrepen te hebben dat Fayattia werkelijk een gelovige is - en dat houdt in dat hij zijn, Christians, geloof zou kunnen erkennen. Met ontzag. Althans - daar vertrouwt Christian op. Zijn idee van dialoog houdt immers in dat je de verschillen niet verdonkeremaant. Christian brengt Kerstmis niet ter sprake uit bekeringsijver, maar om te laten weten dat de verstandhouding tussen hem en Fayattia alleen iets betekent als begrepen wordt dat de verschillen fundamenteel zijn.

Als Fayattia dan excusez-moi zegt, bewijst dit Christians gelijk. De hand die ze elkaar geven heeft een enorme lading. Achter de spanning tussen christenen en islamieten is een overeenkomstige kracht werkzaam. En op deze schijnbaar onmogelijke herkenning moeten we vertrouwen. Dat is Christians geloof. Zijn weg. Waar hij voor zal sterven, samen met zes van zijn kloostergenoten.

Meteen na het vertrek van Fayattia en de zijnen snijdt de film naar de viering van het Kerstfeest, dat wil zeggen: naar acht oudere mannen in witte pijen die zorgvuldig zingend in hun kleine kapel de abdijliturgie van hun cisterciënzer orde betrachten. Een van hen - de jongste monnik, tijdens de confrontatie met het geweld de allerbangste - legt een handpalmklein beeldje in de kerststal naast het altaar. Je hoort dat '... en niets bestaat buiten het kind' gezongen wordt. Close-up van de kerststal.

Wat is dit voor poppenkast? Want dat is het, letterlijk. We zien acht mannen variërend van ongeveer vijftig jaar tot ouder dan tachtig spelen met een poppetje, terwijl ze enkele minuten tevoren oog in oog stonden met een overmacht van bloeddoorlopen mannen die normaal gesproken hun moordenaars hadden kunnen zijn en die, dat weet iedere toeschouwer, dat uiteindelijk ook zullen zijn. De angst giert door hun lijf, en toch volvoeren ze met de grootst mogelijke, om niet te zeggen: kinderlijke ernst, hun poppenkastachtig ritueel.

Dit ritueel heet: liturgie, en die is het eigenlijke onderwerp van deze film. Christian en zijn monniken leven vanuit de liturgie - vanuit het stelsel van gebeden, psalmen, gezangen en rituele offerhandelingen die tezamen de eucharistie genoemd worden. Zij doen dit in navolging van Jezus - die op al even rituele wijze, met een symbolisch avondmaal, zijn volgelingen het offer heeft voorgeleefd dat hij vervolgens ook daadwerkelijk heeft geplengd.

De liturgie is voor deze mannen wat dijken en kribben zijn voor een rivier. De dag begint en eindigt ermee. Overdag zijn er nog vijf korte diensten. Waar ze ook mee bezig zijn - op het land, in de honingmakerij, in de leeszaal, in de dokterspraktijk, in de ruimte waar analfabete mensen hulp krijgen bij het schrijven van brieven aan geëmigreerde familieleden - als de klok van de dienst luidt, onderbreken ze hun arbeid, desnoods midden in de geniaalste bijzin, en benen ze op een holletje, zich in hun gewaden wurmend, naar de kapel. Daar zullen gebeden (meest psalmen) gezongen worden waarvan de volgorde al sinds meer dan duizend jaar vastligt. Die teksten zijn veelal duizenden jaren geleden geschreven, door Joden die aldus onder dreigende, benarde omstandigheden, al even overstoorbaar, in hun provisorische, clandestiene heiligdommen, hun verstandhouding met God onderhielden.

Wat betekent dit voegen van je leven naar een liturgische orde gebaseerd op teksten die God aanroepen, danken, beminnen, aanklagen, dagen, en soms zelfs verfoeien? Concreet betekent het tegen het einde van de film dat, als duidelijk is dat alle broeders, elk voor zich, in alle gewetensvrijheid, besloten hebben om in het klooster en in de dorpsgemeenschap te blijven; dat zij, schijnbaar onverstoorbaar, aan hun liturgische praktijk vasthouden. Als er een zwaarbewapende legerhelikopter boven het klooster komt hangen - het leger is nu minstens zo intimiderend als de rebellen - zijn de monniken verwikkeld in hun ritueel, zingend: Al zei ik: 'Laat het duister mij opslokken, het licht om mij heen veranderen in nacht,' ook dan zou de nacht oplichten als de dag. Zinnen uit Psalm 139, misschien wel de tekst waaruit het diepste, kinderlijkste vertrouwen in God spreekt.

Het is krankzinnig, de doodsangst is in de bioscoop te ruiken. Toch is er deze onverstoorbare, onaantastbare vorm, die op dát moment overal ter wereld in kloosters volbracht, of wat is het woord: voltrokken wordt. En zelfs al is op een dag het laatste klooster uitgestorven, dan nog heeft op dit ene moment elk jaar weer deze psalm geklonken, zoals hij tot in eeuwigheid ook in het Atlasklooster blijft klinken, op het vastgestelde liturgische uur, ook al zijn alle monniken nog zo afgemaakt.

'Des hommes et des dieux' vertelt het aangrijpende verhaal van trouw, liefde en moed; hij laat zien dat moed niet zonder angst en vertwijfeling kan; de film is zeker een verbeelding van een 'nacht van het geloof'. Het is ook het verhaal over vrijheid. We volgen acht mensen die elk afzonderlijk als enige de beslissing nemen om niet te vluchten. "Hier sterven is net zo dwaas als monnik worden", zegt Christian tegen de bangste (en misschien wel begrijpelijkste, 'navolgbaarste') monnik, die gezegd heeft: "Ik ben hier niet gekomen om collectief zelfmoord te plegen."

Al deze verhalen zijn de film, maar hij is ook nog, en boven alles, een film over mensen die liturgisch leven - dat wil zeggen: in het volle besef dat zij zelf symbolen zijn, ieder mens een beeld van God. Dit besef, dat niet een theorie is, maar een gedachte die waar wordt door hem in de praktijk te brengen, wordt misschien wel het helderst gedramatiseerd in de scène waarin Christian in een loods een lijk moet identificeren. Het blijkt dat van Fayattia te zijn - dezelfde die op de Kerstnacht excusez-moi heeft gezegd. De legercommandant die Christian naar de dode brengt, vertelt hoe verschrikkelijk Fayattia heeft huisgehouden, vooral als folteraar.

De scène heeft alle trekken van een beproeving. Christian zou, om zijn hachje te redden, het bij een korte reactie moeten laten: ja, dit is Fayattia. Maar hij vervalt, zichtbaar aangedaan, in gebed. Beloerd door de commandant - die hier het bewijs ziet van collaboratie.

Wat Christian bidt, horen we niet. Er spreekt ongetwijfeld een liturgische tekst door hem heen, een kaddisj-formulering zoals die in de christelijke dodendienstteksten zijn blijven hangen. En we herinneren ons de kerstscène in het begin van de film, toen Christian de korantekst over de nederige monniken 'door zich heen liet spreken'.

We herinneren ons Fayattia - hoe hij het koranvers afmaakte in het Arabisch, en Christian de hand gaf. Liturgische mannen, misschien is het gewettigd hen zo te noemen: precies dat wat hen zo gewelddadig scheidde, bond hen.

Ze hebben gelijk, de YouTube-jihadisten: mensen zijn symbolen. Wat ze nu nog moeten begrijpen is dat ze onverwoestbaar zijn. Kinderen van God. Er komt geen einde aan symbolen, zelfs niet als je ze slacht, in beeld.

undefined

Onvergeeflijke films op weg naar Pasen

Dichter en essayist Willem Jan Otten selecteert voor Trouw en het debatcentrum De Balie vijf 'onvergeeflijke films'. Tot aan Pasen publiceert hij in Letter& Geest om de week een essay over een film die de dinsdag erna te zien is in De Balie. Daar bespreekt Otten de film na.

Op 17 maart (20 u) is de vierde aflevering: 'Des hommes et des dieux' (2010). Otten gaat na de vertoning in gesprek met terreurspecialiste en historica Beatrice de Graaf. Ze is op 18 maart kandidaat-senator voor de ChristenUnie.

De Balie, Kleine-Gartmanplantsoen 10, Amsterdam. Tel. 020-5535100. Trouwlezers betalen geen euro10 per film, maar euro7,50, op vertoon van deze bon. Bestelinfo: www.trouw.nl/exclusief. Voorkom teleurstelling en reserveer kaarten!

31/3 The Tree of Life (2011, Terrence Malick)

Voor zijn beschouwend proza ontving Willem Jan Otten (1951) in 2014 de PC Hooftprijs. Zijn toneelstuk 'Een sneeuw' is van 17-22 maart te zien in het De La Martheater in Amsterdam.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden