Zo slecht heeft de kunstsector het niet

Week in week uit schamperden de toneelgezelschappen op de voorpagina's van de landelijke kranten tegen het kunstbeleid van staatssecretaris Van der Laan van cultuur. Ze bezuinigt op kunst: schande. Die heilige verontwaardiging is onterecht. Kunstenaars moeten hun subsidie verdienen.

Er mag dan vanaf volgend jaar bezuinigd worden op kunst, toneelgezelschappen als De Appel, Orkater, Stella Den Haag en CaDance kochten de afgelopen weken vrijwel dagelijks advertentieruimte in kranten voor zo'n 3000 euro per keer om de lezers uit te leggen dat bezuinigen op kunst grote gevolgen zal hebben.

Den Haag 'moddert, rommelt, stamelt, kort, verdort en verstijft'. En als het aan de politiek ligt, is het theater straks verdwenen. Ook de strijdkreet waarmee actiegroep Zuinig op Kunst onlangs opriep tot een demonstratie mag er zijn: 'Een land zonder verbeelding is als een lichaam zonder ziel'. Nogal zware, pathetische reacties op een bezuiniging die uiteindelijk maar een paar miljoen euro behelst.

Wie de kunstwereld volgt, kijkt er niet van op. Want zo gaat het elke vier jaar: zodra de Cultuurnota, waarin het rijk uiteenzet welke kunstenaars en kunstinstellingen de komende vier jaar subsidie krijgen, uitgebracht is, volgt er kritiek. Die kritiek komt altijd op hetzelfde neer: er is te weinig geld en het ontbreekt de politici aan begrip voor en betrokkenheid bij kunst. De kunst is weerloos overgelaten aan bureaucraten, die hun departementale begroting sluitend willen hebben.

Deze verongelijkte toon is kenmerkend voor het protest in de kunstwereld. Geen enkele kunstenaar, acteur of musicus vraagt zich openlijk af of hij misschien tekort is geschoten. En geen enkele kunstinstelling bedenkt dat het misschien wel reëel is te bezuinigen in een tijd dat er over de hele linie bezuinigd wordt.

Gaat het werkelijk zo slecht met de kunst in Nederland? De feiten laten een gecompliceerd beeld zien. Het klopt dat Nederland niet veel geld uitgeeft aan kunst. De norm van de Europese Unie is dat een land 1 procent van de begroting uitgeeft aan cultuur. Nederland besteedt maar 0,7 procent. Frankrijk zit boven de 1 procent.

Maar kwalitatief gezien gaat het goed met de Nederlandse kunst. Buitenlanders komen massaal voor de Nederlandse musea naar ons land. Er klinkt kritiek dat Nederlandse musea geen toonaangevende tentoonstellingen meer hebben. Maar is dat een kwestie van geld? En moet dat dan altijd subsidie zijn? De Nederlandse architectuur is internationaal absoluut toonaangevend, de Nederlandse theater- en dansgezelschappen spelen internationaal op het hoogste niveau en de Nederlandse muziekwereld is rijker en diverser dan die van wereldsteden als New York en Londen. Het Concertgebouw in Amsterdam is de best bezochte zaal van de wereld. En de prijzen zijn er naar verhouding laag. De duurste kaartjes voor een Nederlandse productie vind je bij De Nederlandse Opera. De beste plaatsen bij een première kosten daar 85 euro, een prijs waar ze in het buitenland om lachen. Er worden zelfs elke voorstelling een paar plaatsen voor vijftien euro verkocht om de opera voor iedereen bereikbaar te houden. Voor de goede orde: de werkelijke kosten van een opera bedragen gemiddeld 240 euro per bezoeker. Het verschil tussen de 15 tot 85 euro, die de bezoeker betaalt, en de werkelijke kosten van 240 euro, worden met subsidies betaald. Veel geld tel je neer voor de buitenlandse orkesten en sterren, die het Concertgebouw aandoen. Maar de 100 à 200 euro die je dan moet betalen, vallen in het niet bij bijvoorbeeld de 700 à 1200 euro die een kaartje voor 'La Traviata' in het theater La Fenice in Venetië kost.

Nog een teken dat het goed gaat : de Raad voor Cultuur krijgt elke vier jaar meer aanvragen voor subsidie. Eind jaren tachtig vroegen 170 instellingen om geld, in 2004 zijn dat er 833. Daarvan komen er 433 in aanmerking voor een deel van de 392 miljoen euro van de Cultuurnota. Veel afvallers waren volgens de Raad interessant en goed genoeg om ook voor subsidie in aanmerking te komen, maar het geld was helaas op. Er is dus geen sprake van een creatieve of kunstzinnige noodsituatie, ondanks alle wanhopige en boze noodkreten die Den Haag de afgelopen jaren uit de kunstsector te horen kreeg. Integendeel, steeds meer mensen zien er brood in. Kan zo'n sector niet met een paar miljoen euro minder?

Dit kabinet is het eerste in tijden dat bezuinigt op cultuur, al moet gezegd dat gemeenten al langere tijd geld op cultuur inhouden. Maar dat raakt vooral de amateurkunst en daar gaat het protest niet over. Het wordt staatssecretaris Van der Laan (D66) aangerekend dat ze heeft getekend voor een regeerakkoord waarin die bezuiniging vaststond. Voor veel kunstinstellingen heeft ze daarmee afgedaan. Maar ze heeft behoorlijk wat goeds kunnen doen . Van de bezuiniging van dertig miljoen euro, waar in eerste instantie sprake van was, bleef door creatief boekhouden op het departement nog 19 miljoen over. Door een deel zelf op het departement op te vangen, resteerde een bezuiniging op de cultuurnota (waar de kunstenaars direct mee te maken hebben) van veertien miljoen. Dat wordt ruim vijf miljoen minder nu de Tweede Kamer tien miljoen extra voor cultuur heeft geregeld. Binnen die cultuurnota legt Van der Laan een groot deel van de bezuinigingen bij de ondersteunende instellingen, zoals het Theaterinstituut, het Nationaal Popinstituut en Muziekgroep Nederland. Dat is pijnlijk voor die clubs, maar de kunst zelf wordt zoveel mogelijk gespaard. De Federatie van kunstenaarsverenigingen is een van de weinige organisaties die erkent dat de cultuurnota van Van der Laan ook goed nieuws bevat en oproept het debat met haar niet alleen over subsidies te voeren.

Van der Laan bereikte nog meer. Tegenover de bezuiniging staat een hoger bedrag dat Van der Laan besteedt aan Cultuur op School, dat kinderen -de volgende generatie kunstenaars én publiek- in aanraking moet brengen met kunst. Ook heeft Van der Laan geregeld dat in de WW-regeling rekening wordt gehouden met de seizoensarbeid van kunstenaars, met name dansers en acteurs. Zij hoeven, anders dan andere werknemers, niet een aaneengesloten periode werk te hebben om voor WW in aanmerking te komen. Dat is een winst van meer dan tien miljoen voor de kunstsector, al lijkt het niet zo spectaculair.

De financiële positie van kunstenaars is zorgelijk. Sinds de afschaffing van de BKR leven veel kunstenaars op nauwelijks meer dan de bijstand. Acteurs en dansers gaan van tijdelijke baan naar tijdelijke baan, kamermusici scharrelen hun kostje bij elkaar met lesgeven. Maar kunstenaar zijn is een keuze. Dat geeft nog geen recht op subsidie. De overheid bepaalt zelf wat de moeite waard is om te subsidiëren.

Subsidie is geen vrijblijvende gift. Ze vraagt om een tegenprestatie en de gever bepaalt wat die inhoudt. Dat betekent niet dat de overheid voorschrijft wat voor kunst er moet komen. Sinds Thorbecke is geregeld dat de overheid zich niet met de inhoud van de kunst bemoeit en evenmin de kwaliteit beoordeelt. De laatste jaren bewaken politici dit Thorbecke-principe scherper dan ooit. Maar het is wel reëel dat politici van kunstenaars verwachten dat ze in ruil voor subsidie een bepaalde maatschappelijke functie vervullen.

Welke functie de kunst kan hebben, verschilt per periode en is afhankelijk van de tijdgeest. Aan het begin van de twintigste eeuw, toen de overheid voor het eerst kunstsubsidies invoerde, was de gedachte dat het ondergaan van schoonheid voor verheffing van het volk zou zorgen. Daarom was kunst op zichzelf de moeite waard om te subsidiëren. In de jaren zestig werd kunst meer en meer een instrument om het welzijn van burgers te verhogen: kunst als opbouwwerk. Kunst werd cultuur, zodat ook de bibliotheken en de macraméclubjes eronder vielen. Als reactie op deze verwatering van het begrip kunst kwam begin jaren tachtig de nadruk weer te liggen op topkunst. Kwaliteit werd het criterium. Sinds een jaar of tien zijn de bezoekers een belangrijke factor. Het consumeren van kunst door de burgers is nu de legitimatie voor subsidiëring. Kunstinstellingen hebben dat goed in de gaten. Na een periode van protest tegen deze eis van de overheid, komen steeds meer musea, orkesten en theatergroepen met toegankelijke jeugdprogramma's, combinaties met etentjes en praatjes vooraf door de dirigent of regisseur, ruimere openingstijden, enzovoorts. De scheiding tussen hoge en lage kunst verdwijnt doordat de drempels worden weggenomen. Dat is mooi, want het brengt meer mensen in contact met cultuur, maar het gevaar is dat kunst weinig meer om het lijf gaat hebben dan gemakkelijk vermaak. Er zijn nu wel erg veel leuke dingen voor de mensen.

Kunstenaars en kunstinstellingen zouden de uitdaging aan kunnen gaan om een nieuwe legitimering voor subsidies te vinden. In deze woelige tijden is een reactie op de maatschappelijke onrust op zijn plaats. Want kunst kan reflectie bieden, gevoel oproepen, troosten, begrip kweken, identiteit bepalen. Maar het aantal kunstenaars dat zich mengt in het huidige (multi)culturele debat is op de vingers van een hand te tellen. Zelfs in de wereld van de documentairemakers is navelstaren de norm en engagement de uitzondering. Dat bracht IDFA-directeur Ally Derks zaterdag in het Parool tot de verzuchting: 'Documentairemakers moeten uitleggen wat er in de wereld gebeurt. Stof genoeg, zou ik denken. (...) Wanneer komt de eerste Nederlandse film over Srebrenica?' Maar de Nederlandse kunstwereld beperkt zich momenteel tot aanvallen op de staatssecretaris van cultuur.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden