Zó kan ons nationaal museum eruitzien

Een nationaal museum kan jong en oud betrekken bij de Nederlandse geschiedenis. Maar we moeten dan niet te ver teruggaan in de tijd. In Bonn weten ze hoe het moet.

Een beetje een zotte vertoning was het wel. Een heel contingent Nederlandse historici toog onlangs naar het befaamde Haus der Geschichte in Bonn. En daarna gingen ze met elkaar niet discussiëren over wat ze zojuist hadden gezien, maar over een Nederlands Historisch Museum volgens een geheel ander concept. In Bonn zagen de historici een prachtig, levendig museum over de geschiedenis van de laatste zestig jaar. Het begint in 1945 en behandelt vervolgens de geschiedenis van de BRD (1949 tot nu) en de DDR (1949-1990).

Het gaat hier om 'beleefde geschiedenis'. Voor ouderen is het een feest der herkenning door allerlei vergeten dingen die ze ineens terugzien. Voor jongeren gaat het begin van de tentoonstelling over een verre, vreemde wereld, maar er komt een moment waarop ineens ook 'hun' geschiedenis begint.

Het Haus der Geschichte is vooral goed in de combinatie van politiek en Alltagsgeschichte: een visuele, concrete vorm van sociaal-economische geschiedenis. De Mercedes van bondskanselier Konrad Adenauer uit de jaren vijftig is een prachtig voorbeeld. Enerzijds gaat het hier over een mooie oude auto: leuk voor kinderen (en kinderlijke mannen), maar ook een voorwerp van een voorbij tijdperk. Tegelijk is het een symbool van politieke macht en van de wederopbouw.

Helaas spraken de Nederlandse historici vervolgens niet meer over dit concept, maar over een Nederlands Historisch Museum dat wel tweeduizend jaar zou moeten beslaan. Waren we daarvoor helemaal naar Bonn getogen? Jan Marijnissen, de grote pleitbezorger voor een nationaal historisch museum, had het Haus der Geschichte wel vaak genoemd, maar eigenlijk vooral omdat het een initiatief was van de conservatieve bondskanselier Helmut Kohl, terwijl het museum toch geen partijdig geval was geworden, maar op brede instemming kon rekenen.

Het is niet moeilijk om een voorspelling te doen: een Nederlands Historisch Museum dat twee millennia geschiedenis beslaat komt er voorlopig niet. Daarvoor is de animo bij vertegenwoordigers van nationale historische centra als het Nationaal Archief en het Rijksmuseum te gering. En die musea zijn er al lang. Het Amsterdams Historisch Museum behandelt de geschiedenis van de hoofdstad en Museum Het Catharijneconvent in Utrecht vertelt het lange verhaal van de religiegeschiedenis. En het Rijksmuseum betoogt niet ten onrechte dat het al het nationale historische museum is.

Maar zou het niet verstandig zijn om het voorbeeld in Bonn inhoudelijk en conceptueel wel serieus te nemen? Globaal kun je twee vormen van 'geschiedenis' onderscheiden. Enerzijds heb je daar het lange, vertelde verhaal van de nationale geschiedenis, dat ons bijgebracht kan worden als een gezamenlijk verhaal dat we allen moeten kennen. Dat is de vorm van geschiedenis waar de laatste maanden veel nadruk op wordt gelegd. Sommigen willen er zelfs een Nederlandse identiteit aan ontlenen of zijn er 'trots' op.

In een wat beschaafdere vorm gaat het om geschiedenis als traditie of erfgoed. Daar gaat het primair om de voortbrengselen van de hoge cultuur, de schilderkunst voorop, elementen uit de geschiedenis die het waard zijn om bewaard te worden. Anderzijds heb je ook geschiedenis als het verhaal van de ontwikkelingen, de breuken en de mislukkingen, van alle menselijk handelen dat geleid heeft tot het punt waarop we vandaag de dag zijn aangekomen. Dat is de 'gewone' geschiedenis, die in de geschiedbeoefening als kritische wetenschap centraal staat. Dat is de vorm van geschiedenis waar een Nationaal Historisch Museum van uit zou moeten gaan. En dan begin je bij de vraag hoever je vanuit het heden terug wilt gaan.

De discussie moet niet langer gaan over de vraag of er wel een Nationaal Historisch Museum moet komen, maar over de inhoud en het concept van zo'n museum. Er zou een kritisch, vragenoproepend museum moeten komen dat de vraag behandelt waar wij vandaan komen. Geschiedenis gaat niet over onszelf, maar over onze voorouders: de mensen die ons voorafgingen. En daarom moet de vraag bij het heden aanvangen: hoe zijn we terechtgekomen waar we zijn?

Mijn voorkeur gaat uit naar een museum dat niet al te ver teruggaat in de tijd. Je bereikt het meest door bij de belevingswereld van mensen aan te sluiten. Bovendien kun je aan de hand van de laatste zestig jaar heel goed laten zien hoe veranderlijk de geschiedenis is. Het Nederland van nu heeft heel weinig gemeen met dat van 1950. Door zo'n immense verandering tijdens de levensjaren van enkele generaties te laten zien, breng je heel wat meer historisch besef over dan door te doen alsof 'wij' in de Gouden Eeuw al net zo 'tolerant' waren als nu.

Als Nederlandse historici tegenwoordig historische overzichtswerken schrijven, slagen ze er meestal uitstekend in om alle aspecten van het menselijk bestaan -economie, maatschappij, politiek, religie, cultuur- te behandelen en met elkaar in verband te brengen. Die breedte zou juist in een museum over een halve of een volle eeuw het beste uitgewerkt kunnen worden.

Maar moeten mensen dan niet het lange verhaal van de geschiedenis op Nederlandse bodem kennen? Ja, natuurlijk wel, maar waarom zou je dat kant-en-klaar in één museum voorschotelen?

De plaats waar een Nederlands Huis der Geschiedenis zou moeten komen, is door Thomas von der Dunk in zijn vrolijke boek 'Het Nederlandse Museum' al definitief bepaald: aan de oostzijde van het Amsterdamse Museumplein, daar waar nu het ANWB-gebouw en het Amerikaanse consulaat lelijk staan te wezen, bouwen. Dat is de goede plaats!

De Nederlandse historici moeten nog maar eens terug naar Bonn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden