'Zo kan ik later zeggen: ik heb wat gedaan'

In de vluchtelingenkampen aan de Zaïrees-Rwandese grens werken de verpleegkundigen, artsen en logistieke medewerkers van de Nederlandse hulporganisaties onder zeer moeilijke omstandigheden aan een probleem dat bijna niet op te lossen is. Zij verkiezen het werk op de scheidslijn tussen leven en dood vóór een veilig en eenvoudiger bestaan in Nederland. Wat bezielt hen eigenlijk?

“Toen ik bezig was aan de eerste dag van de Nijmeegse Vierdaagse, belde 's avonds Memisa met de vraag, of ik naar de kampen in Zaïre wilde. Al wandelend op de tweede dag realiseerde ik me dat ik daar heen moest gaan. Ik heb de Vierdaagse verlaten (formeel sta ik als opgever geregistreerd) en ben 's zaterdags al vertrokken.”

“Ik weet nog goed dat ik door Malawi trok, toen de eerste berichten uit Rwanda kwamen. Toen dacht ik al: We kunnen dit toch niet zo maar laten gebeuren? Ik denk dat je als mens verantwoordelijk bent voor elkaar, waar je je ook bevindt. En door hier nu te zijn, probeer ik mijn steentje bij te dragen.”

“Wat moet het voor iemand zijn, om uit zijn land weg te vluchten en alleen dat mee te nemen wat hij kan dragen? Ik merk dat ik wat ik hier zie, niet echt op me laat inwerken. In deze situatie heb je geen tijd om bij de dingen stil te staan. Maar ik verwacht dat, als ik eenmaal terug in Nederland ben, een hoop indrukwekkende herinneringen boven komen drijven.”

Theo Kreuzen uit Zwanenburg, verpleegkundige.

“Oudere mensen willen, als het over vervolging of mensenrechten in de Tweede Wereldoorlog gaat, nog wel eens zeggen: Waar heb je het over? Je hebt het niet meegemaakt! Maar dat kan nu niet meer, want ik hèb het meegemaakt - in de kampen van Zaïre.”

“Laatst zag ik op tv een documentaire van een Amerikaan die de eerste kleurenbeelden van Dachau had gemaakt. Ik dacht nog: Ik hoop dat nooit te zien. Maar ik hèb het gezien. De lijken die langs de laadklep in het massagraf vielen - het slijmspoor uit de mondhoeken. En ik voel me bevoorrecht dat ik er getuige van ben. In 1994 zijn we technisch tot van alles in staat, maar dit hebben we laten gebeuren. Ik kan hieruit mijn conclusies trekken.”

“Op sommige dagen, als ik verkouden ben en onder de beetjes zit, denk ik: waar ben ik mee bezig? En als ik de volgende dag een uitgehongerd kind twee biscuits geef, in elk handje een, en het kind weet niet met welk koekje te beginnen, dan weet ik weer precies waarom ik hier ben.”

Maria Aelter uit Aardrijke, verpleegkundige.

“Ik heb tweeëneenhalf jaar als verpleegkundige in het ziekenhuis van Kigali gewerkt en moest vier dagen voor de escalatie terug naar huis voor een cursus. Zonder te weten wat komen zou, zei ik mijn beste vriendin Chantal goeiedag, een Hutu die tot de gematigden behoorde. Chantal gaf plotseling cadeautjes mee, zoete patatten en bananen, en nam afscheid. 'Ik zie je nooit meer terug', zei ze en ik snapte niet waarover ze het had. Maar ze heeft gelijk gekregen.”

“Ik hoorde later dat de Hutu-milities Chantal en de andere verpleegkundigen uit de operatiezaal hebben gehaald en hebben afgevoerd. Ze hadden 35 uur achter elkaar geopereerd, maar werden van de tafel weggesleurd. Niemand heeft hen teruggezien. Toen ik thuis hoorde en zag wat er in Rwanda gebeurde, dacht ik direct: ik moet die mensen helpen. Nu ben ik hier en ik zet me in voor de herinnering aan Chantal. En eigenlijk ben ik hier ook voor mezelf. Opdat ik later kan zeggen: Ik heb wat gedaan.”

Lucas Bolsius uit Rotterdam, logistiek medewerker:

“Eigenlijk begin je aan een onmogelijke opdracht. Want als je je een voorstelling probeert te maken, waarin je terecht zult komen, heb je te maken met onvoorstelbare aantallen en gegevens. En met die realiteit wordt je ook gelijk geconfronteerd. De mensenmassa in het kamp, stapels doden, de holle ogen en dan toch gaan, omdat de solidariteit overwegend moet zijn. Ik denk dat dat mijn belangrijkste drijfveer is.”

“Mensen hier in Goma en omgeving moeten het gevoel hebben, dat ze er niet alleen voor staan. Wij in het Westen hebben de mogelijkheden om dicht bij hen te zijn. Niet iedereen is in staat om zomaar een vliegtuig in te stappen. Ik was wèl in die gelegenheid en probeerde die dingen te doen, waarvoor ik ben gegaan. En dat is de andere uitdaging.”

“Beginnen aan een klus waarvan je niet weet wat die gaat brengen. Allerlei praktische vragen waarover je je een tweetal weken geleden geen enkele voorstelling kon maken. Hoe krijgen we water in onze tenten? Hoe repareer ik die lekke tank? Wanneer komt een vliegtuig met goederen aan? Morgen mag ik antwoord geven op de vraag: hoe maken we een provisorisch toilet in een gebied met slechts keiharde lava?”

Eric Samkalden uit Utrecht, logistiek medewerker:

“Na mijn heao-be, ik werkte tijdelijk op een bank, had ik toch het gevoel dat er iets meer moest zijn dan een vaste baan van negen tot vijf, de auto en het eigen huis. Ik zou niet willen, dat ik op mijn 45e terugkijkend zou concluderen, dat ik een baan met met meer inhoud had laten liggen.”

“Daarom ben ik me nu gaan scholen in gezondheidszorg en noodhulp. Een erg aantrekkelijke branche, vanwege de enorme verscheidenheid aan problemen die moet worden opgelost. Ik heb hier in Goma nu mijn eerste werkervaring en ik heb het idee dat ik meehelp aan het creëren van een iets betere wereld.”

“Vreemd genoeg behoud ik hier een vrij klinische blik op de situatie, nu ik dagelijks bezig ben met het oplossen van allerlei praktische problemen. En ik kan me ook niet druk maken over de vraag, wie hier schuldig is. Immers, een zieke vrouw moet worden gewassen en het vervoer moet worden geregeld voor twee doodzieke ouderen die naar een ziekenhuis moeten.”

Liliane Biesheuvel uit Dronten, verpleegkundige:

“Ik was net terug van twee jaar Thailand, waar ik in een vluchtelingenkamp heb gewerkt, toen er gebeld werd met de vraag of ik naar de grens van Zaïre en Rwanda wilde vertrekken. Ik geloof in een bepaalde sturing van boven - ze waren puur toevallig aan mijn naam gekomen en ik was net twee weken thuis - en dus zei ik direct 'ja'.”

“Ik ben verpleegkundige geworden, omdat ik graag mensen help en werken in het buitenland zit gewoon in mijn bloed. Ik ben zo zinvol bezig. Het leven in een kamp zie ik, ondanks alle moeilijkheden die we nog moeten overwinnen, met de dag verbeteren. Als christen voel ik me bevoorrecht dat ik hier mag helpen.”

Marleen van Ruiten uit Dils en Stokkem, verpleegkundige:

“De oorlog in Rwanda zegt me veel meer dan die in Bosnië, bijvoorbeeld. Ik heb van 1980 tot 1985 in het Zaïrese Bukavu gewoond. En de beelden op tv waren voor mij zo herkenbaar. Ik kon me zo goed inleven.”

“Toen er sprake was van een stroom vluchtelingen, had ik sterk het gevoel dat ik iets moest doen. Ik ben moeder van zes kinderen, dus de beslissing in een vluchtelingenkamp te gaan werken, is een moeilijke. Maar ik dacht: Als ik niet probeer te gaan, zal ik dat mezelf later kwalijk nemen. Ik bèn gegaan en merk: Ik zit hier goed.”

Daniëlle de Boutte uit Londen, arts:

“Eerlijk gezegd had ik niet echt zin om naar de kampen in Zaïre af te reizen. Maar ik ben nu eenmaal arts en heb ervaring in Franstalig Afrika. En toen er gevraagd werd af te reizen, heb ik dagen lang nagedacht, maar kon geen argumenten verzinnen om niet te gaan. Afrika is een ziekte die steeds blijft terug komen. Een arts in Afrika maakt zich echt nuttig. Hier is aanwezigheid het verschil tussen de dood en het leven. Ik ben geen idealist en misschien is dat maar goed. Als professional doe ik wat ik kan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden